Instructiehandleiding Instructiehandleidingen (PDF-bestanden) en de software kunnen worden gedownload van de Canon-website (pag. 4, 489). www.canon.
Inleiding De EOS 77D is een digitale spiegelreflexcamera met een uiterst nauwkeurige CMOS-sensor met ongeveer 24,2 effectieve megapixels, DIGIC 7, hoge precisie en hoge snelheid AF-punten (maximaal 45 kruisvormige AF-punten), continue opnamen met ongeveer 6,0 frames per seconde, Live View-opnamen en movie-opnamen in Full HD (Full High-Definition) en Wi-Fi/NFC/Bluetooth-functie (draadloze communicatie). Lees voordat u begint met opnamen maken het volgende Lees eerst de Veiligheidsmaatregelen (pag.
Controlelijst onderdelen Controleer voordat u begint of alle onderstaande onderdelen van de camera aanwezig zijn. Neem contact op met uw dealer als er iets ontbreekt. Camera (met oogschelp en cameradop) Riem Accu LP-E17 Acculader LC-E17E* (met beschermdeksel) * Acculader LC-E17E is voorzien en wordt geleverd met een netsnoer. Bij de camera is geen cd-rom met software, interfacekabel of HDMI-kabel geleverd. De instructiehandleidingen worden op de volgende pagina vermeld.
Instructiehandleidingen Verkorte handleiding Het boekje is de Verkorte handleiding. U vindt meer gedetailleerde instructiehandleidingen (PDF-bestanden) op de website van Canon. De instructiehandleidingen (PDF-bestanden) downloaden en bekijken 1 Download de instructiehandleidingen (PDF-bestanden). Maak verbinding met internet en ga naar de volgende Canon-website. www.canon.com/icpd Selecteer het land of de regio van uw verblijfplaats en download de instructiehandleidingen.
Instructiehandleidingen Instructiehandleidingen (PDF-bestanden) kunt u ook downloaden met gebruik van de QR-code. www.canon.com/icpd Voor het lezen van de QR-code is software nodig. Selecteer het land of de regio van uw verblijfplaats en download de instructiehandleidingen. U kunt de QR-code ook weergeven onder [54: Handleiding/software URL].
Verkorte handleiding Plaats de accu (pag. 40). 1 Laad na aankoop de accu om deze te kunnen gebruiken (pag. 38). Plaats de kaart (pag. 41). 2 3 Plaats de kaart in de kaartsleuf met de etiketzijde naar de achterzijde van de camera gericht. Witte markering Rode markering Bevestig de lens (pag. 51). Plaats de witte of rode bevestigingsmarkering op de lens op gelijke hoogte met de bevestigingsmarkering van dezelfde kleur op de camera om de lens te bevestigen.
Verkorte handleiding 6 Klap het LCD-scherm uit (pag. 44). 7 Stel scherp op het onderwerp (pag. 54). 8 Maak de opname (pag. 54). 9 Bekijk de opname. Zie pagina 47 wanneer de schermen met datum/tijd/zone-instelling op het LCD-scherm worden weergegeven. Kijk door de zoeker en richt het midden van de zoeker op het onderwerp. Druk de ontspanknop half in; de camera stelt vervolgens scherp op het onderwerp. De ingebouwde flitser komt tevoorschijn indien nodig.
Compatibele geheugenkaarten De volgende kaarten kunnen met de camera worden gebruikt, ongeacht de capaciteit. Als de kaart nieuw is of eerder is geformatteerd (geïnitialiseerd) met een andere camera of computer, moet u de kaart met deze camera formatteren (pag. 74). SD-/SDHC*-/SDXC*-geheugenkaarten * UHS-I-kaarten worden ondersteund.
Hoofdstukken Inleiding 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 2 Aan de slag en basis camerahandelingen 37 Basisfuncties voor het maken en weergeven van opnamen 83 De AF- en transportmodi instellen 123 Opname-instellingen 151 Geavanceerde functies voor fotografische effecten 189 Opnamen maken met de flitser 215 Opnamen maken met het LCD-scherm (Live view-opnamen) 241 Movie-opnamen 275 Handige functies 323 Opnamen weergeven 345 Opnamen naverwerken 391 De camera aanpassen aan uw voorkeuren
Inhoud op doel Opname Automatisch opnamen maken pag. 83-120 (Basismodus) Continue opnamen maken pag. 147 (i Continue opname) Een opname van uzelf maken in een groep pag. 149 (j Zelfontspanner) De actie bevriezen De actie onscherp maken pag. 192 (s AE met sluitertijdvoorkeuze) De achtergrond onscherp maken pag. 90 (C Creative auto) De achtergrond scherp houden pag. 194 (f AE met diafragmavoorkeuze) De helderheid van de opname aanpassen (belichting) pag.
Veel opnamen maken pag. 152 (7a, 8a, b) AF (scherpstellen) De AF-gebiedselectiemodus wijzigen pag. 129 Opnamen maken van een bewegend onderwerp pag. 100, 103, 126 (S AF-gebiedselectiemodus) (AI Servo AF) Weergave De opnamen bekijken op de camera pag. 121 (x Weergave) Snel opnamen zoeken pag. 346 (H Indexweergave) pag. 347 (I Door opnamen navigeren) Opnamen classificeren pag. 353(Classificaties) Voorkomen dat belangrijke opnamen per ongeluk worden gewist pag.
Functie-index Voeding Accu • Opladen • Plaatsen/verwijderen • Accuniveau • Accugegevens controleren Gewoon stopcontact Opnamen opslaan pag. 38 pag. 40 pag. 46 pag. 327 Bestandsnummering pag. 329 AF pag. 421 AF-bediening pag. 422 AF-gebiedselectiemodus pag. 129 Automatisch uitschakelen pag. 45 Kaarten pag. 124 AF-puntselectie pag. 131 Lenzengroep pag. 137 Handmatige scherpstelling pag. 146 Plaatsen/verwijderen pag. 41 Formatteren pag.
Functie-index Opname Movie-opname Opnamemodus pag. 30 Movie-opname pag. 275 ISO-snelheid pag. 158 AF-methode pag. 259 Aspect ratio pag. 156 Movieopnameformaat pag. 287 Bulb pag. 199 Servo AF voor movies pag. 315 Bulbtimer pag. 201 Geluidsopname pag. 313 Intervaltimer pag. 211 Handmatige belichting pag. 280 Meetmethode pag. 203 Digitale zoom pag. 290 Spiegel opklappen pag. 209 HDR-Movie opnamemodus pag.
Functie-index Opnamen bewerken Creatieve filters pag. 392 Formaat wijzigen pag. 395 Trimmen pag. 397 Aanpassen Persoonlijke voorkeuze (C.Fn) pag. 400 My Menu pag. 413 Software Verkorte softwarehandleiding pag. 488 Software-instructiehandleiding pag.
Symbolen en afspraken die in deze handleiding worden gebruikt Pictogrammen in deze handleiding <6> <5> <0> 0/9/7/8 : Het Hoofdinstelwiel. : Het Snelinstelwiel. : Geeft de richting van de verschuiving of verplaatsing aan wanneer u op de knop op het snelinstelwiel drukt. : De Instelknop. : Hiermee wordt aangeduid dat elke functie, nadat u de knop hebt losgelaten, respectievelijk 4, 6, 10 of 16 seconden actief blijft.
Inhoudsopgave Inleiding 2 Controlelijst onderdelen.................................................................... 3 Instructiehandleidingen .................................................................... 4 Verkorte handleiding......................................................................... 6 Compatibele geheugenkaarten ........................................................ 8 Hoofdstukken ...................................................................................
Inhoudsopgave 2 Basisfuncties voor het maken en weergeven van opnamen 83 A Volautomatisch opnamen maken (Scene Intelligent Auto)....... 84 A Volautomatische technieken (Scene Intelligent Auto) .............. 87 7 Opnemen als de flitser niet kan worden gebruikt......................89 C Creative Auto-opnamen............................................................ 90 2 Portretfoto’s maken....................................................................97 3 Landschapsfoto’s maken .....................
Inhoudsopgave 4 Opname-instellingen 151 De opnamekwaliteit instellen........................................................ 152 De aspect ratio van de opname wijzigen...................................... 156 g: De ISO-snelheid instellen voor foto’s................................... 158 A Een beeldstijl selecteren ...................................................... 161 A Een beeldstijl aanpassen ..................................................... 164 A Een beeldstijl vastleggen...................
Inhoudsopgave Draadloze flitsfotografie ................................................................ 229 Gemakkelijk draadloze flitsfotografie ............................................ 232 Aangepaste draadloze flitsfotografie.............................................235 7 Opnamen maken met het LCD-scherm (Live View-opnamen) 241 A Opnamen maken met het LCD-scherm ..................................242 Instellingen voor de opnamefunctie ..............................................
Inhoudsopgave Een map maken en selecteren .................................................. 327 Methoden voor bestandsnummering ......................................... 329 Copyrightinformatie instellen ..................................................... 332 Verticale opnamen automatisch roteren .................................... 334 De standaardinstellingen van de camera herstellen.................. 335 Automatisch uitschakelen van het LCD-scherm uitschakelen ... 338 f Automatische sensorreiniging..
Inhoudsopgave 11 Opnamen naverwerken 391 U Creatieve filtereffecten toepassen........................................... 392 S Het formaat van JPEG-beelden wijzigen ................................ 395 N JPEG-beelden bijsnijden ......................................................... 397 12 De camera aanpassen aan uw voorkeuren 399 Persoonlijke voorkeuzen instellen.................................................400 Persoonlijke voorkeuze-instellingen..............................................
Veiligheidsmaatregelen De volgende voorzorgsmaatregelen zijn getroffen om schade of letsel aan uzelf en anderen te voorkomen. Zorg ervoor dat u deze voorzorgsmaatregelen goed begrijpt en volg ze op voordat u het product gaat gebruiken. Als u storingen, problemen of schade aan het product detecteert, neemt u contact op met het dichtstbijzijnde Canon Service Center of de dealer bij wie u het product hebt gekocht. Waarschuwingen: Volg de onderstaande waarschuwingen.
Veiligheidsmaatregelen Wanneer de camera of de accessoires niet in gebruik zijn, verwijder de accu dan en haal de stekker en verbindingskabels uit de apparatuur voordat u deze opbergt. Zo voorkomt u elektrische schokken, oververhitting, brand en corrosie. Gebruik de apparatuur niet in de buurt van ontvlambaar gas. Zo voorkomt u een explosie of brand. Als u de apparatuur laat vallen en de behuizing zodanig beschadigd raakt dat de interne onderdelen bloot komen te liggen, raak deze dan niet aan.
Veiligheidsmaatregelen Aandachtspunten: Neem de onderstaande aandachtspunten in acht. Als u dit niet doet, kan dat leiden tot fysiek letsel of schade aan eigendommen. Zorg dat u het product niet gebruikt of laat liggen op een plaats waar de temperatuur hoog is, zoals in een auto die in de zon staat. Het product kan dan heet worden en brandwonden veroorzaken. Als u dit wel doet, kan de accu ook gaan lekken of exploderen. Hierdoor nemen de prestaties af of gaat het product minder lang mee.
Tips en waarschuwingen voor het gebruik Omgaan met de camera Deze camera is een precisie-instrument. Laat de camera niet vallen en stel deze niet bloot aan fysieke schokken. De camera is niet waterdicht en kan niet onder water worden gebruikt. Neem direct contact op met het dichtstbijzijnde Canon Service Center als u de camera per ongeluk in het water laat vallen. Droog de camera af met een schone, droge doek als er waterspatten op zijn gekomen.
Tips en waarschuwingen voor het gebruik Gebruik de camera niet als zich hierop condens heeft gevormd. Zo voorkomt u beschadiging van de camera. Als zich condens heeft gevormd, verwijdert u de lens, de kaart en de accu uit de camera. Wacht tot de condens is verdampt voordat u de camera gebruikt. Verwijder de accu en berg de camera op een koele, droge en goed geventileerde plaats op als u de camera gedurende langere tijd niet gaat gebruiken.
Tips en waarschuwingen voor het gebruik Kaarten Let op het volgende om de kaart en vastgelegde gegevens te beschermen: Laat de kaart niet vallen of nat worden en buig de kaart niet. Oefen geen druk op de kaart uit en stel deze niet bloot aan fysieke schokken en trillingen. Raak de elektronische contactpunten van de kaart nooit met uw vingers of een metalen voorwerp aan. Plak geen stickers of iets anders op de kaart.
Nomenclatuur Ingebouwde flitser/AF-hulplicht (pag. 216/127) Markering EF-objectiefvatting (pag. 51) Scherpstelvlakmarkering (pag. 99) Contactpunten voor flitssynchronisatie LCD-paneel (pag. 33) Flitsschoen (pag. 221) Markering EF-Sobjectiefvatting (pag. 51) Knop voor AFgebiedsselectie (pag. 130) Flitsknop (pag. 216) Knop voor ISOsnelheid (pag. 158) Ver-/ontgrendelknop programmakeuzewiel (pag. 55) Programmakeuzewiel (pag. 30) <6> Hoofdinstelwiel (pag.
Nomenclatuur Knop voor dioptrische aanpassing (pag. 53) Scherm uit-sensor (pag. 76, 338) Knop voor Live View-opnamen/ movie-opnamen (pag. 242/276) Quick Control-knop (pag. 65) AF-startknop (pag. 54, 124, 244, 285) Zoekeroculair Oogschelp (pag. 427) Knop voor AE-vergrendeling/ FE-vergrendeling/index/ verkleinen (pag. 208/219/ 346, 349) Infoknop (pag. 76, 121, 245, 282 en 420) Knop voor AF-puntselectie/ vergroten (pag. 131/349) Aan/uit-schakelaar (pag. 45) Menuknop (pag.
Nomenclatuur Programmakeuzewiel U kunt de opnamemodus instellen. Draai aan het programmakeuzewiel terwijl u de knop in het midden van het programmakeuzewiel ingedrukt houdt (ver-/ontgrendelknop programmakeuzewiel). Basismodi U hoeft alleen maar de ontspanknop in te drukken. De camera stelt alles in en zorgt dat de instellingen zijn afgestemd op het onderwerp of de scène. A : Scene Intelligent Auto 2 : Portret (pag. 97) (pag. 84) 3 : Landschap (pag. 98) 7 : Flitser uit (pag. 89) 4 : Close-up (pag.
Nomenclatuur Creatieve modi Met deze modi is het eenvoudiger om verschillende onderwerpen naar wens vast te leggen. d s f a : AE-programma (pag. 190) : AE met sluitertijdvoorkeuze (pag. 192) : AE met diafragmavoorkeuze (pag. 194) : Handmatige belichting (pag.
Nomenclatuur Scherm Snel instellen (Voorbeeld in de modus met [s: Opnamescherm: Standaard] ingesteld (pag. 65)) Sluitertijd Waarschuwing multifunctievergrendeling (LOCK) (pag. 57) Indicator belichtingsniveau Belichtingscorrectiewaarde (pag. 205) AEB-bereik (pag. 206) Multifunctievergrendeling waarschuwing (LOCK) (pag. 57) Opnamemodus Diafragma Waarschuwing Multifunctievergrendeling (LOCK) (pag. 57) Auto Lighting Optimizer (Auto optimalisatie helderheid) (pag. 175) ISO-snelheid (pag.
Nomenclatuur LCD-paneel ISO-snelheid (pag. 158) ISO-snelheidsindicator (pag. 158) Intervaltimeropnamen (pag. 211) Bulbtimeropnamen (pag. 201) Time-lapse-movie-opnamen (pag. 296) Accuniveau (pag. 46) Lichte tonen prioriteit (pag. 403) Indicator belichtingsniveau Belichtingscorrectiewaarde (pag. 205) AEB-bereik (pag.
Nomenclatuur Zoekerinformatie Spotmetingscirkel (pag. 203) Matglas Grote zone AF-kader (pag. 129) AF-punt (pag. 129) Raster (pag. 80) Gebied AF-kader (pag. 129) Aspect-ratiolijn (pag. 156) Knipperdetectie (pag. 81, 185) Digitaal waterpas (pag. 79) Waarschuwing pictogram (pag. 407) AE-vergrendeling (pag. 208) AEB actief (pag. 206) Flitser gereed (pag. 216, 221) Waarschuwing voor onjuiste FE-vergrendeling Snelle synchronisatie (pag. 227) FE-vergrendeling (pag.
Nomenclatuur Acculader LC-E17E Oplader voor accu LP-E17 (pag. 38).
1 Aan de slag en basis camerahandelingen In dit hoofdstuk worden de voorbereidende stappen voor het maken van opnamen en de basis camerahandelingen beschreven. De nekriem bevestigen Haal het uiteinde van de riem van onderaf door het oog van het bevestigingspunt van de draagriem. Haal het uiteinde daarna door de gesp van de riem zoals afgebeeld in de illustratie. Trek de riem strak en zorg ervoor dat deze goed vastzit in de gesp. De oculairdop is ook aan de riem bevestigd (pag. 427).
De accu opladen 1 Verwijder de beschermende afdekking. Verwijder het beschermdeksel van de accu. de accu. 2 Plaats Plaats de accu op de juiste manier in de lader zoals afgebeeld in de illustratie. Om de accu te verwijderen, herhaalt u de bovenstaande procedure in omgekeerde volgorde. LC-E17E de accu op. 3 Laad Sluit het netsnoer aan op de lader en steek de stekker in het stopcontact. Het opladen begint automatisch en het oplaadlampje wordt oranje.
De accu opladen Tips voor het gebruik van de accu en acculader Bij aankoop is de accu niet volledig opgeladen. Laad de accu vóór gebruik op. Het verdient aanbeveling om de accu op te laden op de dag dat u deze gaat gebruiken of een dag ervoor. Zelfs wanneer de camera is opgeborgen, raakt een opgeladen accu geleidelijk aan leeg. Verwijder de accu na het opladen en haal de acculader uit het stopcontact. Verwijder de accu wanneer u de camera niet gebruikt.
De accu plaatsen en verwijderen Plaats een volledig opgeladen accu LP-E17 in de camera. De zoeker van de camera wordt verlicht zodra een accu is geplaatst en wordt donker wanneer de accu wordt verwijderd. Als de accu niet is geplaatst, wordt het beeld in de zoeker onscherp en kunt u niet scherpstellen. De accu plaatsen 1 Open het klepje. Schuif het schuifje in de richting van de pijlen en open het klepje. de accu. 2 Plaats Steek het uiteinde met de elektrische contactpunten in de camera.
De kaart plaatsen en verwijderen U kunt in de camera een SD-, SDHC- of SDXC-geheugenkaart gebruiken (afzonderlijk verkrijgbaar). SDHC- en SDXCgeheugenkaarten met UHS-I kunnen ook worden gebruikt. De opnamen worden opgeslagen op de kaart. Zorg ervoor dat het schrijfbeveiligingsschuifje van de kaart omhoog staat, zodat schrijven en wissen mogelijk is. De kaart plaatsen 1 Schrijfbeveiligingsschuifje Open het klepje. Schuif het klepje in de richting van de pijlen om het te openen. de kaart.
De kaart plaatsen en verwijderen Het maximum aantal opnamen varieert, afhankelijk van de resterende capaciteit van de kaart, de instelling voor de opnamekwaliteit, de ISO-snelheid, enzovoort. Als u [z1: Ontspan sluiter zonder kaart] instelt op [Uitschakelen], kunt u geen opnamen maken als geen kaart is geplaatst (pag. 324). De kaart verwijderen 1 Lees-/schrijfindicator Open het klepje. Zet de aan-uitschakelaar op <2>. Controleer of de lees-/ schrijfindicator uit is en open vervolgens het klepje.
De kaart plaatsen en verwijderen Wanneer de lees-/schrijfindicator brandt of knippert, betekent dit dat opnamen op de kaart worden gelezen, opgeslagen of gewist, of dat gegevens worden overgedragen. Maak het klepje van de kaartsleuf op dat moment niet open. Voer ook niet de volgende handelingen uit wanneer de lees-/ schrijfindicator brandt of knippert. De opnamegegevens, kaart of camera kunnen anders beschadigd raken. • De kaart verwijderen. • De accu verwijderen.
Het LCD-scherm gebruiken Nadat u het LCD-scherm hebt uitgeklapt, kunt u menufuncties instellen, Live View-opnamen gebruiken, movies opnemen of foto’s en movies weergeven. U kunt de richting en hoek van het LCD-scherm wijzigen. 1 Klap het LCD-scherm uit. het LCD-scherm. 2 Draai Wanneer het LCD-scherm is 180° 90° 175° uitgeklapt, kunt u het scherm naar boven, naar beneden of meer dan 180° draaien zodat het naar het onderwerp toe is gericht. De hoek is slechts bij benadering aangegeven.
De camera inschakelen Als na het aanzetten van de camera het scherm met datum/tijd/ zone wordt weergegeven, raadpleegt u pagina 47 voor het instellen van de datum, tijd en tijdzone. : De camera wordt ingeschakeld. U kunt movies opnemen (pag. 276). <1> : De camera wordt ingeschakeld. U kunt foto’s maken. <2> : De camera is uitgeschakeld en werkt niet. Zet de aanuitschakelaar op deze positie wanneer u de camera niet gebruikt.
De camera inschakelen V Indicator accuniveau Wanneer de camera wordt ingeschakeld, heeft het accuniveau een van de volgende vier niveaus. V b v m : De accu is vol. : Het accuniveau is laag, maar de camera kan nog worden gebruikt. : De accu is bijna leeg. (Knippert) : Laad de accu op.
