Quick Start Guide

9
Voordat u begint
5
Bereid de opname voor.
Zorg dat de lensintrekmarkering is
uitgelijnd met de zoompositiemarkering,
houd de lensintrekschakelaar naar [ ]
terwijl u de zoomring een klein beetje in
de aangegeven richting draait en laat de
schakelaar los.
Blijf de zoomring draaien tot deze klikt.
Hiermee wordt aangegeven dat de lens
gereed is voor het maken van opnamen.
Als u de lens wilt intrekken, houdt
u de lensintrekschakelaar richting
[
] terwijl u de zoomring draait.
Lijn de lensintrekmarkering uit met
de zoompositiemarkering en laat de
schakelaar los.
Als u wilt in-/uitzoomen, draait u de
zoomring op de lens met uw vingers.
Als u wilt in-/uitzoomen, moet u dit
doen voordat u scherpstelt. Als u de
zoomring draait nadat de scherpstelling
is voltooid, wordt de scherpstelling
mogelijk verstoord.
Een lens verwijderen
Zorg dat de camera is uitgeschakeld.
Houd de lensontgrendelingsknop (1)
ingedrukt terwijl u de lens in de
aangegeven richting draait (2).
Draai de lens totdat deze niet meer
verder kan en verwijder de lens in
de aangegeven richting (3).
Bevestig de lensdop op de
losgekoppelde lens.
(
3
)
(
1
)
(
2
)