3 De datum, tijd en tijdzone instellen Wanneer de camera voor het eerst wordt ingeschakeld of als de datum/ tijd/zone-instellingen zijn gereset, wordt het instelscherm datum/tijd/zone weergegeven. Volg de stappen hieronder om eerst de tijdzone in te stellen. Stel de tijdzone in waarin u zich op dit moment bevindt. Als u op reis gaat, hoeft u alleen maar de tijdzone in te stellen op de tijdzone van uw bestemming. De camera past de datum en tijd automatisch aan.
3 De datum, tijd en tijdzone instellen Druk nogmaals op <0>. Druk op de pijltjestoetsen en om de tijdzone te selecteren en druk vervolgens op <0>. Als de gewenste tijdzone niet wordt vermeld, drukt u op de knop en gaat u naar de volgende stap om deze in te stellen (met het tijdsverschil ten opzichte van de UTC-tijd). U stelt het tijdsverschil ten opzichte van UTC in door op de toetsen te drukken en een parameter (+/-/uur/minuut) te selecteren voor [Tijdverschil].
3 De datum, tijd en tijdzone instellen de zomertijd in. 5 Stel Stel deze in als dit nodig is. Druk op de pijltjestoetsen en om [Y] te selecteren. Druk op <0> zodat wordt weergegeven. Druk op de pijltjestoetsen en om [Z] te selecteren en druk vervolgens op <0>. Wanneer de zomertijd is ingesteld op [Z], wordt de tijd die u in stap 4 hebt ingesteld één uur vooruit gezet. Als [Y] wordt ingesteld, wordt de zomertijd uitgeschakeld en wordt de tijd één uur teruggezet. de instelling.
3 De interfacetaal selecteren 1 Geef het menuscherm weer. Druk op de knop om het menuscherm weer te geven. op het tabblad [52] de 2 Selecteer optie [TaalK]. Druk op de knop en selecteer het tabblad [5]. Druk op de pijltjestoetsen en om het tabblad [52] te selecteren. Druk op de pijltjestoetsen en om de [TaalK] te selecteren en vervolgens druk op <0>. de gewenste taal in. 3 Stel Druk op de pijltjestoetsen en om de taal te selecteren en druk vervolgens op <0>.
Een lens bevestigen en verwijderen De camera is compatibel met alle Canon EF- en EF-S-lenzen. Houd er rekening mee dat u de EF-M-objectieven niet kunt gebruiken. Een lens bevestigen 1 Witte markering Verwijder de doppen. Verwijder de achterste lensdop en de cameradop door ze los te draaien in de richting die door de pijlen wordt aangegeven. de lens. 2 Bevestig Plaats de witte of rode markering op de lens op gelijke hoogte met de markering van dezelfde kleur op de camera.
Een lens bevestigen en verwijderen In- en uitzoomen Draai de zoomring op de lens met uw vingers. Als u wilt in- of uitzoomen, doe dit dan voordat u scherpstelt. Wanneer u na het scherpstellen aan de zoomring draait, kan de scherpstelling verloren gaan. De lens verwijderen Druk op de lensontgrendelingsknop en draai de lens als afgebeeld in de richting van de pijl. Draai de lens totdat dit niet meer verder kan en koppel de lens los. Bevestig de achterste lensdop op de losgekoppelde lens.
Basisopnamefuncties De scherpte van de zoeker aanpassen Draai aan de knop voor dioptrische aanpassing. Draai de knop naar links of rechts zodat de AF-punten in de zoeker scherp zijn. Als het lastig is om de knop te draaien, verwijdert u de oogschelp (pag. 427). Als het beeld in de zoeker na de dioptrische aanpassing van de camera nog niet scherp is, wordt u aangeraden om gebruik te maken van de dioptrische aanpassingslenzen uit de E-serie (afzonderlijk verkrijgbaar).
Basisopnamefuncties Ontspanknop De ontspanknop heeft twee stappen. U kunt de ontspanknop half indrukken. Vervolgens kunt u de ontspanknop helemaal indrukken. Half indrukken Hiermee activeert u de automatische scherpstelling en het automatische belichtingssysteem dat de sluitertijd en het diafragma instelt. De belichtingsinstelling (sluitertijd en diafragma) wordt in de zoeker en op het LCD-paneel weergegeven (0). Helemaal indrukken De sluiter ontspant en de opname wordt gemaakt.
Basisopnamefuncties Programmakeuzewiel Draai aan het programmakeuzewiel terwijl u de ver-/ontgrendelknop van het programmakeuzewiel in het midden ingedrukt houdt. Gebruik dit om de opnamemodus in te stellen. 6 Hoofdinstelwiel (1) Druk op een knop en draai aan het hoofdinstelwiel <6>. Druk op een knop zoals en draai het instelwiel <6> om de instelling te wijzigen. Als u op de knop hebt gedrukt, blijft de functie 6 sec. (9) geselecteerd.
Basisopnamefuncties 5 Snelinstelwiel (1) Druk op een knop en draai aan het hoofdinstelwiel <5>. Druk op een knop zoals en draai het instelwiel <5> om de instelling te wijzigen. Als u op de knop hebt gedrukt, blijft de functie 6 sec. (9) geselecteerd. Wanneer de timer niet meer actief is of als u de ontspanknop half indrukt, gaat de camera terug naar de opnamemodus.
Basisopnamefuncties R Multifunctievergrendeling Als [54: Multifunctievergrendeling] is ingesteld en de schakelaar staat omhoog, kunt u voorkomen dat de instellingen worden gewijzigd als per ongeluk aan het Hoofdinstelwiel of het Snelinstelwiel wordt gedraaid of als per ongeluk op het touchscreen wordt getikt. -schakelaar ingesteld op omlaag: ontgrendeld -schakelaar ingesteld op omhoog: vergrendeld 1 Selecteer [Multifunctievergrendeling].
Basisopnamefuncties U LCD-paneelverlichting U kunt het LCD-paneel verlichten door op de knop te drukken. Schakel de LCD-paneelverlichting (9) in of uit door op de knop te drukken. Wanneer u bij een bulbbelichting de ontspanknop volledig indrukt, wordt de LCD-paneelverlichting uitgeschakeld. Het scherm Snel instellen weergeven Nadat u een aantal keer op de knop hebt gedrukt, wordt het scherm Snel instellen weergegeven. Vervolgens kunt u de actuele opname-instellingen bekijken.
3 Het schermweergaveniveau instellen U kunt naar uw voorkeur instellen hoe informatie op het scherm wordt weergegeven. Wijzig de instelling zoals gewenst. 1 Geef het menuscherm weer. Druk op de knop om het menuscherm weer te geven. het tabblad [s]. 2 Selecteer Druk op de knop en selecteer het tabblad [s]. Opnamescherm U kunt [Standaard] of [Met uitleg] (gebruikersvriendelijker) voor het Scherm Snel instellen in zoekeropname selecteren. De standaardinstelling is [Standaard].
3 Het schermweergaveniveau instellen Voorbeeldschermen : Standaard : Met uitleg : Standaard : Met uitleg Als in de Creatieve modus [Met uitleg] is ingesteld, worden alleen de voor de ingestelde opnamemodus specifieke functies in het scherm Snel instellen weergegeven. Merk op dat items die niet kunnen worden ingesteld vanuit het scherm Snel instellen als [Met uitleg] is geselecteerd, kunnen worden ingesteld via het menuscherm (pag. 68).
3 Het schermweergaveniveau instellen Menuweergave U kunt de weergavemethode selecteren uit [Standaard] of [Met uitleg]. Als u [Met uitleg] instelt, worden beschrijvingen voor het hoofdtabblad gegeven als u op de knop drukt. Als u [Standaard] instelt, gaat u rechtstreeks naar het menuscherm als u op de knop drukt. De standaardinstelling is [Standaard]. 1 Selecteer [Menuweergave]. 2 Selecteer de weergavemethode.
3 Het schermweergaveniveau instellen Uitleg voor Opnamemodus U kunt de beschrijving van de Opnamemodus (Modusuitleg) weergeven als u de opnamemodus wijzigt tijdens opnemen met de zoeker. De standaardinstelling is [Inschakelen]. 1 Selecteer [Modusuitleg]. 2 Selecteer [Inschakelen]. aan het programmakeuzewiel. 3 Draai Een beschrijving van de geselecteerde opnamemodus verschijnt. op de toets . 4 Druk De rest van de beschrijving verschijnt.
3 Het schermweergaveniveau instellen Uitleg Bij gebruik van Quick Control of het instellen van menu-items kunt u een korte beschrijving van functies en opties (Uitleg) weergeven. De standaardinstelling is [Inschakelen]. 1 Selecteer [Uitleg]. 2 Selecteer [Inschakelen]. Voorbeeldschermen Scherm Snel instellen Menuscherm Uitleg De beschrijving verdwijnt als u er op tikt of verdergaat met de bewerking.
3 Het schermweergaveniveau instellen Opnametips Opnametips verschijnen als het [Opnamescherm] is ingesteld op [Met uitleg] (pag. 59) en de camera is op een van de volgende manieren ingesteld: In Basismodus verschijnen opnametips ongeacht de instelling van het [Opnamescherm]. • Om de achtergrond verder te vervagen (met de laagste diafragmawaarde ingesteld in de modus ). • Het beeld is waarschijnlijk overbelicht. • Het beeld is waarschijnlijk onderbelicht.
Q Quick Control voor opnamefuncties U kunt de opnamefuncties die worden weergegeven op het LCDscherm, rechtstreeks selecteren en instellen met intuïtieve handelingen. Dit heet Snel instellen. 1 Druk op de knop (7). Het scherm Snel instellen wordt weergegeven. de gewenste functies in. 2 Stel Druk op de pijltjestoetsen en of en om een functie te selecteren. De instellingen van de geselecteerde functie en Uitleg (pag. 63) worden weergegeven.
Q Quick Control voor opnamefuncties Voorbeeld van het scherm Snel instellen Als [s: Opnamescherm: Standaard] is ingesteld Diafragma (pag. 194) Sluitertijd (pag. 192) Opnamemodus* (pag. 30) Belichtingscorrectie/ AEB-instelling (pag. 205/206) Beeldstijl (pag. 161) AF-bediening (pag. 124) Terug Witbalans (pag. 169) AF-gebiedselectiemodus (pag. 130) Witbalanscorrectie (pag. 173) Meetmethode (pag. 203) Lichte tonen prioriteit* (pag. 403) ISO-snelheid (pag. 158) Flitsbelichtingscorrectie (pag. 218) Func.inst.
3 Menubewerkingen en configuraties U kunt verschillende instellingen opgeven via de menu’s, zoals de opnamekwaliteit, datum/tijd, enzovoort. Knop Knop <0> Snelinstelwiel Pijltjestoetsen LCD-scherm Menuscherm De weergegeven menutabbladen en menu-items kunnen per opnamemodus verschillen.
3 Menubewerkingen en configuraties Procedure voor het instellen van het menu Als [s: Menuweergave: Standaard] is ingesteld 1 Geef het menuscherm weer. Druk op de knop om het menuscherm weer te geven. een tabblad. 2 Selecteer Telkens als u op de knop drukt, wordt er van hoofdtabblad (groep functies) gewisseld. Druk op de toetsen en van het snelinstelwiel om een secundair tabblad te selecteren.
3 Menubewerkingen en configuraties de instelling. 6 Verlaat Druk op de knop om het menu af te sluiten en naar de opnamemodus terug te keren. In stap 2 kunt u ook aan het instelwiel <6> draaien om een menutabblad te selecteren. In stap 4 kunt u ook aan het instelwiel <5> draaien om bepaalde instellingen te selecteren. Bij stap 2 tot 6 kunt u ook op het LCD-scherm tikken om de handeling uit te voeren (pag. 71).
3 Menubewerkingen en configuraties een secundair tabblad. 4 Selecteer Druk op de toetsen en van het snelinstelwiel om een secundair tabblad te selecteren. In deze handleiding verwijst het tabblad [z3] bijvoorbeeld naar het scherm dat wordt weergegeven als van het tabblad z (Opnamen) de optie [3] wordt geselecteerd. De volgende handelingen zijn dezelfde als voor [s: Menuweergave: Standaard]. Zie de stappen op pagina 68, te beginnen met stap 3.
d De camera bedienen met de touchscreen U kunt de camera bedienen door met uw vingers op het LCD-scherm (aanraakgevoelig paneel) te tikken. Tikken Voorbeeldweergave (Quick Control) Tik met uw vinger op het LCD-scherm (kort aanraken en dan weer loslaten). U kunt menu’s, pictogrammen, enzovoort op het LCD-scherm selecteren door erop te tikken. Als u bijvoorbeeld op [Q] tikt, verschijnt het scherm Snel instellen. Door op [Q] te tikken, keert u terug naar het vorige scherm.
d De camera bedienen met de touchscreen Slepen Voorbeeldscherm (Menuscherm) Sleep uw vinger over het LCD-scherm.
d De camera bedienen met de touchscreen 3 De aanraakbediening instellen 1 Selecteer de optie [Aanraakbediening]. Selecteer op het tabblad [53] de optie [Aanraakbediening] en druk vervolgens op <0>. de gevoeligheid voor de 2 Stel aanraakbediening in. Selecteer de gewenste instelling en druk op <0>. [Standaard] is de normale instelling. [Gevoelig] zorgt voor een betere reactie van het touchscreen dan [Standaard]. Probeer beide instellingen uit en selecteer de instelling die u prefereert.
3 De kaart formatteren Als de kaart nieuw is of eerder is geformatteerd met een andere camera of computer, moet u de kaart met deze camera formatteren. Wanneer de geheugenkaart wordt geformatteerd, worden alle opnamen en gegevens van de kaart gewist. Zelfs beveiligde opnamen worden gewist; controleer dus of er geen opnamen op de kaart staan die u wilt bewaren. Breng de opnamen en gegevens zo nodig over naar een computer of een ander opslagmedium voordat u de kaart formatteert.
3 De kaart formatteren Gebruik [Kaart formatteren] in de volgende gevallen: De kaart is nieuw. De kaart is geformatteerd met een andere camera of een computer. De kaart is volledig gevuld met opnamen of gegevens. Er wordt een kaartfout weergegeven (pag. 467). Low-levelformattering Voer een low-levelformattering uit als de opname- of leessnelheid van de kaart laag is of als u alle gegevens op de kaart volledig wilt wissen.
Wisselen van scherm op het LCD-scherm Op het LCD-scherm kunnen het scherm Snel instellen, het menuscherm, vastgelegde beelden, enzovoort worden weergegeven. Wanneer u de camera inschakelt, wordt het scherm Snel instellen weergegeven. Vervolgens kunt u de actuele opname-instellingen bekijken. Als u met uw oog in de buurt van de zoeker komt, schakelt de schermuitschakelingssensor (pag. 29, 338) het LCD-scherm automatisch uit om te voorkomen dat u door het scherm wordt verblind.
Wisselen van scherm op het LCD-scherm Bij [52: LCD uitschakelen] kunt u voorkomen dat het LCD-scherm automatisch wordt uitgeschakeld (pag. 338). Zelfs als het menuscherm of het vastgelegde beeld wordt weergegeven, kunt u onmiddellijk opnamen maken door de ontspanknop in te drukken. Als u door het zoekeroculair kijkt met een zonnebril op, wordt het LCDscherm mogelijk niet automatisch uitgeschakeld. Als dit gebeurt, kunt u op de knop drukken om het LCD-scherm uit te schakelen.
3 De digitale horizon weergeven U kunt op de LCD-scherm en in de zoeker een digitale waterpas weergeven om u te helpen kanteling van de camera te corrigeren. U kunt alleen de horizontale kanteling controleren en niet de kanteling vooruit of achteruit. De digitale horizon op het LCD-scherm weergeven 1 Druk op de knop . Telkens als u op de knop drukt, wordt de schermweergave vernieuwd. Geef het digitale waterpas weer.
3 De digitale horizon weergeven De digitale horizon weergeven in de zoeker Er kan in de zoeker een eenvoudige digitale waterpas met een camerapictogram worden weergegeven. Omdat deze indicator wordt weergegeven tijdens de opname, kunt u de opname maken terwijl u de camerakanteling controleert. 1 Selecteer [Zoekerweergave]. Selecteer op het tabblad [52] de [Zoekerweergave] en druk op <0>. 2 Selecteer [Elektr. niveau]. 3 Selecteer [Weergeven]. de ontspanknop half in.
3 Het raster weergeven U kunt een raster weergeven in de zoeker om u te helpen controleren of de camera niet gekanteld is en de beeldcompositie te bepalen. 1 Selecteer [Zoekerweergave]. Selecteer op het tabblad [52] de [Zoekerweergave] en druk op <0>. 2 Selecteer [Rasterweergave]. [Weergeven]. 3 Selecteer Wanneer u het menu afsluit, wordt het raster weergegeven in de zoeker.
3 De knipperdetectie weergevenN Als u deze functie instelt, wordt weergegeven in de zoeker wanneer de camera flikkeringen detecteert die worden veroorzaakt door het knipperen van de lichtbron. De knipperdetectie is standaard ingesteld op [Weergeven]. 1 Selecteer [Zoekerweergave]. Selecteer op het tabblad [52] de [Zoekerweergave] en druk op <0>. 2 Selecteer [Knipperdetectie]. 3 Selecteer [Weergeven].
2 Basisfuncties voor het maken en weergeven van opnamen In dit hoofdstuk wordt beschreven hoe u de basismodi op het programmakeuzewiel kunt gebruiken voor de beste resultaten en hoe u opnamen kunt weergeven. In de basismodi hoeft u de camera alleen maar op het onderwerp te richten en de opname te maken; de camera stelt alles automatisch in (pag. 118, 430).
A Volautomatisch opnamen maken (Scene Intelligent Auto) is een volautomatische modus. De camera analyseert de scène en stelt automatisch de optimale instellingen in. Bovendien past de camera de scherpstelling automatisch aan op het niet-bewegende of bewegende onderwerp door de beweging van het onderwerp te detecteren (pag. 87). 1 Stel het programmakeuzewiel in op . Draai aan het programmakeuzewiel terwijl u de ver-/ontgrendelknop in het midden ingedrukt houdt.
A Volautomatisch opnamen maken (Scene Intelligent Auto) de opname. 4 Maak Druk de ontspanknop helemaal in om een opname te maken. Het vastgelegde beeld wordt ongeveer 2 seconden op het LCD-scherm weergegeven. Als u klaar bent met fotograferen, duwt u de ingebouwde flitser weer omlaag. De modus zorgt ervoor dat de kleuren in natuur- en buitenopnamen en opnamen van zonsondergangen er indrukwekkender uitzien.
A Volautomatisch opnamen maken (Scene Intelligent Auto) De pieptoon blijft zachtjes aanhouden. De scherpstelindicator brandt niet. Dit geeft aan dat de camera voortdurend scherpstelt op een bewegend onderwerp. (De scherpstelindicator brandt niet.) U kunt scherpe opnamen maken van een bewegend onderwerp. De scherpstelvergrendeling (pag. 87) werkt in dit geval niet. Er wordt niet op het onderwerp scherpgesteld als de ontspanknop half is ingedrukt.
A Volautomatische technieken (Scene Intelligent Auto) De compositie opnieuw bepalen Door het onderwerp afhankelijk van de scène links of rechts in beeld te plaatsen om een uitgebalanceerde achtergrond op te nemen, wordt een opname met een beter perspectief bereikt. In de modus wordt om scherp te stellen op een stilstaand onderwerp door de ontspanknop half in te drukken de scherpstelling op dat onderwerp vergrendeld.
A Volautomatische technieken (Scene Intelligent Auto) A Live View-opnamen U kunt opnamen maken terwijl het zoekerbeeld op het LCD-scherm wordt weergegeven. Dit heet ‘Live View-opnamen’. Zie pagina 241 voor meer informatie. 1 Geef het Live View-beeld op het LCD-scherm weer. Druk op de knop . Het Live View-beeld wordt op het LCD-scherm weergegeven. scherp op het onderwerp. 2 Stel Druk de ontspanknop half in om scherp te stellen.
7 Opnemen als de flitser niet kan worden gebruikt De camera analyseert de scène en stelt automatisch de optimale instellingen in. Op plaatsen waar het gebruik van een flitser niet is toegestaan, zoals in musea of een aquarium, gebruikt u de modus <7> (Flitser uit). Opnametips Als de nummerweergave (sluitertijd) in de zoeker knippert, moet u ervoor zorgen dat de camera niet beweegt. Bij weinig licht, wanneer de kans op cameratrillingen groter is, knippert de weergave van de sluitertijd in de zoeker.
C Creative Auto-opnamen In de modus kunt u de volgende functies instellen voor het maken van opnamen: (1) Sfeeropnamen, (2) Achtergrond wazig, (3) Transportmodus en (4) Flitsen met ingebouwde flitser. De standaardinstellingen zijn hetzelfde als in de modus . * CA staat voor Creative Auto (Automatisch/creatief). 1 Stel het programmakeuzewiel in op . op de knop (7). 2 Druk Het scherm Snel instellen wordt weergegeven. de gewenste functies in.
C Creative Auto-opnamen Sluitertijd Diafragma ISO-snelheid (1) (2) (4) (3) Accuniveau Opnamekwaliteit Maximum aantal opnamen Als u (1) of (2) instelt wanneer de camera in de modus voor Live Viewopnamen staat, ziet u het effect van de potentiële opname direct op het scherm, nog voordat de opname is gemaakt. (1) Sfeeropnamen U kunt de gewenste sfeer selecteren en daarmee uw opnamen maken. Draai aan het instelwiel <6> of <5> om de sfeer te selecteren.
C Creative Auto-opnamen (2) Achtergrond wazig • Als [OFF] is ingesteld, verandert de mate van achtergrondvervaging met de helderheid van het beeld. • Bij een andere instelling dan [OFF] kunt u de achtergrondvervaging zelf instellen, onafhankelijk van de helderheid. • Als u aan het instelwiel <6> of <5> draait om de cursor naar rechts te verplaatsen, komt de achtergrond scherper in beeld. • Draait u het instelwiel <6> of <5> zodanig dat de cursor naar links gaat, dan wordt de achtergrond onscherper.
C Creative Auto-opnamen (3) Transportmodus: Gebruik het hoofdinstelwiel <6> of <5> om de selectie te maken. U kunt deze ook in een lijst selecteren door op <0> te drukken. Enkelbeeld: Eén opname tegelijk maken. Continue opnamen met hoge snelheid: Als u de ontspanknop volledig indrukt, worden er continu opnamen gemaakt. U kunt circa 6,0 opnamen per seconde maken. Continue opname met lage snelheid: Als u de ontspanknop volledig indrukt, worden er continu opnamen gemaakt.
C Creative Auto-opnamen Opname met sfeerselectie Sfeer 1 Sfeer: Standaard 2 Levendig 3 Soft 4 Warm 5 Intens 6 Koel 7 Helderder 8 Donkerder 9 Monochroom Sfeereffect Geen instelling Zwak / Standaard / Sterk Zwak / Standaard / Sterk Zwak / Standaard / Sterk Zwak / Standaard / Sterk Zwak / Standaard / Sterk Zwak / Normaal / Sterk Zwak / Normaal / Sterk Blauw / Z/W / Sepia 1 Geef het Live View-beeld weer. Druk op de knop om het Live View-beeld weer te geven.
C Creative Auto-opnamen het sfeereffect in. 3 Stel Druk op de pijltjestoetsen en om het effect te selecteren. [Effect] wordt dan onder aan het scherm weergegeven. Druk op de pijltjestoetsen om het gewenste effect te selecteren. de opname. 4 Maak Druk de ontspanknop helemaal in om een opname te maken. Druk op de knop om de Live View-opnamen te verlaten en weer via de zoeker te fotograferen. Druk vervolgens de ontspanknop helemaal in om de opname te maken.
C Creative Auto-opnamen Sfeerinstellingen 1Sfeer: Standaard Dit levert standaardbeeldkenmerken. 2 Levendig Het onderwerp wordt scherp en levendig weergegeven. Met deze sfeerinstelling ziet de foto er indrukwekkender uit dan met de instelling [1 Sfeer: Standaard]. 3 Soft Het onderwerp is minder gedefinieerd, waardoor de opname een zachtere, delicatere uitstraling krijgt. Goed voor portretten, huisdieren, bloemen, enzovoort.
2 Portretfoto’s maken De modus <2> (Portret) maakt de achtergrond onscherp, zodat personen duidelijker naar voren komen. Ook worden de tinten van de huid en het haar zachter gemaakt. Opnametips Selecteer de locatie waar de afstand tussen het onderwerp en de achtergrond het grootst is. Hoe groter de afstand tussen het onderwerp en de achtergrond, hoe waziger de achtergrond eruitziet. Ook steekt het onderwerp beter af tegen een gelijkmatige, donkere achtergrond. Gebruik een telelens.
3 Landschapsfoto’s maken Gebruik de modus <3> (Landschap) voor panoramafoto’s of om alles van dichtbij tot veraf scherp in beeld te krijgen. Voor levendige blauwe en groene tinten en zeer scherpe en heldere opnamen. Opnametips Gebruik bij een zoomlens de groothoekzijde. Stel bij gebruik van een zoomlens deze in op groothoek om onderwerpen dichtbij en veraf scherp te krijgen. Het geeft landschappen ook meer breedte. ’s Avonds opnamen maken.
4 Close-ups maken Wanneer u bloemen of kleine onderwerpen van dichtbij wilt fotograferen, gebruikt u de modus <4> (Close-up). Gebruik een macrolens (afzonderlijk verkrijgbaar) om kleine onderwerpen veel groter te laten uitkomen. Opnametips Gebruik een eenvoudige achtergrond. Met een simpele achtergrond komen kleine objecten zoals bloemen beter tot hun recht. Nader het onderwerp zo dicht mogelijk. Controleer de minimale scherpstelafstand van de lens. Sommige lenzen hebben een indicatie zoals <0.39m/1.
5 Opnamen maken van bewegende onderwerpen Gebruik de modus <5> (Sport) om bewegende onderwerpen te fotograferen, bijvoorbeeld rennende mensen of een rijdende auto. Opnametips Gebruik een telelens. Voor opnamen vanaf een afstand wordt het gebruik van een telelens aanbevolen. Volg het onderwerp binnen het gebied AF-kader. Druk de ontspanknop half in om automatisch scherpstellen in het gebied van het AF-kader te starten. Tijdens het automatisch scherpstellen blijft u een zachte pieptoon horen.
8: Modus Speciale scène De camera kiest automatisch de juiste instellingen wanneer u een opnamemodus voor uw onderwerp of scène selecteert. 1 Stel het programmakeuzewiel in op <8>. op de knop (7). 2 Druk Het scherm Snel instellen wordt weergegeven. een opnamemodus. 3 Selecteer Selecteer [Scène kiezen] en druk vervolgens op <0>. Druk op de pijltjestoetsen en om de gewenste opnamemodus te selecteren en druk vervolgens op <0>. U kunt ook aan het hoofdinstelwiel <6> of <5> draaien.
q Groepsfoto’s nemen Gebruik de modus (Groepsfoto) om groepsfoto’s te nemen. U kunt een foto nemen waarin zowel de mensen op de voorgrond als op de achtergrond scherp zijn. Opnametips Gebruik een groothoekobjectief. Gebruik de groothoekstand van een zoomlens om alle mensen in een groep gemakkelijker scherp te krijgen, vanaf de voorste tot de achterste rij. En als u enige afstand houdt tussen de camera en het onderwerp (zodat het gehele lichaam van iedereen in beeld is) neemt het scherptebereik toe.
C Kinderen fotograferen Wanneer u rondrennende kinderen wilt fotograferen en voortdurend op ze wilt blijven scherpstellen, gebruikt u (Kinderen). Dit zorgt ook voor een gezonde huidtint in de opnamen. Opnametips Volg het onderwerp binnen het gebied AF-kader. Druk de ontspanknop half in om automatisch scherpstellen in het gebied van het AF-kader te starten. Tijdens het automatisch scherpstellen blijft u een zachte pieptoon horen.
P Voedsel fotograferen Gebruik voor het fotograferen van voedsel de modus
(Voedsel). De foto wordt scherp en aantrekkelijk. Afhankelijk van de lichtbron wordt bovendien de roodachtige tint onderdrukt in opnamen die bij kunstlicht enzovoort worden gemaakt. Opnametips Pas de kleurtoon aan. U kunt de [Kleurtoon] aanpassen. Als u de roodachtige tint van het voedsel wilt versterken, zet u de kleurtoon richting [Warm]. Als het geheel te rood overkomt, zet u de kleurtoon richting [Koel].
x Portretten bij kaarslicht maken Wanneer u personen bij kaarslicht wilt fotograferen, gebruikt u (Kaarslicht). De atmosfeer van kaarslicht wordt gereflecteerd in de kleurtoon van de foto. Opnametips Gebruik het middelste AF-punt om scherp te stellen. Richt het middelste AF-punt in de zoeker op het onderwerp en maak de foto. Als de nummerweergave (sluitertijd) in de zoeker knippert, moet u ervoor zorgen dat de camera niet beweegt.
6 Nachtportretten maken (met een statief) Gebruik de modus <6> (Nachtportret) als u ’s avonds mensen wilt fotograferen en een natuurlijk uitziende achtergrond wilt hebben. U wordt aangeraden een statief te gebruiken. Opnametips Gebruik een groothoekobjectief en een statief. Gebruik bij een zoomlens de groothoekzijde om in het donker een panorama-effect te verkrijgen. En gebruik ook een statief, omdat cameratrilling snel optreedt bij fotograferen uit de hand. Controleer de helderheid van het onderwerp.
F Nachtopnamen maken (uit de hand) U bereikt bij nachtopnamen het beste resultaat door een statief te gebruiken. Met de modus (Nachtopnamen uit hand) kunt u echter ook prima nachtopnamen maken terwijl u de camera in de hand houdt. In deze modus worden vier continue opnamen gemaakt voor elke foto, en vervolgens wordt een opname met minder cameratrilling opgeslagen. Opnametips Houd de camera stevig vast. Houd de camera stevig vast en houd deze stil als u de opname maakt.
G Opnamen met tegenlicht maken Als u een tafereel met zowel lichte als donkere gebieden fotografeert, gebruikt u de modus (HDR-tegenlicht). Wanneer u één foto in deze modus maakt, worden drie opvolgende opnamen met verschillende belichting gemaakt. Het resultaat is één opname met een breed kleurtoonbereik waarbij de schaduwen, veroorzaakt door tegenlicht, tot een minimum zijn beperkt. Opnametips Houd de camera stevig vast. Houd de camera stevig vast en houd deze stil als u de opname maakt.
Aandachtspunten voor Groepsfoto Omdat vervormingscorrectie wordt toegepast, gebruikt de camera een kleiner beeldbereik dan door de zoeker te zien is. (De randen van de opname zijn iets bijgesneden en het lijkt of de resolutie iets lager is.) En tijdens Live View-opnamen verandert de beeldhoek iets. Aandachtspunten voor Kinderen Tijdens Live View-opnamen, als de flitser wordt gebruikt bij continue opnamen, daalt de snelheid van continue opname.
Aandachtspunten voor Nachtopnamen uit hand en HDR-tegenlicht U kunt 1+73 of 1 niet selecteren. Als 1+73 of 1 wordt ingesteld, wordt de opname vastgelegd met de ingestelde 73-kwaliteit. Als u een bewegend onderwerp fotografeert, kan de beweging van het onderwerp nabeelden achterlaten en kan het gebied om het onderwerp heen donker worden.
v Opnamen maken met Creatieve filtereffecten In de modus (Creatieve filter) kunt u een van de tien filtereffecten (Korrelig Z/W*, Soft focus*, Fisheye-effect*, Aquareleffect*, Speelgoedcamera-effect*, Miniatuureffect*, HDR-kunst standaard, HDR-kunst helder, HDR-kunst opvallend en HDR-kunst embossed) toepassen voor het maken van opnamen. Wanneer de camera in de modus voor Live View-opnamen staat, ziet u het effect van de potentiële opname direct op het scherm, nog voordat de opname is gemaakt.
v Opnamen maken met Creatieve filtereffecten een opnamemodus. 4 Selecteer Druk op de toetsen en om een opnamemodus te selecteren en druk vervolgens op <0>. De opname wordt weergegeven met de effecten van het filter toegepast. Beschikbare opnamemodi in de modus v Opnamemodus Pagina Opnamemodus Pagina G Korrelig Z/W pag. 113 c Miniature effect (Miniatuureffect) pag. 114 W Soft focus pag. 113 A HDR-kunst standaard pag. 114 X Fisheye-effect pag. 113 B HDR-kunst helder pag.
v Opnamen maken met Creatieve filtereffecten U kunt 1+73 of 1 niet selecteren. Als 1+73 of 1 wordt ingesteld, wordt de opname vastgelegd met de ingestelde 73-kwaliteit. Als , , , , of wordt ingesteld, kan continue opname niet worden ingesteld. Stofwisdata (pag. 341) wordt niet toegevoegd aan opnamen die zijn gemaakt met het Fisheye-effect. wordt standaard ingesteld op (Flitser uit). Probeer cameratrilling te voorkomen wanneer u bij weinig licht fotografeert.
v Opnamen maken met Creatieve filtereffecten Z Aquareleffect Hiermee ziet de foto eruit als een aquarel met zachte kleuren. U kunt de intensiteit van de kleur wijzigen door het filtereffect aan te passen. Het kan zijn dat nachtelijke of donkere scènes niet vloeiend, maar onregelmatig of met aanzienlijke ruis worden weergegeven.
v Opnamen maken met Creatieve filtereffecten C HDR-kunst opvallend De kleuren zijn het meest verzadigd, waardoor het onderwerp er echt uitspringt en de opname er als een olieverfschilderij uitziet. D HDR-kunst embossed De kleurverzadiging, de helderheid, het contrast en de gradatie zijn beperkt, wat ervoor zorgt dat de opname er vlak uitziet. De opname ziet er vervaagd en oud uit. Het onderwerp heeft opvallende heldere (of donkere) randen.
v Opnamen maken met Creatieve filtereffecten Miniatuureffect aanpassen 1 Verplaats het AF-punt. Verplaats het AF-punt naar de plek waarop u wilt scherpstellen. Als het AF-punt niet volledig wordt bedekt door het kader met het miniatuureffect, knippert het pictogram [r] rechtsonder in het scherm. Pas in de volgende stap de positie aan van het kader voor het miniatuureffect zodat dit het AF-punt bedekt. kader van het Miniatuureffect 2 Het verplaatsen.
Q Quick Control Druk in de basismodi op de knop om het scherm Snel instellen weer te geven. U kunt de onderdelen instellen in de tabellen op de pagina’s 118-119. Voorbeeld: het programmakeuzewiel in 1 Stel op een basismodus. op de knop (7). 2 Druk Het scherm Snel instellen wordt weergegeven. de gewenste functies in. 3 Stel Druk op de pijltjestoetsen en of en om een functie te selecteren. (Deze stap is in de modus 7 niet nodig.
Q Quick Control Functies die in de basismodi kunnen worden ingesteld o: Standaardinstelling* k: Door gebruiker in te stellen Functie Transport modus (pag.
Q Quick Control o: Standaardinstelling* k: Door gebruiker in te stellen Functie u: Enkelbeeld Transport modus (pag.
De helderheid instellen Wanneer in de basismodi een andere modus dan , <7>, , <8: G> of wordt ingesteld, kunt u de helderheid instellen die u voor de opname wilt gebruiken. U kunt zowel de helderheid als de donkerte instellen in 3 stappen waarbij 0 standaard is. 1 Stel het programmakeuzewiel in op <2>, <3>, <4>, <5>, of <8>. Als <8> is ingesteld, instellen op , , , , <6>, of . het Live View-beeld weer.
x Opnamen weergeven Hieronder wordt beschreven hoe u opnamen het eenvoudigst kunt weergeven. Zie pagina 345 voor meer informatie over de weergaveprocedure. 1 Geef de opname weer. Druk op de knop . De laatst gemaakte of laatst bekeken opname wordt weergegeven. een opname. 2 Selecteer Als u de opnamen in omgekeerde volgorde wilt weergeven, draait u het hoofdinstelwiel <5> linksom. Wilt u de opnamen in chronologische volgorde weergeven, dan draait u het instelwiel <5> rechtsom.
x Opnamen weergeven de opnameweergave. 3 Beëindig Druk op de knop om de opnameweergave te beëindigen en om meteen weer opnamen te kunnen maken. Weergave met opname-informatie Als de weergave met opname-informatie wordt weergegeven (pag. 121), kunt u op de pijltjestoetsen en drukken om de onder in het scherm weergegeven opname-informatie als volgt te wijzigen. Raadpleeg de pagina’s 386-387 voor meer informatie.
3 De AF- en transportmodi instellen De AF-punten in de zoeker zijn zodanig geplaatst dat u op een verscheidenheid aan onderwerpen en in allerlei omstandigheden automatisch scherp kunt stellen. U kunt ook de AF-bediening en de transportmodus selecteren die voor de opnameomstandigheden en het onderwerp het geschiktst zijn. Het pictogram O rechts boven de paginatitel geeft aan dat de functie alleen in de creatieve modi (pag. 31) beschikbaar is. In de basismodi wordt de AF-bediening automatisch ingesteld.
f: De AF-bediening wijzigenN U kunt de AF-bediening (automatische scherpstelling) selecteren die bij de opnameomstandigheden en het onderwerp past. In de basismodi wordt de optimale AF-bediening automatisch ingesteld voor de respectieve opnamemodus. 1 Stel de scherpstelmodusknop op de lens in op . het programmakeuzewiel 2 Draai naar een creatieve modus. op de knop . 3 Druk [AF-werking] wordt weergegeven. de AF-bediening.
f: De AF-bediening wijzigenN 1-beeld AF voor niet-bewegende onderwerpen Geschikt voor niet-bewegende onderwerpen. Wanneer u de ontspanknop half indrukt, stelt de camera slechts één keer scherp. Het AF-punt waarop is scherpgesteld, wordt weergegeven en de scherpstelindicator in de zoeker gaat branden. AF-punt Bij meervlaksmeting wordt de Scherpstelindicator belichting ingesteld op het moment dat op het onderwerp is scherpgesteld.
f: De AF-bediening wijzigenN AI Servo AF voor bewegende onderwerpen Deze AF-bediening is geschikt voor bewegende onderwerpen waarbij de scherpstelafstand telkens verandert. Terwijl u de ontspanknop half ingedrukt houdt, blijft de camera voortdurend scherpstellen op het onderwerp. De belichting wordt ingesteld op het moment dat de opname wordt gemaakt. Wanneer de AF-gebiedselectiemodus (pag.
f: De AF-bediening wijzigenN AF-punten lichten rood op De AF-punten lichten standaard rood op wanneer er is scherpgesteld in omstandigheden met weinig licht of op een donker onderwerp. In de creatieve modi kunt u instellen of de AF-punten rood oplichten wanneer scherpstelling is bereikt (pag. 406). AF-hulplicht met de ingebouwde flitser Bij weinig licht flitst de ingebouwde flitser een paar keer kort wanneer u de ontspanknop half indrukt.
f: De AF-bediening wijzigenN 3 Objectief elektronische MF instellen Met de volgende USM- en STM-lenzen die zijn voorzien van een elektronische scherpstelfunctie kunt u instellen of elektronische handmatige scherpstelling moet worden gebruikt in 1-beeld AF. De standaardinstelling is [Uitschakelen na One-Shot AF]. EF-S18-135mm f/3.5-5.6 IS USM EF300mm f/2.8L USM EF1200mm f/5.6L USM EF50mm f/1.0L USM EF400mm f/2.8L USM EF28-80mm f/2.8-4L USM EF85mm f/1.2L USM EF400mm f/2.8L II USM EF70-300mm f/4-5.
S Het AF-gebied en het AF-punt selecteren De camera heeft 45 AF-punten voor automatische scherpstelling. U kunt de AF-gebiedselectiemodus en AF-punten selecteren die bij de scène of het onderwerp passen. Afhankelijk van de gebruikte lens kan het aantal bruikbare AF-punten, AF-puntpatronen, de vorm van het gebied AF-kader, enz. verschillen. Zie voor meer informatie ‘Lenzen en bruikbare AF-punten’ op pagina 137. AF-gebiedselectiemodus U kunt uit een van de vier AF-gebiedselectiemodi kiezen.
S Het AF-gebied en het AF-punt selecteren De AF-gebiedselectiemodus selecteren 1 Druk op de knop of (9). Kijk door de zoeker en druk op de knop of . op de knop . 2 Druk Elke keer dat u op de knop drukt, wordt de AFgebiedsselectiemodus gewijzigd. In de modi <8: x> en kunt u het AF-gebied niet zelf selecteren. Voor opnamen wordt Enkelbeeld AF (vast op het centrum) toegepast.
S Het AF-gebied en het AF-punt selecteren Het AF-punt handmatig selecteren U kunt het AF-punt of de AF-zone ook handmatig selecteren. 1 Druk op de knop of (9). De AF-punten worden in de zoeker weergegeven. In de modi Zone-AF of Grote zone-AF wordt de geselecteerde zone weergegeven. <6> <5> een AF-punt. 2 Selecteer U kunt een AF-punt selecteren door horizontaal te schuiven met het hoofdinstelwiel <6> of verticaal met het hoofdinstelwiel <5>.
S Het AF-gebied en het AF-punt selecteren Indicaties voor AF-puntweergave Wanneer u op de knop of drukt, lichten de AF-punten op die fungeren als AF-kruismetingspunten voor uiterst nauwkeurige automatische scherpstelling. De knipperende AF-punten zijn gevoelig over de horizontale of verticale lijn. Raadpleeg de pagina’s 136-140 voor meer informatie.
AF-gebiedselectiemodi S Eén-punts AF (handmatige selectie) Selecteer één AF-punt om mee scherp te stellen. m Zone-AF (handmatige selectie van een zone) Het AF-gebied wordt in negen scherpstelzones verdeeld om scherp te stellen. Aangezien alle AF-punten in de geselecteerde zone voor de automatische AF-puntselectie worden gebruikt, werkt het beter dan éénpunts AF om het onderwerp te volgen en is het tevens effectief voor bewegende onderwerpen.
AF-gebiedselectiemodi o Automatische selectie-AF Het gebied AF-kader (hele AF-gebied) wordt gebruikt om scherp te stellen. De AF-punten waarop wordt scherpgesteld, worden weergegeven als . Wanneer bij Eén-punts AF de ontspanknop half wordt ingedrukt, worden de AF-punten waarop is scherpgesteld weergegeven. Als er meer AF-punten worden weergegeven, betekent dat er op al deze punten is scherpgesteld. Deze modus stelt normaliter op het dichtstbijzijnde onderwerp scherp.
AF-gebiedselectiemodi AF met behulp van color tracking Standaard wordt AF uitgevoerd op basis van color tracking. Maar in de modi <3>, <4>, <8: Px6F> en wordt AF niet uitgevoerd op basis van color tracking. Als de AF-gebiedselectiemodus is ingesteld op zone-AF, grote zone-AF of automatische selectie AF, wordt als volgt scherpgesteld: In de modus 1-beeld AF Scherpstellen op een niet-bewegend persoon in het AF-gebied wordt eenvoudiger.
AF-sensor De AF-sensor van de camera heeft 45 AF-punten. De onderstaande afbeelding toont het AF-sensorpatroon dat met elk AF-punt overeenkomt. Als u een lens gebruikt met een maximaal diafragma van f/2.8 of sneller, is AF met hoge precisie mogelijk in het midden van de zoeker. Afhankelijk van de gebruikte lens kan het aantal bruikbare AF-punten, AF-puntpatronen, de vorm van het gebied AF-kader, enz. verschillen. Zie voor meer informatie ‘Lenzen en bruikbare AF-punten’ op pagina 137.
Lenzen en bruikbare AF-punten Hoewel de camera 45 AF-punten heeft, is het aantal bruikbare AF-punten, AF-scherpstelpatronen, de vorm van het gebied AF-kader enzovoort afhankelijk van de gebruikte lens. Lenzen worden daarom onderverdeeld in acht groepen van A t/m H. Een lens uit groep E tot H heeft minder bruikbare AF-punten. Lensgroepen worden weergegeven op pagina’s 141-144. Ga na tot welke groep uw lens behoort. Het aantal beschikbare AF-punten is afhankelijk van de aspect ratioinstellingen (pag.
Lenzen en bruikbare AF-punten Groep B Automatische scherpstelling met 45 punten is mogelijk. Alle AFgebiedselectiemodi zijn selecteerbaar. : AF-kruismetingspunt. Het onderwerp wordt gemakkelijker gevolgd en de scherpstelling is uiterst nauwkeurig. Groep C Automatische scherpstelling met 45 punten is mogelijk. Alle AFgebiedselectiemodi zijn selecteerbaar. : AF-kruismetingspunt. Het onderwerp wordt gemakkelijker gevolgd en de scherpstelling is uiterst nauwkeurig.
Lenzen en bruikbare AF-punten Groep E Automatische scherpstelling is met 35 punten mogelijk. (Niet mogelijk met alle 45 AF-punten.) Alle AF-gebiedselectiemodi zijn selecteerbaar. Tijdens automatische AF-puntselectie is het buitenste kader waarmee de AF-zone wordt gemarkeerd (gebied AF-kader) anders dan bij 45-punts automatische selectie-AF. : AF-kruismetingspunt. Het onderwerp wordt gemakkelijker gevolgd en de scherpstelling is uiterst nauwkeurig. : De AF-punten zijn gevoelig voor horizontale lijnen.
Lenzen en bruikbare AF-punten Groep G Automatische scherpstelling met 27 punten is mogelijk. (Niet mogelijk met alle 45 AF-punten.) Grote zone-AF (handmatige selectie van een zone) kan niet worden geselecteerd voor de AF-gebiedselectiemodus. Tijdens automatische AF-puntselectie is het buitenste kader waarmee de AF-zone wordt gemarkeerd (gebied AF-kader) anders dan bij 45-punts automatische selectie-AF. : AF-kruismetingspunt.
Lenzen en bruikbare AF-punten Aanduidingen van lensgroepen EF-S24mm f/2.8 STM EF-S60mm f/2.8 Macro USM EF-S10-18mm f/4.5-5.6 IS STM EF-S10-22mm f/3.5-4.5 USM EF-S15-85mm f/3.5-5.6 IS USM EF-S17-55mm f/2.8 IS USM EF-S17-85mm f/4-5.6 IS USM EF-S18-55mm f/3.5-5.6 EF-S18-55mm f/3.5-5.6 USM EF-S18-55mm f/3.5-5.6 II EF-S18-55mm f/3.5-5.6 II USM EF-S18-55mm f/3.5-5.6 III EF-S18-55mm f/3.5-5.6 IS EF-S18-55mm f/3.5-5.6 IS II EF-S18-55mm f/3.5-5.6 IS STM EF-S18-55mm f/4-5.6 IS STM EF-S18-135mm f/3.5-5.
Lenzen en bruikbare AF-punten EF200mm f/2.8L USM + Extender EF2x I/II/III EF200mm f/2.8L II USM EF200mm f/2.8L II USM + Extender EF1.4x I/II/III EF200mm f/2.8L II USM + Extender EF2x I/II/III EF300mm f/2.8L USM EF300mm f/2.8L USM + Extender EF1.4x I/II/III EF300mm f/2.8L USM + Extender EF2x I/II/III EF300mm f/2.8L IS USM EF300mm f/2.8L IS USM + Extender EF1.4x I/II/III EF300mm f/2.8L IS USM + Extender EF2x I/II/III EF300mm f/2.8L IS II USM EF300mm f/2.8L IS II USM + Extender EF1.4x I/II/III EF300mm f/2.
Lenzen en bruikbare AF-punten EF600mm f/4L IS II USM + Extender EF2x I/II/III EF800mm f/5.6L IS USM EF800mm f/5.6L IS USM + Extender EF1.4x I/II/III EF1200mm f/5.6L USM EF1200mm f/5.6L USM + Extender EF1.4x I/II/III EF8-15mm f/4L Fisheye USM EF11-24mm f/4L USM EF16-35mm f/2.8L USM EF16-35mm f/2.8L II USM EF16-35mm f/2.8L III USM EF16-35mm f/4L IS USM EF17-35mm f/2.8L USM EF17-40mm f/4L USM EF20-35mm f/2.8L EF20-35mm f/3.5-4.5 USM EF22-55mm f/4-5.6 USM EF24-70mm f/2.8L USM EF24-70mm f/2.
Lenzen en bruikbare AF-punten EF70-200mm f/4L USM + Extender EF1.4x I/II/III EF70-200mm f/4L USM + Extender EF2x I/II/III EF70-200mm f/4L IS USM EF70-200mm f/4L IS USM + Extender EF1.4x I/II/III EF70-200mm f/4L IS USM + Extender EF2x I/II/III EF70-210mm f/3.5-4.5 USM EF70-210mm f/4 EF70-300mm f/4-5.6 IS USM EF70-300mm f/4-5.6 IS II USM EF70-300mm f/4-5.6L IS USM EF70-300mm f/4.5-5.6 DO IS USM EF75-300mm f/4-5.6 EF75-300mm f/4-5.6 USM EF75-300mm f/4-5.6 II EF75-300mm f/4-5.6 II USM EF75-300mm f/4-5.
Onderwerpen waarop moeilijk kan worden scherpgesteld Soms kan er niet automatisch worden scherpgesteld (de scherpstelindicator in de zoeker knippert).
Onderwerpen waarop moeilijk kan worden scherpgesteld MF: Handmatige scherpstelling de scherpstelmodusknop op 1 Zet de lens op . scherp op het onderwerp. 2 Stel Stel scherp door aan de focusring op Scherpstelring de lens te draaien totdat u het onderwerp scherp in de zoeker ziet. Als u de ontspanknop half indrukt terwijl u handmatig scherpstelt, wordt het AF-punt waarmee is scherpgesteld, weergegeven en gaat de scherpstelindicator in de zoeker branden.
i De transportmodus selecteren De camera heeft transportmodi voor enkele opnamen en continue opnamen. 1 Druk op de knop . [Transportmodus] wordt weergegeven. de transportmodus. 2 Selecteer Druk op de pijltjestoetsen en om de gewenste transportmodus te selecteren en druk vervolgens op <0>. u : Enkelbeeld Wanneer u de ontspanknop helemaal indrukt, wordt er slechts één opname gemaakt. o: Continue opname met hoge snelheid (max. circa 6,0 beelden/ sec.
i De transportmodus selecteren o: De maximale snelheid van continue opname met Hoge snelheid van circa 6,0 opnamen/sec. wordt bereikt onder de volgende omstandigheden: bij 1/500 seconde of kortere sluitertijd, bij maximaal diafragma (afhankelijk van de lens), antiknipperopname uitgeschakeld, een volledig opgeladen accu en bij kamertemperatuur (23 °C).
j De zelfontspanner gebruiken op de knop . 1 Druk [Transportmodus] wordt weergegeven. de zelfontspanner. 2 Selecteer Druk op de pijltjestoetsen en om de zelfontspanner te selecteren en druk op <0>. Q: Zelfontspanner: 10 sec. U kunt ook de afstandsbediening gebruiken (pag. 423). l: Zelfontspanner: 2 sec (pag. 93) q: Zelfontspanner:10 sec en continue opname Druk op de pijltjestoetsen en om aan te geven hoeveel opnamen u met de zelfontspanner wilt maken (2 – 10). de opname.
4 Opname-instellingen In dit hoofdstuk worden functie-instellingen voor opnamen beschreven: opnamekwaliteit, Aspect ratio, ISO-snelheid, beeldstijl, witbalans, Auto Lighting Optimizer (Auto optimalisatie helderheid), ruisreductie, lensafwijkingscorrectie, antiknipperopname en andere functies. Het pictogram O rechts boven de paginatitel geeft aan dat de functie alleen in de creatieve modi (pag. 31) beschikbaar is.
3 De opnamekwaliteit instellen U kunt het aantal pixels en de beeldkwaliteit selecteren. Er zijn negen instellingen voor de opnamekwaliteit: 73, 83, 74, 84, 7a, 8a, b, 1+73, 1. 1 Vastgelegde pixels (aantal pixels) Maximum aantal opnamen Selecteer de opnamekwaliteit. Selecteer op het tabblad [z1] de optie [Beeldkwalit.] en druk vervolgens op <0>. [Beeldkwalit.] wordt weergegeven. de opnamekwaliteit in.
3 De opnamekwaliteit instellen Richtlijnen voor het instellen van de opnamekwaliteit (benadering) Beeldkwaliteit 73 Opgeslagen pixels Hoge kwaliteit 24M Gemiddelde 84 kwaliteit JPEG 11M 83 74 7a 8a b Lage kwaliteit 1+73 1 Hoge kwaliteit 5,9M 3,8M 24M Bestandsgrootte (MB) Maximum aantal opnamen Maximale opnamereeks 7,6 950 190 (Volledig) 3,9 1840 Volledig (Volledig) 4,1 1790 Volledig (Volledig) 2,0 3480 Volledig (Volledig) 2,6 2730 Volledig (Volledig) 1,3 5260 Volledig (Volle
3 De opnamekwaliteit instellen Veelgestelde vragen Ik wil de opnamekwaliteit selecteren die bij het papierformaat past waarop ik wil printen. Raadpleeg het diagram links bij het Papierformaat kiezen van de opnamekwaliteit. Als u de A2 (59,4 x 42 cm) opname wilt bijsnijden, wordt het 73 aanbevolen om een hogere kwaliteit A3 (42 x 29,7 cm) 83 (meer pixels) te selecteren, zoals 73, 1+73 74 1 83, 1+73 of 1. 84 b is geschikt voor het weergeven van 7a 8a b de opname in een digitale fotolijst.
3 De opnamekwaliteit instellen 1 1-opnamen zijn onbewerkte beeldgegevens die nog moeten worden omgezet in 73 of andere typen afbeeldingen. 1-opnamen kunnen niet zomaar op een computer worden weergegeven. Daarvoor is speciale software nodig, zoals Digital Photo Professional (EOSsoftware, pag. 488). U kunt deze opnamen echter wel aanpassen op manieren die met andere opnametypen, zoals 73, niet mogelijk zijn.
3 De aspect ratio van de opname wijzigenN U kunt de aspect ratio van de opname wijzigen. [3:2] is standaard ingesteld. Als [4:3], [16:9] of [1:1] is ingesteld, worden lijnen in de zoeker weergegeven om het beeldgebied aan te duiden. Tijdens het maken van Live View-opnamen wordt het beeld omgeven door een zwart masker op het LCD-scherm. 1 Selecteer de aspect ratio. Selecteer op het tabblad [z5] de optie [Aspect ratio] en druk vervolgens op <0>. de aspect ratio in.
3 De aspect ratio van de opname wijzigenN In de onderstaande tabel ziet u de aspect ratio en het aantal vastgelegde pixels voor elke opnamekwaliteit.
g: De ISO-snelheid instellen voor foto’sN Stel de ISO-snelheid (de lichtgevoeligheid van de beeldsensor) in op de waarde die voor het omgevingslicht gewenst is. In de basismodi wordt de ISO-snelheid automatisch ingesteld. Raadpleeg pagina 278 en 281 voor meer informatie over de ISOsnelheid tijdens movie-opnamen. 1 Druk op de knop (9). de ISO-snelheid in. 2 Stel Terwijl u naar het LCD-paneel of in de zoeker kijkt, draait u aan het instelwiel <6> of <5>.
g: De ISO-snelheid instellen voor foto’sN Selecteer onder [54: Persoonlijke voorkeuze(C.Fn)] de optie [4: Lichte tonen prioriteit] is ingesteld op [1:Inschakelen], kunnen ISO 100 en “H” (equivalent aan ISO 51200) niet worden ingesteld (pag. 403). Opnamen bij hoge temperaturen kunnen er korreliger uitzien. Lange belichtingstijden kunnen ook afwijkende kleuren in de opname tot gevolg hebben.
g: De ISO-snelheid instellen voor foto’sN 3 De maximale ISO-snelheid instellen voor [AUTO]N Voor ISO auto kunt u de maximale ISO-snelheid instellen op een waarde tussen ISO 400 en ISO 25600. Selecteer op het tabblad [z2] de optie [zISO Auto] en druk op <0>. Selecteer de ISO-snelheid en druk op <0>.
A Een beeldstijl selecterenN Door een beeldstijl te selecteren, kunt u opnamekenmerken verkrijgen die bij uw fotografische expressie of bij het onderwerp passen. 1 Druk op de knop . Het keuzescherm voor beeldstijlen wordt weergegeven. een beeldstijl. 2 Selecteer Selecteer een beeldstijl en druk vervolgens op <0>. De beeldstijl wordt ingesteld. U kunt de beeldstijl ook instellen met [z3: Beeldstijl].
A Een beeldstijl selecterenN Q Portret Voor mooie huidskleurtinten. De opname heeft zachtere kleuren. Geschikt voor portretten in close-up. Door de [Kleurtoon] te wijzigen (pag. 165), kunt u de huidskleurtint aanpassen. R Landschap Voor levendige blauwe en groene tinten en zeer scherpe en heldere opnamen. Gebruik deze instelling voor indrukwekkende landschappen. u Gedetailleerd Geschikt voor de weergave van gedetailleerde contouren en een fijne structuur van het onderwerp.
A Een beeldstijl selecterenN Symbolen Het selectiescherm voor beeldstijlen heeft pictogrammen voor [Sterkte], [Details] of [Drempel] voor [Scherpte], [Contrast] en andere parameters. De cijfers geven de waarden weer voor deze parameters die zijn ingesteld voor de respectieve beeldstijl.
A Een beeldstijl aanpassenN U kunt de beeldstijlen aanpassen. U kunt de parameterinstellingen van beeldstijlen zoals [Sterkte], [Details] of [Drempel] voor [Scherpte], [Contrast] en andere parameters in de standaardinstellingen wijzigen of aanpassen. Maak testopnamen om het resultaat te bekijken. Zie pagina 166 voor het aanpassen van [Monochroom]. 1 Druk op de knop . Het keuzescherm voor beeldstijlen wordt weergegeven. een beeldstijl.
A Een beeldstijl aanpassenN Parameterinstellingen en -effecten Scherpte g J Sterkte 0: Zwak benadrukken van de contouren 7: Sterk benadrukken van de contouren K Details*1 1: fijn 5: korrelig L Drempel*2 1: zwak 5: sterk -4: laag contrast +4: hoog contrast h Contrast i Verzadiging -4: lage verzadiging +4: hoge verzadiging j Kleurtoon -4: roodachtige huidskleur +4: geelachtige huidskleur *1: Geeft de details aan van de contouren die moeten worden benadrukt.
A Een beeldstijl aanpassenN V Monochroom aanpassen Naast de effecten die worden beschreven op de vorige pagina zoals [Contrast] of [Sterkte], [Details] en [Drempel] voor [Scherpte], kunt u ook [Filtereffect] en [Toningeffect] instellen. kFiltereffect U kunt op een monochrome opname witte wolken of groene bomen meer laten afsteken door een filtereffect toe te passen. Filter Voorbeeldeffecten N: Geen Normale zwart-witopname zonder filtereffecten.
A Een beeldstijl vastleggenN U kunt een basisbeeldstijl selecteren, zoals [Portret] of [Landschap], de parameters daarvan naar wens aanpassen en de stijl vervolgens vastleggen onder [Gebruiker 1], [Gebruiker 2] of [Gebruiker 3]. Dit is handig wanneer u vooraf meerdere beeldstijlen met verschillende instellingen wilt definiëren. U kunt hier ook de parameters aanpassen van een beeldstijl die met EOS Utility (EOS-software, pag. 488) op de camera is vastgelegd. 1 Druk op de knop .
A Een beeldstijl vastleggenN een parameter. 5 Selecteer Selecteer de parameter (zoals [Sterkte] of [Scherpte]) die u wilt instellen en druk vervolgens op <0>. de parameter in. 6 Stel Druk op de pijltjestoetsen om het effect van de parameter aan te passen en druk vervolgens op <0>. Zie ‘Een beeldstijl aanpassen’ (pag. 164-166) voor meer informatie. Druk op de knop om de aangepaste parameterinstellingen vast te leggen. Het keuzescherm voor beeldstijlen verschijnt nu weer.
B: Aanpassen aan de lichtbronN Witbalans (WB) zorgt ervoor dat witte gebieden er wit uitzien. Bij de instelling Auto [Q] (Sfeerprioriteit) of [Qw] (Witprioriteit) zal doorgaans automatisch de juiste witbalans worden ingesteld. Als u met de instelling Auto geen natuurlijke kleuren krijgt, kunt u een witbalans selecteren die bij de lichtbron past of de witbalans handmatig instellen door een opname van een wit voorwerp te maken. Bij de basismodi wordt [Q] (Sfeerprioriteit) automatisch ingesteld.
B: Aanpassen aan de lichtbronN Q Automatische witbalans Met [Q] (Sfeerprioriteit) kunt u de intensiteit van de warme kleurzweem van de opname vergroten wanneer u scènes in kunstlicht opneemt. Als u [Qw] (Witprioriteit) selecteert, kunt u de intensiteit van de warme kleurzweem van de opname verkleinen. Als u de automatische witbalans van vroegere EOS-cameramodellen wilt bereiken, selecteert u [Q] (Sfeerprioriteit). op de knop . 1 Druk [Witbalans] wordt weergegeven. [Q].
B: Aanpassen aan de lichtbronN O Handmatige witbalans Met handmatige witbalans kunt u de witbalans instellen voor de specifieke lichtbron van de opnamelocatie. Zorg ervoor dat u deze procedure uitvoert onder de lichtbron op de plaats van opname. 1 Fotografeer een wit object. Kijk door de zoeker. Het gebied tussen de gestippelde lijn (zie afbeelding) moet een effen wit object bedekken. Stel handmatig scherp en maak opnamen met de standaardbelichting die voor het witte object is ingesteld.
B: Aanpassen aan de lichtbronN [O (Custom)]. 4 Selecteer Druk op de knop . Selecteer [O (Custom)] en druk op <0>. Als de bij stap 1 verkregen belichting sterk afwijkt van de standaardbelichting, kan dit een incorrecte witbalansinstelling tot gevolg hebben. In stap 3 kunnen de volgende opnamen niet worden geselecteerd: Opnamen die zijn vastgelegd terwijl de beeldstijl was ingesteld op [Monochroom] (pag.
u De kleurtoon voor de lichtbron aanpassenN U kunt de ingestelde witbalans corrigeren. Deze correctie heeft hetzelfde effect als het gebruik van een in de handel verkrijgbaar kleurtemperatuurconversiefilter of kleurcompensatiefilter. Elke kleur kan in negen niveaus worden gecorrigeerd. Deze functie is voor gevorderde gebruikers, met name voor gebruikers die bekend zijn met het gebruik en de effecten van kleurtemperatuurconversie en kleurcompensatiefilters. Witbalanscorrectie 1 Selecteer [WB Shift/Bkt.].
u De kleurtoon voor de lichtbron aanpassenN Automatische witbalansbracketing Het is mogelijk om met één opname tegelijkertijd drie opnamen met een verschillende kleurtoon op te slaan. De opname wordt niet alleen opgeslagen met de kleurtemperatuur van de actuele witbalansinstelling, maar ook met meer blauw/amber en magenta/groen. Deze functie wordt witbalansbracketing (WB Bkt.) genoemd. Witbalansbracketing is mogelijk in ±3 hele stappen. Stel de witbalansbracketing in.
3 Helderheid en contrast automatisch corrigerenN Als de opname te donker wordt of als het contrast te laag is, kunnen de helderheid en het contrast van de opname automatisch worden verbeterd. Deze functie heet Auto Lighting Optimizer (Auto optimalisatie helderheid). De standaardinstelling is [Standaard]. Bij JPEG-opnamen wordt de correctie toegepast wanneer de opname is gemaakt. Bij de basismodi wordt [Standaard] automatisch ingesteld. 1 Selecteer [Auto Lighting Optimizer/ Auto optimalisatie helderheid].
3 Ruisreductie instellenN Hoge ISO-ruisreductie Met deze functie vermindert u de ruis die in een opname ontstaat. Hoewel ruisreductie wordt toegepast bij alle ISO-snelheden, is de functie vooral effectief bij hoge ISO-snelheden. Bij opnamen aan lage ISO-snelheden kan de ruis in de donkere gedeelten van de opname (de schaduwpartijen) verder worden gereduceerd. Wijzig de instelling zodat deze aansluit op het ruisniveau. 1 Selecteer [Hoge ISO-ruisreductie].
3 Ruisreductie instellenN Als [Ruisond. bij meerd. opn.] is ingesteld Als de opnamen door beweging van de camera erg zijn verschoven, is het effect van de ruisonderdrukking mogelijk kleiner. Wanneer u de camera in de hand houdt, dient u deze goed stil te houden om cameratrilling te voorkomen. U wordt aangeraden een statief te gebruiken. Als u een opname van een bewegend onderwerp maakt, kunnen door de beweging van het onderwerp nabeelden ontstaan.
3 Ruisreductie instellenN de gewenste optie in. 2 Stel Selecteer de gewenste instelling en druk op <0>. [Automatisch] Bij een belichtingstijd van 1 seconde of langer wordt ruisreductie automatisch uitgevoerd wanneer er ruis wordt gedetecteerd die wordt veroorzaakt door lange belichting. De instelling [Automatisch] is in de meeste gevallen effectief. [Inschakelen] Ruisreductie wordt toegepast bij alle belichtingstijden van 1 seconde of langer.
3 Correctie van lensafwijking door optische eigenschappenN Lichtafval is een verschijnsel dat ervoor zorgt dat de hoeken van de opname er donkerder uitzien als gevolg van de optische eigenschappen van de lens. Een andere afwijking is het verschijnen van kleurranden rond de contouren van het onderwerp. Dit heet chromatische aberratie. Beeldvervorming door optische eigenschappen van de lens wordt vervorming genoemd. En afgenomen opnamescherpte als gevolg van het diafragma wordt diffractie genoemd.
3 Correctie van lensafwijking door optische eigenschappenN [Inschakelen]. 3 Selecteer Controleer of [Correctiegegevens beschikbaar] wordt weergegeven voor de gebruikte lens. Selecteer [Inschakelen] en druk vervolgens op <0>. de opname. 4 Maak De opname wordt vastgelegd met de gecorrigeerde helderheid van de randen. Afhankelijk van de opname-omstandigheden kan er mogelijk ruis aan de randen van een opname ontstaan. Hoe hoger de ISO-snelheid, hoe lager de mate van correctie.
3 Correctie van lensafwijking door optische eigenschappenN Correctie chromatische aberratie 1 Selecteer [Corr. chromat. afw.]. [Inschakelen]. 2 Selecteer Controleer of [Correctiegegevens beschikbaar] wordt weergegeven voor de gebruikte lens. Selecteer [Inschakelen] en druk vervolgens op <0>. de opname. 3 Maak De opname wordt vastgelegd met de gecorrigeerde chromatische afwijking. Vervormingscorrectie 1 Selecteer [Vervormingscorrectie]. [Inschakelen].
3 Correctie van lensafwijking door optische eigenschappenN Omdat vervormingscorrectie wordt toegepast, gebruikt de camera een kleiner beeldbereik dan door de zoeker te zien is. (De randen van de opname zijn iets bijgesneden en het lijkt of de resolutie iets lager is.) De vervormingscorrectie is wel zichtbaar in de vastgelegde opname, maar niet in de zoeker tijdens de opnamen.
3 Correctie van lensafwijking door optische eigenschappenN Correctiegegevens voor de lens De correctiegegevens voor het objectief worden geregistreerd (opgeslagen) in de camera. Als de instelling [Inschakelen] is geselecteerd, worden correctie helderheid randen, correctie chromatische aberratie, diffractiecorrectie automatisch toegepast. U kunt met EOS Utility (EOS-software, pag. 488) controleren voor welke lenzen de camera correctiegegevens bevat.
3 Correctie van lensafwijking door optische eigenschappenN Aandachtspunten voor lenscorrectie Correctie van helderheid van randen, correctie van chromatische aberratie, vervormingscorrectie en diffractiecorrectie kunnen niet worden toegepast op JPEG-opnamen die al zijn gemaakt. Wanneer u een lens van een ander merk dan Canon gebruikt, wordt het aanbevolen om de correcties in te stellen op [Uitschakelen], zelfs als [Correctiegegevens beschikbaar] wordt weergegeven.
3 Flikkeringen reducerenN Als u bij fel licht zoals TL-licht een opname maakt met hogere sluitertijd, veroorzaakt het flikkeren van de lichtbron flikkeringen in de opname en kan deze verticaal ongelijk belicht zijn. Als onder deze omstandigheden continue opname wordt gebruikt, kan dit resulteren in ongelijke belichtingen of kleuren op de opnamen.
3 Flikkeringen reducerenN Als u onder [54: Persoonlijke voorkeuze(C.Fn)] de optie [10: Spiegel opklappen] instelt op [1:Activeren], verandert de instelling [Antiknipperopname] automatisch in [Uitschakelen]. Als het onderwerp zich tegen een donkere achtergrond bevindt of als er fel licht in de opname is, worden flikkeringen mogen niet correct gedetecteerd.
3 Het bereik van reproduceerbare kleuren instellenN Het bereik van reproduceerbare kleuren wordt ‘kleurruimte’ genoemd. Met deze camera kunt u de kleurruimte voor vastgelegde beelden instellen op sRGB of Adobe RGB. Voor normale opnamen wordt sRGB aanbevolen. Bij de basismodi wordt [sRGB] automatisch ingesteld. 1 Selecteer [Kleurruimte]. Selecteer op het tabblad [z3] de optie [Kleurruimte] en druk vervolgens op <0>. de gewenste kleurruimte in.
5 Geavanceerde functies voor fotografische effecten Cre ati e ve mo di In creatieve modi kunt u diverse instellingen van de camera wijzigen voor een grote verscheidenheid aan opnameresultaten, door de sluitertijd en/of het diafragma te selecteren, de belichting aan te passen, enzovoort. Het pictogram O rechts boven de paginatitel geeft aan dat de functie alleen in de creatieve modi beschikbaar is.
d: AE-programma De camera stelt automatisch de sluitertijd en het diafragma in die het beste bij de helderheid van het onderwerp passen. Dit heet AE-programma. * staat voor programma. * AE staat voor automatische belichting (Auto Exposure). 1 Stel het programmakeuzewiel in op . scherp op het onderwerp. 2 Stel Kijk door de zoeker en richt het AFpunt op het onderwerp. Druk de ontspanknop vervolgens half in.
d: AE-programma Opnametips Wijzig de ISO-snelheid. Gebruik de interne flitser. Als u de belichting op het omgevingslicht en het onderwerp wilt afstemmen, kunt u de ISO-snelheid wijzigen (pag. 158) of de interne flitser gebruiken (pag. 216). In de modus gaat de interne flitser niet automatisch af. Druk op de (flits) knop om de interne flitser omhoog te klappen wanneer u binnenshuis of bij weinig licht opnamen maakt. Wijzig het programma met Programmakeuze.
s: De beweging van het onderwerp vastleggen Met de modus (AE met sluitertijdvoorkeuze) op het programmakeuzewiel kunt u de actie bevriezen of onscherp maken. * staat voor tijdwaarde. Onscherp gemaakte beweging (trage sluitertijd: 1/30 sec.) 1 Bevroren beweging (snelle sluitertijd: 1/2000 sec.) Stel het programmakeuzewiel in op . de gewenste sluitertijd in. 2 Stel Terwijl u op het LCD-paneel aan de bovenzijde of door de zoeker kijkt, draait u het instelwiel <6>.
s: De beweging van het onderwerp vastleggen Opnametips Een snel bewegend onderwerp bevriezen Gebruik een korte sluitertijd, bijvoorbeeld tussen 1/4000 en 1/500 seconde, overeenkomstig de snelheid van het bewegende onderwerp. Een rennend kind of dier onscherp maken om de indruk van beweging te wekken Gebruik een gemiddelde sluitertijd, bijvoorbeeld tussen 1/250 en 1/30 seconde. Volg het bewegende onderwerp met de zoeker en druk de ontspanknop in om de opname te maken.
f: De scherptediepte wijzigen Om de achtergrond onscherp te maken of om onderwerpen die dichtbij of ver weg zijn scherp te krijgen, stelt u het programmakeuzewiel in op (AE met diafragmavoorkeuze). Zo kunt u de scherptediepte (het bereik van een acceptabele scherpstelling) aanpassen. * standen voor diafragmawaarde (de grootte van de opening van het lensdiafragma). Onscherpe achtergrond (met een laag f-getal van het diafragma: f/5.
f: De scherptediepte wijzigen Opnametips Wanneer u een diafragma met een hoog f-getal gebruikt of opnamen maakt bij weinig licht, kan er cameratrilling optreden. Bij een hoger f-getal van het diafragma is de sluitertijd langer. In omstandigheden met weinig licht kan de sluitertijd maar liefst 30 seconden bedragen. Verhoog in zo’n geval de ISO-snelheid en houd de camera stil of gebruik een statief.
f: De scherptediepte wijzigen D De ingebouwde flitser gebruiken Om de juiste flitsbelichting te verkrijgen, wordt het flitsvermogen automatisch (automatische flitsbelichting) op het handmatig ingestelde diafragma afgestemd. De sluitertijd wordt automatisch ingesteld tussen 1/200 seconde en 30 seconden, afhankelijk van de helderheid. Bij weinig licht wordt het hoofdonderwerp belicht met de automatische flitser. De achtergrond wordt belicht met de automatisch ingestelde langere sluitertijd.
a: Handmatige belichting U kunt zowel de sluitertijd als het diafragma handmatig naar wens instellen. Terwijl u naar de indicator voor het belichtingsniveau in de zoeker kijkt, kunt u de belichting naar wens instellen. Deze methode heet handmatige belichting. * staat voor handmatig (handmatig). het programmakeuzewiel 1 Stel in op . 2 Stel de ISO-snelheid in (pag. 158). de sluitertijd en het diafragma in.
a: Handmatige belichting Belichtingscorrectie met ISO auto Als de ISO-snelheid is ingesteld op A (AUTO) voor opnamen met handmatige belichting, kunt u belichtingscorrectie (pag. 205) als volgt instellen. [z2: Bel.comp./AEB] [s: Bel.comp. (vasth., S dr.)] met [14: Aangepaste bediening] onder [54: Persoonlijke voorkeuze(C.Fn)] (pag. 409) Quick Control (pag.
BULB: Lange belichtingstijden (bulb) In deze modus blijft de sluiter open zolang u de ontspanknop volledig ingedrukt houdt. Zodra u de ontspanknop loslaat, gaat de sluiter dicht. Dit heet bulbbelichting. Gebruik de instelling voor bulbbelichting voor nachtopnamen, opnamen van vuurwerk, de sterrenhemel en andere opnamen waarvoor een lange belichting is vereist. 1 Stel het programmakeuzewiel in op . in op (buLb). 2 Stel Draai het hoofdinstelwiel <6> naar links om dit in te stellen.
BULB: Lange belichtingstijden (bulb) Richt de camera niet op een intense lichtbron, zoals de zon of een intense kunstmatige lichtbron. Hierdoor kan schade ontstaan aan de beeldsensor of de interne onderdelen van de camera. Aangezien bulb-belichting meer ruis produceert dan normaal, kan de opname er een beetje korrelig uitzien. Als ISO auto is ingesteld, wordt de ISO-snelheid ingesteld op ISO 400.
BULB: Lange belichtingstijden (bulb) p BulbtimerN U kunt de bulbbelichtingstijd vooraf instellen. Met de bulbtimer hoeft u de ontspanknop niet ingedrukt te houden bij het maken van opnamen met bulbbelichting. Dit voorkomt cameratrilling. De Bulbtimer kan alleen worden ingesteld op (Bulbbelichting). In elke andere modus kan de bulbtimer niet worden ingesteld (of werkt deze niet). 1 Selecteer [Bulbtimer]. Selecteer op het tabblad [z5] de optie [Bulbtimer] en druk vervolgens op <0>. [Inschak].
BULB: Lange belichtingstijden (bulb) [OK]. 4 Selecteer De ingestelde tijd wordt weergegeven op het menuscherm. Wanneer u het menu afsluit, wordt
weergegeven op het LCD-paneel. Bulbtimer Verstreken belichtingstijd de opname. 5 Maak Druk de ontspanknop helemaal in, waarna de bulbbelichting wordt gestart en aanhoudt tot de ingestelde tijd is verstreken. Tijdens de bulbtimeropnamen knippert
. Als u de timerinstelling wilt annuleren, stelt u bij stap 2 [Uitschakelen] in.
q De meetmethode wijzigenN Er zijn vier meetmethoden beschikbaar om de helderheid van het onderwerp te meten. Meestal wordt meervlaksmeting aanbevolen. In de basismodi wordt meervlaksmeting automatisch ingesteld. (In de modi <8: x> en wordt centrum gewicht gemiddeld ingesteld.) 1 Selecteer [Meetmethode]. Selecteer op het tabblad [z3] de optie [Meetmethode] en druk vervolgens op <0>. de meetmethode in. 2 Stel Selecteer de gewenste meetmethode en druk op <0>.
q De meetmethode wijzigenN e Centrum gewicht gemiddeld Het gemiddelde van het gehele meetgebied wordt genomen en het midden van het scherm heeft een grotere invloed op de meting. Deze meetmethode is voor gevorderde gebruikers. Bij q (Meervlaksmeting) wordt de belichtingsinstelling vergrendeld wanneer u de ontspanknop half indrukt en op het onderwerp hebt scherpgesteld.
De gewenste belichtingscorrectie instellenN Stel de belichtingscorrectie in wanneer de belichting (zonder flitser) anders uitvalt dan gewenst. Deze functie kan worden gebruikt in de creatieve modi (met uitzondering van ). U kunt de belichtingscorrectie instellen op maximaal ±5 stops met tussenstappen van 1/3 stop. Als de modus en ISO auto beide zijn ingesteld, raadpleegt u pagina 198 voor het instellen van de belichtingscorrectie.
3 Bracketing met automatische belichtingN Met deze functie gaat belichtingscorrectie een stap verder, doordat de belichting over drie opnamen automatisch wordt gevarieerd (maximaal ±2 stops met tussenstappen van 1/3 stop), zoals hieronder is weergegeven. Vervolgens kunt u de beste belichting kiezen. Dit heet AEB (Auto Exposure Bracketing, Bracketing met automatische belichting). Standaardbelichting Donkerdere belichting (Kortere belichting) 1 Helderdere belichting (Langere belichting) Selecteer [Bel.
3 Bracketing met automatische belichtingN AEB annuleren Volg stap 1 en 2 als u het AEB-bereik (instellen op 0) niet wilt weergeven. De AEB-instelling wordt ook automatisch geannuleerd als de aan/ uit-schakelaar op <2> wordt gezet, als de flitser weer is opgeladen, enzovoort. Opnametips Gebruik van AEB bij het maken van continue opnamen Als u de transportmodus instelt op of (pag.
A De belichting vergrendelenN U kunt de belichting vergrendelen als u de opname afzonderlijk wilt scherpstellen en meten of een aantal opnamen wilt maken met dezelfde belichtingsinstelling. Druk op de knop om de belichting te vergrendelen, maak een nieuwe compositie en maak de opname. Dit heet AE-vergrendeling. AE-vergrendeling is geschikt voor het opnemen van bijvoorbeeld onderwerpen met tegenlicht. 1 2 Stel scherp op het onderwerp. Druk de ontspanknop half in.
Spiegel opklappen om bewegingsonscherpte te verminderenN U kunt de functie spiegel opklappen gebruiken om onscherpte te voorkomen als gevolg van mechanische trillingen (spiegelschok) in de camera tijdens opnemen met supertelefotolenzen of bij het nemen van close-ups (macrofotografie). U kunt het opklappen van de spiegel inschakelen door de optie [10: Spiegel opklappen] in te stellen op [1:Activeren] in [54: Persoonlijke voorkeuze(C.Fn)] (pag. 406).
Spiegel opklappen om bewegingsonscherpte te verminderenN Richt de camera niet op een intense lichtbron, zoals de zon of een intense kunstmatige lichtbron. Hierdoor kan schade ontstaan aan de beeldsensor of de interne onderdelen van de camera. Bij zeer fel licht, bijvoorbeeld op het strand of tijdens het skiën op een zonnige dag, kunt u de opname het beste meteen na het opklappen van de spiegel maken.
p Intervaltimeropname Met de intervaltimer kunt u het opname-interval en het aantal opnamen instellen. De camera blijft een opname maken met het ingestelde interval totdat het ingestelde aantal opnamen is gemaakt. 1 Selecteer [Intervaltimer]. Selecteer op het tabblad [z5] (het tabblad [z1] in basismodi) [Intervaltimer] en druk op <0>. [Inschak.]. 2 Selecteer Selecteer [Inschak.] en druk vervolgens op de knop . het opname-interval en het 3 Stel aantal opnamen in.
p Intervaltimeropname Aantal opnamen Opname-interval [OK]. 4 Selecteer De intervaltimerinstellingen worden weergegeven op het menuscherm. Wanneer u het menu afsluit, wordt
weergegeven op het LCD-paneel. Intervaltimer de opname. 5 Maak De eerste opname wordt gemaakt en het maken van opnamen gaat door volgens de instellingen voor de intervaltimer. Tijdens de intervaltimeropnamen knippert
.
p Intervaltimeropname Richt de camera niet op een intense lichtbron, zoals de zon of een intense kunstmatige lichtbron. Hierdoor kan schade ontstaan aan de beeldsensor of de interne onderdelen van de camera. Als de scherpstelmodusknop van de lens is ingesteld op , maakt de camera geen opnamen wanneer de scherpstelling niet wordt bereikt. Instellen op en handmatig scherpstellen voor opnemen wordt aanbevolen.
6 Opnamen maken met de flitser In dit hoofdstuk wordt beschreven hoe u opnamen maakt met de ingebouwde flitser en externe Speedlites (EX-serie, afzonderlijk verkrijgbaar), hoe u de flitserinstellingen in het menuscherm van de camera opgeeft en hoe u de ingebouwde flitser kunt gebruiken voor fotograferen met draadloos flitsen. De flitser kan niet worden gebruikt in combinatie met movieopnamen. (Deze werkt dan niet.
D De ingebouwde flitser gebruiken Als u binnenshuis bent of te maken hebt met weinig licht of tegenlicht, kunt u de interne flitser eenvoudig omhoog klappen en simpelweg op de ontspanknop drukken om prachtige opnamen te maken. In de modus wordt de sluitertijd automatisch ingesteld op een waarde tussen 1/60 seconde en 1/200 seconde om cameratrilling te voorkomen. 1 Druk op de knop . In de creatieve modi kunt u altijd op de knop drukken om opnamen met de flitser te maken.
D De ingebouwde flitser gebruiken Opnametips Verlaag de ISO-snelheid bij fel licht. Verlaag de ISO-snelheid als de belichtingsinstelling in de zoeker knippert. Verwijder de zonnekap. Let erop dat u zich niet te dicht bij het onderwerp bevindt. Als er een zonnekap op de lens is bevestigd of als u te dicht bij het onderwerp staat, kan de onderzijde van de opname er donker uitzien doordat de flitser wordt belemmerd.
D De ingebouwde flitser gebruiken y FlitsbelichtingscorrectieN Stel de Flitsbelichtingscorrectie in als de helderheid van het onderwerp niet naar wens is (zodat u de afgifte van de flitser wilt aanpassen) bij flitsfotografie. U kunt de flitsbelichtingscorrectie instellen op maximaal ±2 stops met tussenstappen van 1/3 stop. 1 Druk op de knop (7). Het scherm Snel instellen wordt weergegeven (pag. 65). [y]. 2 Selecteer Druk op de toetsen of om [y*] te selecteren.
D De ingebouwde flitser gebruiken De correctiewaarde blijft behouden, zelfs nadat u de aan/uit-schakelaar op <2> hebt gezet. U kunt de flitsbelichtingscorrectie ook instellen met de optie [Func.inst. int. flitser] onder [z2: Flitsbesturing] (pag. 226). A De flitsbelichting vergrendelen (FE-vergrendeling)N Als het onderwerp zich aan de rand van het beeld bevindt en u de flitser gebruikt, kan het onderwerp te licht of te donker worden. Dit is onder meer afhankelijk van de achtergrond.
D De ingebouwde flitser gebruiken de opname. 4 Maak Bepaal de compositie en druk de ontspanknop helemaal in. De flitser gaat af en de foto wordt gemaakt. Als het onderwerp zich te ver weg bevindt en het vastgelegde beeld is te donker, gaat het pictogram knipperen. Ga dichter bij het onderwerp staan en herhaal de stappen 2 t/m 4. De FE-vergrendeling kan niet worden gebruikt bij Live View-opnamen.
D Een externe Speedlite gebruiken EOS-Speedlites uit de EX-serie Met een Speedlite uit de EX-serie (afzonderlijk verkrijgbaar) is flitsfotografie eenvoudig. Raadpleeg de instructiehandleiding van de Speedlite uit de EX-serie voor gedetailleerde instructies. Deze camera is een camera van het type A en daarom geschikt voor alle functies van Speedlites uit de EX-serie. Zie pagina 223-228 voor informatie over het instellen van de persoonlijke voorkeuzen voor de flitser via het menuscherm van de camera.
D Een externe Speedlite gebruiken Canon Speedlites die niet tot de EX-serie behoren Wanneer Speedlites uit de EZ-/E-/EG-/ML-/TL-serie worden ingesteld op de automatische A-TTL- of TTL-flitsmodus, werkt de flitser altijd op volledig vermogen. Stel de opnamemodus van de camera in op (handmatige belichting) of (AE met diafragmavoorkeuze) en pas de diafragma-instelling aan voordat u de opname maakt.
3 De flitsfunctie instellenN Bij gebruik van de ingebouwde flitser of een externe Speedlite uit de EX-serie die compatibel is met de flitsfunctie-instellingen, kunt u het menuscherm van de camera gebruiken om de functies en persoonlijke voorkeuzen van de Speedlite in te stellen. Als u een externe Speedlite gebruikt, bevestigt u deze op de camera en schakelt u de Speedlite in voordat u begint met deze instellingen.
3 De flitsfunctie instellenN Flitssynchronisatiesnelheid in AV-modus U kunt de flitssynchronisatiesnelheid voor flitsfotografie instellen in de modus AE met diafragmavoorkeuze . 4 : Automatisch De flitssynchronisatiesnelheid wordt automatisch ingesteld in een bereik van 1/200 tot 30 seconden, afhankelijk van de lichtomstandigheden. Ook snelle synchronisatie kan worden gebruikt. 6 : 1/200-1/60 sec. auto Voorkomt dat er een lange sluitertijd wordt ingesteld bij weinig licht.
3 De flitsfunctie instellenN Het scherm met de flitsfunctie-instellingen direct weergeven Als u gebruikmaakt van de ingebouwde flitser of een externe Speedlite uit de EXserie die compatibel is met de flitsfunctieinstellingen, kunt u op de knop drukken om direct naar het scherm [Func.inst. int. flitser] of [Func.inst. externe flitser] te gaan zonder eerst het menuscherm weer te geven. Met ingebouwde flitser Druk twee keer op de knop . Druk op de knop om de ingebouwde flitser omhoog te klappen.
3 De flitsfunctie instellenN [Func.inst. int. flitser] en [Func.inst. externe flitser] U kunt de functies in de onderstaande tabel instellen. De functies die bij [Func.inst. externe flitser] worden weergegeven, verschillen per Speedlite-model. Selecteer [Func.inst. int. flitser] of [Func.inst. externe flitser]. Het scherm met flitsfunctieinstellingen wordt weergegeven. Met [Func.inst. int. flitser] kunnen alleen de gemarkeerde functies worden geselecteerd en ingesteld.
3 De flitsfunctie instellenN Flitsmodus Met een externe Speedlite kunt u de flitsmodus selecteren die aansluit op de door u gewenste fotografische effecten. [E-TTL II] is de standaardmodus voor het maken van opnamen met de automatische flitser met Speedlites uit de EX-serie. [Manual flash] is voor geavanceerde gebruikers die de [Flits output] (1/1 tot 1/128) zelf willen kunnen instellen.
3 De flitsfunctie instellenN De persoonlijke voorkeuze voor de externe Speedlite instellen De persoonlijke voorkeuze-instellingen die bij [C.Fn-inst. externe flitser] worden weergegeven, verschillen per Speedlite-model. 1 Geef de persoonlijke voorkeuze weer. Wanneer de camera klaar is om opnamen met een externe Speedlite te maken, selecteert u [C.Fn-inst. externe flitser]. Druk vervolgens op <0>. de persoonlijke voorkeuze in.
Draadloze flitsfotografieN De ingebouwde flitser van de camera kan functioneren als een master voor externe Speedlites uit de EX-serie van Canon die een draadloze slavefunctie hebben. De Speedlite(s) kunnen draadloos geactiveerd worden via optische transmissie. Lees de instructies en aandachtspunten voor draadloze flitsfotografie (optische transmissie) in de instructiehandleiding van de Speedlite.
Draadloze flitsfotografieN *1: Als de slave-Speedlite niet over een instelfunctie voor het transmissiekanaal beschikt, kan de flitser functioneren ongeacht de kanaalinstelling van de camera. *2: In kleine ruimten werkt de slave mogelijk zelfs als de draadloze sensor niet op de camera is gericht. De draadloze signalen van de camera kunnen tegen de muren weerkaatsen en draadloze fotografie mogelijk maken.
Draadloze flitsfotografieN Configuraties voor draadloze flitsfotografie In de onderstaande tabellen ziet u de mogelijke configuraties voor draadloze flitsfotografie. Selecteer de configuratie die geschikt is voor het onderwerp, de opnameomstandigheden en het aantal externe Speedlites dat u gebruikt, enzovoort. Externe Speedlite Aantal Volautomatisch (automatisch E-TTL IIflitsen) A:Bflitsratio Eén - Eén - Meerdere - Meerdere Ingesteld Meerdere - Pagina - pag. 232 Gebruikt pag. 235 - pag.
Gemakkelijk draadloze flitsfotografieN De basisprincipes van het volautomatisch fotograferen met een draadloze flitser worden hieronder uitgelegd. Volautomatisch opnamen maken met één externe Speedlite Stap 1 t/m 4 en stap 6 zijn van toepassing op alle opnamen met draadloze flitser. Deze stappen worden daarom overgeslagen in de overige draadloze-flitserinstellingen die op de pagina’s hierna worden beschreven. 1 Druk op de knop om de ingebouwde flitser omhoog te klappen.
Gemakkelijk draadloze flitsfotografieN [Func.inst. int. flitser]. 4 Selecteer Selecteer [Func.inst. int. flitser] en druk vervolgens op <0>. [EasyWireless]. 5 Selecteer Selecteer bij [Interne flitser] de optie [EasyWireless] en druk vervolgens op <0>. het [Kanaal] in. 6 Stel Stel het transmissiekanaal (1-4) in op hetzelfde als dat van de slave. de opname. 7 Maak Stel de camera in en maak de opname zoals u zou doen bij normale flitsopnamen. draadloos flitsen.
Gemakkelijk draadloze flitsfotografieN Volautomatisch opnamen maken met meerdere externe Speedlites U kunt meerdere slaves laten flitsen alsof het een enkele Speedlite is. Dit is handig wanneer u een grote flitsoutput nodig hebt. Basisinstellingen: Flitsmodus : E-TTL II E-TTL II meting : Meervlaks Ingebouwde flitser : EasyWireless Kanaal : (hetzelfde als slaves) Alle slaves worden bediend om met dezelfde output af te gaan en een standaard belichting te geven.
Aangepaste draadloze flitsfotografieN Volautomatisch opnamen maken met één externe Speedlite en ingebouwde flitser Dit is een beschrijving van volautomatisch draadloos fotograferen met één externe Speedlite en de ingebouwde flitser. U kunt de flitsratio tussen de externe Speedlite en de ingebouwde flitser wijzigen om de manier waarop schaduwen op het onderwerp vallen aan te passen.
Aangepaste draadloze flitsfotografieN Volautomatisch opnamen maken met meerdere externe Speedlites Het is mogelijk om meerdere Speedlite-slaves als één flitseenheid af te laten gaan of te verdelen over slavegroepen voor opnamen met flitsratiobesturing. De basisinstellingen worden hieronder weergegeven. Door de instelling voor [Flitsgroep] te veranderen, kunt u opnamen maken met verschillende draadloze-flitsinstellingen en meerdere Speedlites.
Aangepaste draadloze flitsfotografieN [1(A:B)] Meerdere slaves in meerdere groepen laten afgaan A U kunt de slaves over groep A en groep B verdelen en de flitsratio aanpassen om het gewenste verlichtingseffect te verkrijgen. Raadpleeg de instructiehandleiding van de Speedlite en wijs één slave toe aan flitsgroep A en de andere aan flitsgroep B. Plaats de Speedlites zoals in de afbeelding wordt weergegeven. B 1 Selecteer [Draadloze func.].
Aangepaste draadloze flitsfotografieN Volautomatisch fotograferen met de ingebouwde flitser en meerdere externe Speedlites De ingebouwde flitser kan ook worden toegevoegd aan het draadloze flitssysteem zoals beschreven op pagina 236-237. De basisinstellingen worden hieronder weergegeven. Door de instelling voor [Flitsgroep] te veranderen, kunt u fotograferen met verschillende draadloze-flitsinstellingen van meerdere Speedlites, aangevuld door de ingebouwde flitser.
Aangepaste draadloze flitsfotografieN Flitsbelichtingscorrectie Als [Flitsmodus] is ingesteld op [E-TTL II], kan de flitsbelichtingscorrectie worden ingesteld. Welke instellingen voor de flitsbelichtingscorrectie (zie hieronder) kunnen worden ingesteld, is afhankelijk van de instellingen voor [Draadloze func.] en [Flitsgroep]. [Flitsbelichtingscomp.] De ingestelde flitsbelichtingscorrectie wordt toegepast op de ingebouwde flitser en alle externe Speedlites. [2bel.comp.
Aangepaste draadloze flitsfotografieN De flitssterkte handmatig instellen voor draadloos flitsen Als [Flitsmodus] is ingesteld op [Manual flash], kan de flitssterkte handmatig worden ingesteld. Welke flitsoutputinstellingen kunnen worden ingesteld ([1 Flits output], [Fl.verm. gr. A] enz.), is afhankelijk van de instelling voor [Draadloze func.] (zie hieronder). [Draadloze func.: 0] [Flitsgroep: 1Alle] De flitsoutput van de handmatige flits wordt op alle externe Speedlites toegepast.
7 Opnamen maken met het LCD-scherm (Live View-opnamen) U kunt opnamen maken terwijl het beeld op het LCDscherm van de camera wordt weergegeven. Dit heet ‘Live View-opnamen’. Wanneer u de camera in de hand houdt en opnamen maakt terwijl u op het LCD-scherm kijkt, kan cameratrilling onscherpe opnamen tot gevolg hebben. In dergelijke gevallen wordt het aanbevolen een statief te gebruiken. Op afstand Live View-opnamen maken Als u EOS Utility (EOS-software, pag.
A Opnamen maken met het LCD-scherm 1 Geef het Live View-beeld weer. Druk op de knop . Het Live View-beeld wordt op het LCDscherm weergegeven. In de modus wordt het scènepictogram voor de scène die door de camera wordt gedetecteerd, linksboven in het scherm weergegeven (pag. 247). Het Live View-beeld wordt weergegeven in het helderheidsniveau dat dicht bij het helderheidsniveau van de daadwerkelijke opname ligt. scherp op het onderwerp.
A Opnamen maken met het LCD-scherm 3 Live View-opname inschakelen Stel [z5: Live view-opname.] (het tabblad [z1] in basismodi) in op [Inschakelen]. Maximum aantal Live View-opnamen Temperatuur Kamertemperatuur (23° C) Lage temperaturen (0 °C) Geen flits circa 310 opnamen circa 270 opnamen 50% flits circa 270 opnamen circa 230 opnamen De bovenstaande cijfers zijn gebaseerd op een volledig opgeladen LP-E17accu en de testcriteria van de CIPA (Camera & Imaging Products Association).
A Opnamen maken met het LCD-scherm In de modi <8: x> is het maken van Live View-opnamen niet mogelijk. In de modi <8: q> verandert de beeldhoek iets in Live Viewopnamen omdat de vervormingscorrectie wordt toegepast. In de modi <8: FG> en is het beeldgebied kleiner. Voor flitsfotografie worden de continue opnamen minder snel na elkaar gemaakt (ong. 2,0 foto’s/sec.). Richt de camera niet op een intense lichtbron, zoals de zon of een intense kunstmatige lichtbron.
A Opnamen maken met het LCD-scherm Informatiedisplay Telkens als u op de knop drukt, wordt het informatiedisplay vernieuwd.
A Opnamen maken met het LCD-scherm U kunt de digitale waterpas weergeven door op de knop te drukken (pag. 78). Als de AF-methode is ingesteld op [u+volgen] of als de camera via een HDMI-kabel op een tv is aangesloten, kan de digitale waterpas niet worden weergegeven. U kunt het histogram weergeven door op de knop te drukken. Het histogram wordt echter niet weergegeven wanneer u de ontspanknop helemaal indrukt.
A Opnamen maken met het LCD-scherm Scènepictogrammen In de opnamemodus detecteert de camera het scènetype en wordt alles automatisch ingesteld. Het gedetecteerde scènetype wordt linksboven op het scherm weergegeven.
A Opnamen maken met het LCD-scherm *4: Wordt weergegeven wanneer alle volgende omstandigheden van toepassing zijn: De opnamescène is donker, het is een nachtopname en de camera staat op een statief. *5: Wordt weergegeven met een van de onderstaande lenzen: • EF-S18-55mm f/3.5-5.6 IS II • EF-S55-250mm f/4-5.6 IS II • EF300mm f/2.8L IS II USM • EF400mm f/2.
Instellingen voor de opnamefunctie In dit gedeelte worden de functie-instellingen beschreven die specifiek zijn voor Live View-opnamen. Q Quick Control Wanneer u in de Creatieve modus op de knop drukt terwijl het beeld op het LCD-scherm wordt weergegeven, kunt u AF-methode, AF-bediening, Transportmodus, Meetmethode, Beeldkwaliteit, Witbalans, Beeldstijl, Auto Lighting Optimizer (Auto optimalisatie helderheid) en Creatieve filters instellen.
Instellingen voor de opnamefunctie de instelling. 3 Verlaat Druk op <0> of op de knop om de instelling te voltooien en ga terug naar de Life View-opnamen. U kunt ook [2] selecteren om terug te keren naar Live View-opnamen. In creatieve modi kunt u de ISO-snelheid instellen met de knop . Wanneer u w (Deelmeting) of r (Spotmeting) instelt, wordt er een meetcirkel weergegeven in het midden van het scherm.
U Opnamen maken met Creatieve filtereffectenN Tijdens de weergave van het Live View-beeld kunt u, voor het maken van opnamen, een van zeven filtereffecten toepassen (Korrelig Z/W, Soft focus, Fisheye-effect, Effect kunst opvallend, Aquareleffect, Speelgoedcamera-effect en Miniatuureffect) en het effect ervan bekijken. De camera slaat alleen het beeld met het toegepaste creatieve filter op.
U Opnamen maken met Creatieve filtereffecten N het filtereffect aan. 5 Pas Druk op de knop (behalve voor c). Druk op de pijltjestoetsen en om het filtereffect aan te passen en druk vervolgens op <0>. de opname. 6 Maak De opname wordt gemaakt met het desbetreffende filtereffect toegepast. Als u een creatief filter instelt, wordt de enkelbeeldmodus geactiveerd, zelfs als de transportmodus is ingesteld op of .
U Opnamen maken met Creatieve filtereffecten N Kenmerken van creatieve filters G Korrelig Z/W Hiermee ontstaat een korrelige zwart-witfoto. U kunt het zwartwiteffect wijzigen door het contrast aan te passen. W Softfocus Geeft het beeld een zachte uitstraling. U kunt de zachtheid van het beeld wijzigen door de scherpte aan te passen. X Fisheye-effect Geeft het effect van een fisheye-lens. De opname krijgt een tonvormige vervorming.
U Opnamen maken met Creatieve filtereffecten N H Speelgoedcamera-effect Hiermee worden de hoeken van de foto donkerder en wordt een unieke kleurtoon toegepast, waardoor het lijkt alsof de foto met een speelgoedcamera is gemaakt. U kunt de kleurzweem wijzigen door de kleurtoon aan te passen. c Miniatuureffect Creëert een kijkdooseffect. Als u wilt dat het beeldcentrum scherp is, neemt u de foto zonder instellingen te wijzigen. Raadpleeg “Miniatuureffect aanpassen” (pag.
3 Menufunctie-instellingen Als de camera is ingesteld voor Live View-opnamen, verschijnen menuopties specifiek voor Live View-opnamen onder tab [z6] (tabblad [z2] in de Basismodus). AF-methode U kunt [u+ volgen], [Soepel zone] of [Live één punt AF] selecteren. Zie de pagina’s 259-268 voor meer informatie over de AF-methode. Touch Shutter Door eenvoudigweg op het LCD-scherm te tikken, kunt u scherpstellen en automatisch een opname maken. Zie pagina 269 voor meer informatie.
De AF-bediening wijzigenN U kunt de AF-bediening (automatische scherpstelling) selecteren die bij de opnameomstandigheden en het onderwerp past. In de basismodi wordt de optimale AF-bediening automatisch ingesteld voor de respectieve opnamemodus. 1 Druk op de knop . Het scherm Snel instellen wordt weergegeven. [X]. 2 Selecteer Druk op de pijltjestoetsen om links op het scherm [X] (AF-bediening) te selecteren. de AF-bediening.
De AF-bediening wijzigenN 1-beeld AF voor niet-bewegende onderwerpen Geschikt voor niet-bewegende onderwerpen. Wanneer u de ontspanknop half indrukt, stelt de camera slechts één keer scherp. Als de scherpstelling is bereikt, wordt het AF-punt groen en klinkt er een pieptoon. De scherpstelling blijft behouden terwijl u de ontspanknop half ingedrukt houdt zodat u een nieuwe beeldcompositie kunt maken voordat u de opname maakt.
De AF-bediening wijzigenN Servo AF voor bewegende onderwerpen Deze AF-bediening is geschikt voor bewegende onderwerpen. Terwijl u de ontspanknop half ingedrukt houdt, blijft de camera voortdurend scherpstellen op het onderwerp. Als de transportmodus is ingesteld op voor continue opname met hoge snelheid, is de maximale snelheid bij continue opname circa 4,5 opnamen/sec. Bij het maken van de opnamen wordt voorrang gegeven aan de snelheid voor continue opnamen.
3 Scherpstellen met AF De AF-methode selecteren U kunt een AF-methode selecteren die bij de opnamesituatie en bij uw onderwerp past. De volgende AF-methoden zijn beschikbaar: [u(Gez.)+volgen] (pag. 260), [Soepel zone] (pag. 262), [Live één punt AF] (pag. 264). Wanneer u nauwkeurig wilt scherpstellen, stelt u de scherpstelmodusknop op de lens in op , vergroot u het beeld en stelt u handmatig scherp (pag. 271). Selecteer de AF-methode.
3 Scherpstellen met AF u(Gezicht)+volgen: c De camera detecteert en stelt scherp op gezichten van mensen. Indien een gezicht beweegt, beweegt het AF-punt
mee om het gezicht te volgen. 1 Gebied AF-kader Geef het Live View-beeld weer. Druk op de knop . Het Live View-beeld wordt op het LCD-scherm weergegeven. Het gebied AF-kader wordt weergegeven. het AF-punt.
3 Scherpstellen met AF de opname. 4 Maak Controleer de scherpstelling en belichting en druk de ontspanknop helemaal in om de opname te maken (pag. 242). Scherpstellen op andere onderwerpen dan gezichten van mensen Als u op <0> of de knop drukt, wordt het AF-punt in het midden weergegeven en kunt u de toetsen of gebruiken om het AF-punt te verplaatsen.
3 Scherpstellen met AF Soepel zone: o Het geselecteerde zone-AF-kader wordt voor scherpstellen gebruikt. Het AF-gebied is groter dan met [Live één punt AF]. 1 Geef het Live View-beeld weer. Druk op de knop . Het Live View-beeld wordt op het LCD-scherm weergegeven. Het zone-AF-kader wordt weergegeven. Zone-AF-kader het AF-punt. 2 Selecteer Druk op de pijltjestoetsen en of en om een zone te selecteren. Druk op <0> of de knop om terug te keren naar de middelste zone.
3 Scherpstellen met AF de opname. 4 Maak Controleer de scherpstelling en belichting en druk de ontspanknop helemaal in om de opname te maken (pag. 242).
3 Scherpstellen met AF Live één punt AF: d De camera stelt met één AF-punt scherp. Dit is nuttig als u op een specifiek onderwerp wilt scherpstellen. het Live View-beeld weer. 1 Geef Druk op de knop . AF-punt Het Live View-beeld wordt op het LCD-scherm weergegeven. Het AF-punt < > wordt weergegeven. Bij movie-opnamen wordt het AF-punt groter weergegeven als [Servo AF voor movies] is ingesteld op [Inschakelen]. het AF-punt.
3 Scherpstellen met AF Opmerkingen bij AF AF-bediening Zelfs als er al is scherpgesteld, wordt er nogmaals scherpgesteld wanneer u de ontspanknop half indrukt. Tijdens en na de AF-bediening kan de helderheid van de opname veranderen. Afhankelijk van het onderwerp en de opnameomstandigheden kan het langer duren voordat de camera scherpstelt of kan de snelheid bij continue opnamen lager liggen.
3 Scherpstellen met AF Opnameomstandigheden waarin moeilijk kan worden scherpgesteld Onderwerpen met weinig contrast, zoals een blauwe lucht en effen, platte oppervlakken of wanneer hoge lichten of schaduwpartijen geen detail meer hebben. Onderwerpen bij weinig licht. Strepen en andere patronen met alleen een horizontaal contrast. Onderwerpen met zich herhalende patronen (bijvoorbeeld: vensters in een wolkenkrabber, toetsenborden, enzovoort). Dunne lijnen en contouren van het onderwerp.
3 Scherpstellen met AF Vergrote weergave In de modi [Soepel zone] en [Live één punt AF] drukt u op de knop of tikt u op [Y] rechtsonder in het scherm. U kunt de opname vergroten met circa 5x of 10x en vervolgens de scherpstelling controleren. Vergrote weergave is niet mogelijk met [u+volgen]. Als u het AF-punt wilt verplaatsen, drukt u op de toetsen of of tikt u op het punt dat u wilt vergroten. Druk op de knop of tik op [Y] om het gebied van het vergrotingskader te vergroten.
3 Scherpstellen met AF Als het lastig is om in de vergrote weergave scherp te stellen, keert u terug naar de normale weergave en gebruikt u AF. Als u AF uitvoert in de normale weergave en de weergave vervolgens vergroot, wordt mogelijk geen nauwkeurige scherpstelling bereikt. De AF-snelheid is bij de normale weergave en de vergrote weergave verschillend. Servo AF voor movies (pag. 315) werkt niet in de vergrote weergave.
x Opnamen maken met de Touch Shutter Door eenvoudigweg op het LCD-scherm te tikken, kunt u scherpstellen en automatisch een opname maken. 1 Geef het Live View-beeld weer. Druk op de knop . Het Live View-beeld wordt op het LCD-scherm weergegeven. de Touch Shutter in. 2 Schakel Tik op [y] linksonder op het scherm. Elke keer dat u op het pictogram tikt, schakelt u tussen [y] en [x].
x Opnamen maken met de Touch Shutter Zelfs als u de transportmodus instelt op of , zal de camera nog steeds opnamen maken in de enkelbeeldmodus. Zelfs als [AF-werking] is ingesteld op [Servo AF], kunt u door op het scherm te tikken, scherpstellen op de opname met [1-beeld AF]. Als u op het scherm tikt in de vergrote weergave, wordt er niet scherpgesteld en wordt de opname niet gemaakt.
MF: Handmatige scherpstelling Met handmatige scherpstelling (MF) kunt u het beeld vergroten en nauwkeurig scherpstellen met Handmatige focus (MF). 1 Zet de scherpstelmodusknop op de lens op . Draai aan de scherpstelring op het objectief om ruw scherp te stellen. het vergrotingskader weer. 2 Geef Druk op de knop . Het vergrotingskader wordt weergegeven. U kunt ook op [1] tikken op het scherm om het beeld te vergroten. het vergrotingskader.
MF: Handmatige scherpstelling handmatig scherp. 5 Stel Draai terwijl u naar het vergrote beeld kijkt aan de scherpstelring op het objectief om scherp te stellen. Nadat u hebt scherpgesteld, drukt u op de knop om naar de normale weergave terug te keren. de opname. 6 Maak Controleer de scherpstelling en belichting en druk de ontspanknop in om de opname te maken (pag. 242). In de vergrote weergave is de belichting vergrendeld. (De sluitertijd en het diafragma worden rood weergegeven.
Algemene aandachtspunten bij het maken van Live Viewopnamen Beeldkwaliteit Wanneer u opnamen maakt bij hoge ISO-snelheden, kan er ruis (zoals lichte puntjes en strepen) op de opname zichtbaar zijn. Opnamen bij hoge temperaturen kunnen ruis en afwijkende kleuren in de opname tot gevolg hebben. Als u langere tijd achtereen met Live View-opnamen, kan de interne temperatuur van de camera oplopen, waardoor de beeldkwaliteit mogelijk afneemt.
Algemene aandachtspunten bij het maken van Live View-opnamen Live View-beeld Bij weinig of juist heel fel licht wordt in het Live View-beeld mogelijk niet de helderheid van de daadwerkelijke opname weergegeven. Ook wanneer er een lage ISO-snelheid is ingesteld, kan er ruis zichtbaar zijn op het weergegeven Live View-beeld bij weinig licht. Maar wanneer u de opname maakt, bevat de opgeslagen opname minimale ruis. (De beeldkwaliteit van het Live View-beeld is anders dan die van de opgeslagen opname.
8 Movie-opnamen U kunt movie-opnamen inschakelen door de aanuitschakelaar in te stellen op . Zie pagina 8 voor kaarten waarop movies kunnen worden opgeslagen. Wanneer u de camera in de hand houdt en films opneemt, kan het bewegen van de camera leiden tot onscherpe opnamen. In dergelijke gevallen wordt het aanbevolen een statief te gebruiken. Zie pagina 88 voor het maken van opnamen uit de hand.
k Movies opnemen U wordt aangeraden de camera op een televisie aan te sluiten als u opgenomen films wilt afspelen (pagina’s 369-371). Opnamen maken met automatische belichting Wanneer de opnamemodus niet is ingesteld op , schakelt de camera over naar automatische belichting die past bij de lichtomstandigheden van de situatie. 1 Zet de aan/uit-schakelaar op . De reflexspiegel maakt een geluid en de opname verschijnt op het LCD-scherm.
k Movies opnemen Algemene aandachtspunten bij het maken van movie-opnamen zijn te vinden op pagina 321-322. Lees indien nodig ook de algemene aandachtspunten bij het maken van Live View-opnamen op pagina 273-274. In de basismodi (behalve de modi <8> en ) zijn de opnameresultaten dezelfde als in . Het scènepictogram voor de scène die door de camera wordt gedetecteerd, wordt linksboven weergegeven (pag. 279).
k Movies opnemen ISO-snelheid in de basismodi De ISO-snelheid wordt automatisch ingesteld op een waarde tussen ISO 100 en ISO 12800. ISO-snelheid in de modi , en De ISO-snelheid wordt automatisch ingesteld op een waarde tussen ISO 100 en ISO 12800. De maximumgrens verschilt, afhankelijk van de instelling [kISO Auto] (pag. 320). Onder [54: Persoonlijke voorkeuze(C.Fn)] als [2: ISO vergroten] is ingesteld op [1:Aan], dan kan [Max.:H(25600)] ook worden geselecteerd voor [kISO Auto].
k Movies opnemen Scènepictogrammen Tijdens het maken van movie-opnamen in een basismodus (behalve de modi <8> en ) wordt een pictogram weergegeven voor de scène die door de camera is gedetecteerd en wordt het maken van de opnamen aangepast aan de omstandigheden. Bij bepaalde scènes of opnameomstandigheden komt het weergegeven pictogram mogelijk niet overeen met de daadwerkelijke scène.
k Movies opnemen Opnamen maken met handmatige belichting In de modus kunt u de sluitertijd, het diafragma en de ISOsnelheid voor movie-opnamen handmatig instellen. Het handmatig instellen van de belichting voor movie-opnamen is bedoeld voor geavanceerde gebruikers. 1 Zet de aan/uit-schakelaar op . De reflexspiegel maakt een geluid en de opname verschijnt op het LCDscherm. het programmakeuzewiel in 2 Stel op . in.
k Movies opnemen 5 Scherpstellen en filmen. De procedure is dezelfde als stap 3 en 4 voor ‘Opnamen maken met automatische belichting’ (pag. 276). ISO-snelheid tijdens opnamen met handmatige belichting Als u [AUTO] (A) selecteert, wordt de ISO-snelheid automatisch ingesteld op een waarde tussen ISO 100 en ISO 12800. De maximumgrens verschilt, afhankelijk van de instelling [kISO Auto] (pag. 320). U kunt de ISO-snelheid handmatig instellen tussen ISO 100 en ISO 12800 (in hele stops).
k Movies opnemen Informatiedisplay Telkens als u op de knop drukt, wordt het informatiedisplay vernieuwd.
k Movies opnemen U kunt de digitale waterpas weergeven door op de knop te drukken (pag. 78). Als de AF-methode is ingesteld op [u+volgen] of als de camera via een HDMI-kabel (pag. 369) op een tv is aangesloten, kan de digitale horizon niet worden weergegeven. De digitale waterpas, de rasterlijnen en het histogram kunnen tijdens movie-opnamen niet worden weergegeven. (De weergave verdwijnt wanneer u begint met de opname van een film.
k Movies opnemen Foto-opnamen Er kunnen geen foto’s worden gemaakt tijdens filmopname. Om foto’s te maken, stopt u de filmopname en maakt u opnamen via de zoeker of Live View-opnamen. Aandachtspunten bij het maken van filmopnamen Richt de camera niet op een intense lichtbron, zoals de zon of een intense kunstmatige lichtbron. Hierdoor kan schade ontstaan aan de beeldsensor of de interne onderdelen van de camera.
k Movies opnemen Opmerkingen over movie-opnamen Telkens wanneer u een movie opneemt, wordt een nieuw filmbestand gemaakt op de kaart. Het weergaveoppervlak van de movie-opname is circa 100% (waarbij het movie-opnameformaat is ingesteld op [1920x1080]). U kunt het beeld ook scherpstellen door op de knop
te drukken. Het stereogeluid wordt door de ingebouwde microfoons van de camera in mono opgenomen.
Instellingen voor de opnamefunctie In dit gedeelte worden de instellingen beschreven die specifiek zijn voor movie-opnamen. Q Quick Control Wanneer u op de knop drukt terwijl het beeld op het LCD-scherm wordt weergegeven, kunt u de volgende functies instellen: AFmethode, Movie-opn.formaat, Digitale zoom, Dl. beeldstand van movies, Videosnapshots, Witbalans, Beeldstijl, Auto Lighting Optimizer (Auto optimalisatie helderheid) en Creatieve filters.
3 Het movieopnameformaat instellen Met [z1: Movie-opn.formaat] kunt u het movieopnameformaat (beeldformaat, framerate en compressiemethode) en andere functies instellen. Movies worden opgenomen in de indeling MP4. Beeldformaat L 1920x1080 Full HD-opnamekwaliteit (Full High-Definition). De aspect ratio is 16:9. w 1280x720 HD-opnamekwaliteit (High-Definition). De aspect ratio is 16:9. x 640x480 SD-opnamekwaliteit (Standard Definition). De aspect ratio is 4:3.
3 Het movieopnameformaat instellen Compressiemethode X IPB (Standaard) Comprimeert meerdere frames tegelijkertijd voor opname. Xv IPB (Licht) Omdat de movie wordt opgenomen met een lage bitsnelheid voor het afspelen op verschillende apparaten, wordt het bestand kleiner dan met IPB (Standaard). Daarom kunt u langer opnamen maken dan met IPB (Standaard).
3 Het movieopnameformaat instellen Filmbestanden die groter zijn dan 4 GB Wanneer u een film opneemt die groter is dan 4 GB, kunt u zonder onderbreking blijven opnemen. SD/SDHC-kaarten gebruiken die zijn geformatteerd met de camera Als u de camera gebruikt om een SD/SDHC-kaart te formatteren, dan formatteert de camera deze als FAT32. Wanneer u een film maakt en de bestandsgrootte 4 GB overschrijdt, wordt bij een FAT32-geformatteerde kaart automatisch een nieuw filmbestand gemaakt.
3 Movie digital zoom gebruiken Als het opnameformaat L6/4 (NTSC) of L5 (PAL) is, kunt u opnamen maken met circa 3x tot 10x digitale zoom. 1 Stel het programmakeuzewiel in op een andere modus dan <8> of . Selecteer [Digitale zoom]. 2 Selecteer op het tabblad [z1] de optie [Digitale zoom] en druk vervolgens op <0>. [Ca. 3-10x zoom]. 3 Selecteer Selecteer [Ca. 3-10x zoom] en druk op <0>. Druk op de knop om het menu af te sluiten en naar de movieopname terug te keren. digitale zoom.
u HDR-movies opnemen U kunt movie-opnamen maken door de dichtgelopen overbelichte gedeelten van lichte gebieden te beperken, zelfs in scènes met veel contrast. Het opnameformaat is L6X (NTSC) of L5X (PAL). 1 Stel het programmakeuzewiel in op <8>. 2 Maak een HDR-film. Aangezien meerdere frames worden samengevoegd om een HDR-film te maken, kunnen sommige delen van de movie vervormd lijken. Bij opnamen uit hand kan de vervorming die wordt veroorzaakt door cameratrilling meer zichtbaar zijn.
v Movies opnemen met creatieve filters In de modus (Creatieve filters) kunt u movies opnemen met een van vijf filtereffecten (Geheugen, Droom, Oude film, Geheugen, Dramatisch zwart-wit en Miniatuureffectmovie). Het opnameformaat kan worden ingesteld op L6/4 (NTSC) of L5 (PAL). 1 Stel het programmakeuzewiel in op . op de knop (7). 2 Druk Het scherm Snel instellen wordt weergegeven. Selecteer [l].
v Movies opnemen met creatieve filters het filtereffectniveau aan. 5 Pas Druk op de knop en selecteer het pictogram onder [Creatieve filters]. Druk op de pijltjestoetsen en om het filtereffect aan te passen en druk vervolgens op <0>. Als Miniatuureffectmovie is ingesteld, selecteert u de weergavesnelheid. met het opnemen van 6 Begin de film. Een vergrote weergave is niet mogelijk. Het histogram wordt niet weergegeven. Movie digital zoom, Videosnapshot, time-lapse-movie en Dig.
v Movies opnemen met creatieve filters k Geheugen Creëert de sfeer van een vage herinnering. Geeft de movie een zachte uitstraling en vermindert de helderheid van de rand van het scherm. U kunt de algemene verzadiging en de donkere gebieden langs de schermranden wijzigen door het filtereffect aan te passen. n Dramatisch zwart-wit Creëert een dramatische werkelijkheid in zeer contrastrijk zwart en wit. U kunt de korreligheid en het zwart-witeffect aanpassen.
v Movies opnemen met creatieve filters (Movie met miniatuureffect) Er wordt geen geluid opgenomen. Servo AF voor movies functioneert hier niet. Miniatuureffectmovies waarvan de weergavetijd minder dan 1 seconde is, kunnen niet worden bewerkt (pag. 364).
N Time-lapse-movies opnamen Beelden die worden opgenomen met het ingestelde interval, kunnen automatisch achter elkaar worden gezet om een timelapse te maken. Een timelapse geeft weer hoe een onderwerp verandert in een veel kortere tijd dan de daadwerkelijke tijd. Dit is efficiënt bij de observatie op een vast punt van een steeds veranderende scène, groeiende planten enzovoort. Time-lapse-movies worden opgenomen in de MOV-indeling en in het opnameformaat L6W (NTSC) of L5W (PAL).
N Time-lapse-movies opnamen het opname-interval en het 4 Stel aantal opnamen in. Controleer de [k: Vereiste tijd] en [3: Afspeeltijd] die onder aan het scherm wordt weergegeven om het opname-interval en het aantal opnamen in te stellen. Stel de opname-interval (uren: Weergavetijd Vereiste tijd minuten:seconden) in met [Interval]. Stel het aantal opnamen in met [Aant. opn.]. Druk op <0> zodat wordt weergegeven. Stel het gewenste nummer in en druk vervolgens op <0>. (U keert terug naar .
N Time-lapse-movies opnamen in of het LCD-scherm 6 Stel automatisch moet worden uitgeschakeld. Selecteer [LCD auto uit] en stel in. Uitschakelen Het Live view-beeld blijft zichtbaar tijdens het opnemen. Let op dat het LCD-scherm uitschakelt ongeveer 30 minuten nadat het opnemen is begonnen. Inschakelen Het LCD-scherm schakelt ongeveer 10 sec. na het opnemen van het eerste beeld uit. Druk op de knop om het LCD-scherm tijdens het opnemen in of uit te schakelen. de pieptoon in voor 7 Stel opnemen.
N Time-lapse-movies opnamen Vereiste tijd Geeft de vereiste tijd aan voor het maken van het ingestelde aantal opnamen met het ingestelde interval. Indien dit meer is dan 24 uur, wordt ‘*** dagen’ weergegeven. Weergavetijd Geeft de opnametijd.aan (benodigde tijd voor het weergeven van de film) bij opnemen met de intervallen die zijn ingesteld voor het opnemen van de film. Formaat “L 6 W (NTSC)” of “L 5 W (PAL)”. het menu af. 9 Sluit Druk op de knop om het menuscherm af te sluiten.
N Time-lapse-movies opnamen U wordt aangeraden een statief te gebruiken. Druk op de knop om de time-lapse-filmopname te stoppen. (De instelling wordt overgeschakeld naar [Uitschakelen].) De timelapseopname tot nu toe wordt op de kaart opgeslagen. U kunt de opgenomen timelapse met deze camera afspelen op dezelfde manier dat u normale movies afspeelt. Als de vereiste tijd voor opnamen meer dan 24 uur is, maar niet meer dan 48 uur, wordt ‘2 dagen’ weergegeven.
N Time-lapse-movies opnamen Tijdens timelapse-opname-opname werkt de functie voor het automatisch uitschakelen van de camera niet. Bovendien kunt u de opnamefunctie- en menufunctie-instellingen niet aanpassen, kunt u geen opnamen afspelen enzovoort. Er wordt geen geluid opgenomen voor time-lapse-movies. Als de volgende geplande opname niet mogelijk is, wordt deze overgeslagen. Dit kan de opnametijd van de gemaakte timelapse korter maken.
N Time-lapse-movies opnamen U kunt timelapse opnemen met een volledig opgeladen accu LP-E17 zoals aangeduid in de tabel hieronder (geschatte tijd vanaf het begin van de opname tot de accu leeg is). De mogelijke opnametijd varieert, afhankelijk van de opnameomstandigheden. Totale mogelijke tijd voor timelapse-opname LCD-scherm Kamertemperatuur Lage temperaturen Tijdens opnamen (23° C) (0 °C) Ingeschakeld circa 2 uur en 10 min. Uitgeschakeld circa 3 uur 30 min.
3 Videosnapshots maken U kunt een reeks korte filmclips van circa 2 seconden, 4 seconden of 8 seconden maken, Videosnapshots genaamd. De videosnapshots kunnen worden samengevoegd tot één movie, die ‘videosnapshotalbum’ wordt genoemd. Zo kunt u hoogtepunten van een reis of gebeurtenis in vogelvlucht laten zien. Een videosnapshotalbum kan ook worden afgespeeld met achtergrondmuziek (pag. 310, 368).
3 Videosnapshots maken 4 Selecteer [Albuminstellingen]. 5 Selecteer [Nieuw album maken]. de snapshotlengte. 6 Selecteer Druk op <0> en gebruik de pijltjestoetsen om de duur van de videosnapshot te selecteren. Druk vervolgens op <0>. [OK]. 7 Selecteer Druk op de knop om het Opnameduur 304 menu af te sluiten. Er wordt een blauwe balk weergegeven om de snapshotlengte aan te geven. Ga naar ‘Een videosnapshotalbum maken’ (pag. 305).
3 Videosnapshots maken Een videosnapshotalbum maken de eerste videosnapshot. 8 Maak Druk op de knop en maak de opname. De blauwe balk die de opnameduur aangeeft, loopt langzaam terug. Nadat de ingestelde opnameduur is verstreken, stopt de opname automatisch. Het bevestigingsscherm wordt weergegeven (pag. 306-307). de opname op als 9 Sla videosnapshotalbum. Selecteer [J Sla op als album] en druk vervolgens op <0>.
3 Videosnapshots maken Opties in stap 9 en 10 Functie Omschrijving J Sla op als album (Sap 9) De movieclip wordt opgeslagen als de eerste videosnapshot van het videosnapshotalbum. J Voeg toe aan album (Sta 10) De zojuist opgenomen videosnapshot wordt toegevoegd aan het album dat net daarvoor is opgenomen. W Sla op als nieuw album (stap 10) Er wordt een nieuw videosnapshotalbum gemaakt en de movieclip wordt opgeslagen als de eerste videosnapshot.
3 Videosnapshots maken Handelingen bij [Speel videofoto af] in stap 9 en 10 Functie Beschrijving van weergave 7 Afspelen Druk op <0> als u het opgenomen videosnapshot direct hiervóór wilt afspelen of pauzeren. 5 Eerste beeld Hiermee wordt de eerste scène van de eerste videosnapshot in het album weergegeven. P Achteruit springen* Telkens als u op <0> drukt, springt de videosnapshot enkele seconden achteruit. 3 Vorig beeld Geeft het vorige beeld weer telkens wanneer u op <0> drukt.
3 Videosnapshots maken Toevoegen aan een bestaand album 1 Selecteer [Aan bestaand album toevoegen]. Voer stap 5 op pagina 304 uit om [Aan bestaand album toevoegen] te selecteren en druk vervolgens op <0>. een bestaand album. 2 Selecteer Draai aan het instelwiel <5> om een bestaand album te selecteren en druk vervolgens op <0>. Selecteer [OK] en druk op <0>. Bepaalde videosnapshotinstellingen worden aangepast aan de instellingen van het bestaande album.
3 Videosnapshots maken Waarschuwingen voor het maken van videosnapshots U kunt aan een album alleen videosnapshots met dezelfde lengte toevoegen (elk van circa 2, 4 of 8 seconden). Als u tijdens het maken van videosnapshots een van de volgende handelingen uitvoert, wordt er een nieuw album gemaakt voor de volgende videosnapshots. • Het [Movie-opn.formaat] wijzigen.
3 Videosnapshots maken Een album afspelen Een videosnapshotalbum kan op dezelfde manier worden afgespeeld als een normale movie (pag. 362). 1 Speel de movie af. Druk op de knop om een opname weer te geven. het album. 2 Selecteer In de weergave van één opname geeft het pictogram [st] linksboven op het scherm aan dat het een videosnapshotalbum betreft. Draai aan het instelwiel <5> om een album te selecteren. het album af. 3 Speel Druk op <0>.
3 Videosnapshots maken Een album bewerken Nadat u de opname hebt gemaakt, kunt u de videosnapshots in het album opnieuw ordenen, verwijderen of afspelen. 1 Selecteer [X]. Selecteer op het movieweergavepaneel [X] (Bewerken) en druk vervolgens op <0>. Het bewerkingsscherm wordt weergegeven. een bewerking. 2 Selecteer Selecteer een bewerkingsoptie en druk op <0>.
3 Videosnapshots maken het bewerkte album op. 3 Sla Druk op de knop om terug te keren naar het bewerkingspaneel onder aan het scherm. Selecteer [W] (Opslaan) en druk vervolgens op <0>. Het scherm Opslaan wordt weergegeven. Om het bestand als een nieuw album op te slaan, selecteert u [Nieuw bestand]. Als u het bestand wilt opslaan en het originele album wilt overschrijven, selecteert u [Overschrijven] en drukt u vervolgens op <0>.
3 Menufunctie-instellingen Als de aan/uit-schakelaar is ingesteld op , worden de tabbladen [z1], [z4] en [z5] worden weergegeven als menuopties speciaal voor movie-opname (de tabbladen [z1], [z2] en [z3] in de Basismodi). z1 z4 z5 z1 Movieopnameformaat U kunt het movie-opnameformaat (beeldformaat, framesnelheid en compressiemethode) instellen. Zie pagina 287 voor meer informatie. Digitale zoom U kunt digitale zoom gebruiken voor teleopnamen. Zie pagina 290 voor meer informatie.
3 Menufunctie-instellingen Opties voor [Geluidsopname/Opname niveau] [Automatisch] : Het geluidsopnameniveau wordt automatisch aangepast. Automatische niveauregeling functioneert automatisch in reactie op het geluidsniveau. : Voor gevorderde gebruikers. U kunt het [Handmatig] geluidsopnameniveau instellen op een van 64 niveaus. Selecteer [Opname niveau] en druk op de toetsen terwijl u op de waterpas kijkt om het geluidsopnameniveau aan te passen. Kijk op de piekenindicator (circa 3 sec.
3 Menufunctie-instellingen LensafwijkingscorrectieN U kunt correctie helderheid randen en correctie chromatische aberratie instellen. Zie pagina 179 voor meer informatie. Objectief elektronische MFN Zie pagina 128 bij gebruik van een lens met een elektronische handmatige scherpstellingsfunctie. z4 Servo AF voor movies Als deze functie is ingeschakeld, stelt de camera voortdurend scherp op het onderwerp tijdens movie-opname. De standaardinstelling is [Inschakelen].
3 Menufunctie-instellingen Aandachtspunten wanneer [Servo AF voor movies] is ingesteld op [Inschakelen] Opnameomstandigheden waarin moeilijk kan worden scherpgesteld • Een snel bewegend onderwerp dat de camera nadert of van de camera af beweegt. • Een onderwerp dat zich op korte afstand voor de camera beweegt. • Raadpleeg ook ‘Opnameomstandigheden waarin moeilijk kan worden scherpgesteld’ op pagina 266.
3 Menufunctie-instellingen Rasterweergave Met [3x3l] of [6x4m] kunt u rasterlijnen weergeven om u te helpen de camera verticaal of horizontaal recht te houden. Met [3x3+diagn] wordt het raster ook met diagonale lijnen weergegeven om u te helpen de intersecties over het onderwerp uit te lijnen voor een betere balans in de compositie. Merk op dat tijdens filmopnamen het raster niet op het LCD-scherm wordt weergegeven.
3 Menufunctie-instellingen z5 Videosnapshot U kunt videosnapshots maken. Zie pagina 303 voor meer informatie. Time-lapse-movie U kunt time-lapse-movies maken. Zie pagina 296 voor meer informatie. Opnamen maken met de afstandsbediening Als [Inschakelen] is ingesteld, kunt u movie-opname starten of stoppen met de draadloze afstandsbediening BR-E1 (afzonderlijk verkrijgbaar, pag. 423) of de afstandsbediening RC-6 (afzonderlijk verkrijgbaar, pag. 426).
3 Menufunctie-instellingen Digitale beeldstabilisatie van movies De interne Image Stabilizer (Beeldstabilisatie) corrigeert cameratrillingen tijdens het filmen. Deze functie heet Digitale beeldstabilisatie van movies. Met Digitale beeldstabilisatie van movies kunnen beelden ook worden gestabiliseerd als een objectief zonder Image Stabilizer (Beeldstabilisatie) wordt gebruikt.
3 Menufunctie-instellingen ISO-snelheid tijdens movie-opnameN U kunt de ISO-snelheid apart instellen voor fotograferen en filmen. Instellen op tabblad [z2]. [kISO-snelheid] Bij handmatige belichting kunt u de ISOsnelheid instellen (pag. 281). [kISO Auto] U kunt de maximumgrens voor de automatische ISO-snelheid voor ISO auto op ISO 6400 of ISO 12800 instellen. Onder [54: Persoonlijke voorkeuze(C.Fn)] als [2: ISO vergroten] is ingesteld op [1:Aan], kunt u [Max.:H(25600)] selecteren.
Algemene aandachtspunten bij het maken van movieopnamen Rood waarschuwingspictogrammen voor interne temperatuur Als de interne temperatuur van de camera oploopt vanwege langdurig gebruik van movie-opnamen of bij een hoge omgevingstemperatuur, verschijnt er een rood pictogram . Het rode pictogram geeft aan dat de movie-opname binnenkort automatisch wordt beëindigd. U kunt in dat geval geen opnamen meer maken totdat de interne temperatuur van de camera is gedaald.
Algemene aandachtspunten bij het maken van movieopnamen Opname- en beeldkwaliteit Als u een kaart met een lage schrijfsnelheid gebruikt, wordt tijdens movie-opnamen rechts in het scherm mogelijk een indicator met vijf niveaus weergegeven. Deze geeft aan hoeveel gegevens nog niet naar de kaart zijn geschreven (beschikbare capaciteit van het interne buffergeheugen). Hoe langzamer de kaart, hoe sneller de indicator stijgt. Als de indicator vol raakt, wordt de movie-opname automatisch Indicator gestopt.
9 Handige functies De pieptoon uitzetten (pag. 324) Kaartwaarschuwing (pag. 324) De opnameweergavetijd instellen (pag. 325) De tijd voor Auto uitschakelen instellen (pag. 325) De helderheid van het LCD-scherm aanpassen (pag. 326) Een map maken en selecteren (pag. 327) Methoden voor bestandsnummering (pag. 329) Copyrightinformatie instellen (pag. 332) Verticale opnamen automatisch roteren (pag. 334) De standaardinstellingen van de camera herstellen (pag.
Handige functies 3 De pieptoon uitzetten U kunt voorkomen dat er een pieptoon klinkt zodra er is scherpgesteld of bij opnamen met de zelfontspanner en tijdens bediening via de touchscreen. Selecteer op het tabblad [53] de optie [Pieptoon] en druk vervolgens op <0>. Selecteer [Uitschakelen] en druk vervolgens op <0>. Om de pieptoon alleen bij bediening via het aanraakscherm uit te zetten, selecteert u [Aanr. opn].
Handige functies 3 De opnameweergavetijd instellen U kunt wijzigen hoelang de foto direct na de opname op het LCDscherm moet worden weergegeven. Als [Uit] is ingesteld, wordt de opname niet direct na het maken weergegeven. Als [Vastzetten] is ingesteld, wordt de opname weergegeven totdat de tijd van de instelling [Auto uitschakelen] is verstreken.
Handige functies 3 De helderheid van het LCD-scherm aanpassen U kunt de helderheid van het LCD-scherm aanpassen, zodat het gemakkelijker te bekijken is. Selecteer op het tabblad [52] de optie [LCD-helderheid] en druk vervolgens op <0>. Druk op de pijltjestoetsen om de helderheid aan te passen via het aanpassingsscherm en druk vervolgens op <0>.
Handige functies 3 Een map maken en selecteren U kunt naar wens mappen maken en selecteren waarin de vastgelegde beelden worden opgeslagen. Deze handeling is optioneel, aangezien er automatisch een map voor de opslag van vastgelegde beelden wordt gemaakt. Een map maken 1 Selecteer [Selecteer map]. Selecteer op het tabblad [51] de optie [Selecteer map] en druk vervolgens op <0>. [Maak map]. 2 Selecteer Selecteer [Maak map] en druk vervolgens op <0>. een nieuwe map.
Handige functies Een map selecteren Laagste bestandsnummer Aantal opnamen in de map Open het scherm Selecteer map, selecteer een map en druk op <0>. De map waarin de vastgelegde beelden worden opgeslagen, is geselecteerd. Volgende opnamen zullen in de geselecteerde map worden opgeslagen. Mapnaam Hoogste bestandsnummer Mappen De mapnaam begint met drie cijfers (het mapnummer), gevolgd door vijf alfanumerieke tekens. Bijvoorbeeld: ‘100CANON’.
Handige functies 3 Methoden voor bestandsnummering De beeldbestanden worden genummerd van 0001 tot 9999 in de volgorde waarin de opnamen zijn gemaakt. Vervolgens worden de bestanden in een map opgeslagen. U kunt instellen hoe het bestandsnummer wordt toegewezen. Het bestandsnummer wordt op de computer in de volgende notatie weergegeven: IMG_0001.JPG. Selecteer in [Bestandnr.] onder tab [51] [Nummering] en druk op <0>. De beschikbare instellingen worden hieronder beschreven.
Handige functies [Auto. reset]: Als u de bestandsnummering elke keer opnieuw bij 0001 wilt laten beginnen nadat de kaart is vervangen of een nieuwe map is gemaakt. Als u de kaart vervangt of een map maakt, begint de bestandsnummering weer bij 0001 voor de nieuwe opnamen. Dit is handig als u de opnamen per kaart of map wilt archiveren.
Handige functies [Handm. reset]: Als u de bestandsnummering wilt terugzetten naar 0001 of wilt beginnen met het bestandsnummer 0001 in een nieuwe map. Selecteer in [Bestandnr.] onder tab [51] [Handm. reset] en selecteer vervolgens [OK] in het bevestigingsdialoogvenster. Wanneer u de bestandsnummering handmatig opnieuw instelt, wordt er automatisch een nieuwe map gemaakt en begint de nummering van de opnamen die in die map worden opgeslagen bij 0001.
Handige functies 3 Copyrightinformatie instellenN Wanneer u de copyrightinformatie instelt, wordt deze als Exif-informatie aan de opname toegevoegd. 1 Selecteer [Copyrightinformatie]. Selecteer op het tabblad [54] de optie [Copyrightinformatie] en druk vervolgens op <0>. het item dat u wilt 2 Selecteer instellen. Selecteer [Voer naam van auteur in] of [Voer copyrightdetails in] en druk vervolgens op <0>. tekst in.
Handige functies De copyrightinformatie controleren Wanneer u bij stap 2 [Geef copyrightinfo weer] selecteert, kunt u de ingevoerde gegevens voor [Auteur] en [Copyright] controleren. De copyrightinformatie verwijderen Wanneer u [Verwijder copyrightinfo] selecteert in stap 2, kunt u de ingevoerde gegevens voor [Auteur] en [Copyright] verwijderen. Als de vermelding voor ‘Auteur’ of ‘Copyright’ lang is, wordt deze mogelijk niet helemaal weergegeven wanneer u [Geef copyrightinfo weer] selecteert.
Handige functies 3 Verticale opnamen automatisch roteren Opnamen die in verticale richting zijn gemaakt, worden automatisch in de juiste stand gedraaid voor het bekijken, zodat ze niet in horizontale richting worden weergegeven bij het afspelen op het LCD-scherm van de camera of het bekijken op een computerscherm. U kunt de instelling voor deze functie wijzigen. Selecteer op het tabblad [51] de optie [Auto. roteren] en druk vervolgens op <0>. De beschikbare instellingen worden hieronder beschreven.
Handige functies 3 De standaardinstellingen van de camera herstellenN De instellingen voor de opnamefunctie en de menu-instellingen van de camera kunnen worden teruggezet naar de standaardinstellingen. Deze optie is beschikbaar in de creatieve modi. 1 Selecteer [Wis instellingen]. Selecteer op het tabblad [54] de optie [Wis instellingen] en druk vervolgens op <0>. [Wis alle camera2 Selecteer instellingen]. Selecteer [Wis alle camerainstellingen] en druk vervolgens op <0>. [OK].
Handige functies Instellingen voor de opnamefunctie Beeldopname-instellingen <8>-modus q (Groepsfoto) Beeldkwaliteit 73 -modus G Korrelig Z/W Aspect ratio 3:2 AF-bediening 1-beeld AF Beeldstijl Automatisch AF-gebiedselectiemodus Automatische selectie-AF Transportmodus u (Enkelbeeld) Auto Lighting Optimizer (Auto Standaard optimalisatie helderheid) Meetmethode q (Meervlaksmeting) Lensafwijkingscorrectie zISO-snelheid AUTO (automatisch) zISO Auto Max.
Handige functies Camera-instellingen Automatisch 10 sec/30 sec Instellingen voor Live View-opnamen Live View-opnamen Inschakelen Pieptoon AF-methode u+volgen AF-bediening X Touch Shutter Uitschakelen Inschakelen Ontspan sluiter zonder kaart Inschakelen Kijktijd 2 sec. Meettimer 8 sec.
Handige functies 3 Automatisch uitschakelen van het LCD-scherm uitschakelen U kunt voorkomen dat de scherm uit-sensor het LCD-scherm uitschakelt wanneer u met uw oog in de buurt van de zoeker komt. Selecteer op het tabblad [52] de optie [LCD auto uit] en druk vervolgens op <0>. Selecteer [Uitschakelen] en druk vervolgens op <0>. Wanneer Hoekzoeker C (afzonderlijk verkrijgbaar) op de zoeker is bevestigd, stelt u deze in op [Uitschakelen].
f Automatische sensorreiniging Als u de aan/uit-schakelaar op <1> of <2> zet, wordt de zelfreinigende sensor geactiveerd en verwijdert deze automatisch het stof van de voorzijde van de sensor. Normaal gesproken is de reinigingseenheid actief zonder dat u daar iets van merkt. U kunt sensorreiniging ook handmatig uitvoeren of u kunt deze sensor als volgt uitschakelen. De sensorreiniging handmatig activeren 1 Selecteer [Sensorreiniging].
f Automatische sensorreiniging Automatische sensorreiniging uitschakelen Selecteer bij stap 2 [Auto. reinigingf] en selecteer vervolgens [Uitschak.]. De sensorreiniging wordt niet meer uitgevoerd als u de aan/uitschakelaar op <1> of <2> zet.
3 Stofwisdata toevoegenN De zelfreinigende sensor zal er gewoonlijk voor zorgen dat er nauwelijks stof zichtbaar is op vastgelegde beelden. Als er echter zichtbaar stof achterblijft, kunt u stofwisdata aan de opname toevoegen om naderhand stofvlekken te verwijderen. Digital Photo Professional (EOS-software, pag. 488) gebruikt de stofwisdata om stofvlekken automatisch te verwijderen. Voorbereiding Zorg voor een effen wit voorwerp, zoals een vel papier.
3 Stofwisdata toevoegenN een effen wit object. 3 Fotografeer Vul de zoeker op een afstand van 20-30 cm met een effen wit object zonder patroon en maak een opname. De foto wordt in de AE met diagrafmavoorkeuze gemaakt bij een diafragma van f/22. Aangezien de opname niet wordt opgeslagen, kunnen de gegevens nog altijd worden opgehaald, ook al is er geen kaart in de camera geplaatst. Nadat de foto is gemaakt, verzamelt de camera de stofwisdata.
3 Handmatige sensorreinigingN Stof dat na de automatische sensorreiniging is achtergebleven, kunt u handmatig verwijderen met een in de handel verkrijgbaar blaasbuisje of een vergelijkbaar hulpmiddel. Haal de lens van de camera voordat u de sensor gaat reinigen. De beeldsensor is zeer kwetsbaar. Wij raden u aan om fysieke reiniging van de sensor bij een Canon Service Center te laten uitvoeren. 1 Selecteer [Sensorreiniging]. Selecteer [Sensorreiniging] op het tabblad [54] en druk vervolgens op <0>.
3 Handmatige sensorreinigingN Als ruisonderdrukking bij meerdere opnamen is ingesteld, kan [Reinig handmatig] niet worden geselecteerd. Tijdens het reinigen van de sensor mag u geen van de onderstaande handelingen verrichten. Als de stroom wordt onderbroken, gaat de sluiter dicht en kunnen de sluitergordijnen of de beeldsensor beschadigd raken. • De aan/uit-schakelaar op <2> zetten. • De accu verwijderen/plaatsen. Het oppervlak van de beeldsensor is zeer kwetsbaar. Reinig de sensor voorzichtig.
10 Opnamen weergeven In dit hoofdstuk worden geavanceerde mogelijkheden beschreven van de weergavemethoden welke zijn beschreven in hoofdstuk 2 “Basisfuncties voor het maken en weergeven van opnamen”, hoe de opgenomen beelden (foto’s/movies) weer te geven en te wissen, hoe ze op een tv weer te geven, en andere weergavefuncties.
x Snel opnamen zoeken H Meerdere opnamen weergeven op één scherm (indexweergave) Zoek snel naar beelden met de indexweergave waarbij 4, 9, 36 of 100 beelden op één scherm worden weergegeven. 1 Geef de opname weer. Als u op de knop drukt, wordt de laatstgemaakte opname weergegeven. over naar de indexweergave. 2 Schakel Druk op de knop . De 4-beeldindexweergave verschijnt. De geselecteerde opname wordt gemarkeerd met een oranje kader.
x Snel opnamen zoeken I Door beelden navigeren (opnamesprong) In de weergave van één opname kunt u aan het instelwiel <6> draaien om snel vooruit of achteruit door de opnamen te bladeren, al naar gelang de ingestelde sprongmethode. 1 Selecteer [Spring met 6]. Selecteer op het tabblad [x2] de optie [Spring met 6] en druk vervolgens op <0>. de sprongmethode. 2 Selecteer Draai aan het instelwiel <5> om de sprongmethode te selecteren en druk op <0>.
x Snel opnamen zoeken door te springen. 3 Navigeer Druk op de knop om de Sprongmethode Weergavepositie 348 beelden weer te geven. Draai in de weergave van één opname aan het hoofdinstelwiel <6>. U kunt met de ingestelde methode bladeren.
u/y Beelden vergroten Vastgelegde beelden kunnen op het LCD-scherm circa 1,5 tot 10 maal worden uitvergroot. 1 Positie van vergroot gebied Vergroot het beeld. Druk tijdens opnameweergave op de knop . De opname wordt vergroot. Als u de knop ingedrukt houdt, wordt de opname verder vergroot tot de maximale vergroting is bereikt. Druk op de knop om de vergroting te reduceren.
d Opnamen weergeven via de touchscreen Het LCD-scherm is een aanraakgevoelig paneel dat u met uw vingers kunt bedienen om zo de weergaveopties te gebruiken. Druk eerst op de knop om de opnamen weer te geven. Door opnamen bladeren Veeg met één vinger. Raak in de weergave van één opname het LCD-scherm aan met één vinger. U kunt naar de vorige of volgende opname bladeren door met uw vinger naar links of rechts te vegen.
d Opnamen weergeven via de touchscreen Beeld verkleinen (indexweergave) Druk twee vingers tegen elkaar aan. Raak het scherm aan met twee uitgespreide vingers en breng uw vingers vervolgens samen op het scherm. Elke keer dat u uw vingers tegen elkaar aan drukt, wordt de weergave van één opname gewijzigd in de indexweergave. Wanneer u een opname selecteert, wordt het oranje kader weergegeven. Tik opnieuw op de opname om deze als één opname weer te geven. Opname vergroten Spreid twee vingers uit elkaar.
b Het beeld roteren U kunt de weergegeven opname in de gewenste positie draaien. 1 Selecteer [Beeld roteren]. Selecteer op het tabblad [x1] de optie [Beeld roteren] en druk vervolgens op <0>. een opname. 2 Selecteer Draai aan het hoofdinstelwiel <5> om het beeld te selecteren dat u wilt draaien. U kunt ook een beeld selecteren in de indexweergave (pag. 346). de opname. 3 Draai Elke keer dat u op <0> drukt, wordt het beeld als volgt naar rechts gedraaid: 90° 9 270° 9 0°.
3 Classificaties instellen U kunt beelden en movies classificeren met een van deze vijf classificaties: l/m/n/o/p. Deze functie heet classificatie. Eén opname classificeren 1 Selecteer [Classificatie]. Selecteer op het tabblad [x2] de optie [Classificatie] en druk vervolgens op <0>. [Selecteer beelden]. 2 Selecteer Er wordt een afbeelding weergegeven. de opname die u wilt 3 Selecteer classificeren.
3 Classificaties instellen Het bereik opgeven U kunt het bereik opgeven van beelden om alle beelden binnen dit bereik in een keer te classificeren. 1 Selecteer [Selecteer reeks]. Selecteer [Selecteer reeks] in [x2: Classificatie] en druk vervolgens op <0>. bereik van de beelden 2 Het opgeven. Selecteer het eerste beeld en druk op <0>. Selecteer het laatste beeld en druk op <0>. Het pictogram [X] wordt op de geselecteerde beelden weergegeven. Herhaal deze stap om de selectie op te heffen.
3 Classificaties instellen Alle opnamen in een map of op een kaart opgeven U kunt alle beelden in een map of op een geheugenkaart tegelijk classificeren. Wanneer u [Alle beelden in map] of [Alle beelden op kaart] selecteert in [x2: Classificatie], worden alle beelden in de map of op de kaart gespecificeerd. Draai aan het hoofdinstelwiel <6> om een classificatie te selecteren en selecteer vervolgens [OK]. Selecteer de classificatiemarkering [Uit] om de classificatie te annuleren.
3 Voorkeuren voor beeldenzoeken instellen U kunt naar beelden zoeken door de voorkeuren op te geven en de gefilterde beelden weergeven. U kunt alle gevonden beelden ook in een keer weergeven in een diavoorstelling, ze beschermen of wissen. 1 Selecteer [Beeldzoekvoork. instellen]. Selecteer op het tabblad [x2] de optie [Beeldzoekvoork. instellen] en druk vervolgens op <0>. de zoekvoorkeuren in. 2 Stel Druk op de pijltjestoetsen en om de voorkeur te selecteren.
3 Voorkeuren voor beeldenzoeken instellen de zoekvoorkeuren. 3 Implementeer Druk op <0>. Lees de melding die verschijnt en selecteer [OK]. gevonden beelden weergeven. 4 De Druk op de knop om de beelden weer te geven. Beelden die overeenkomen met de ingestelde voorkeuren verschijnen in een geel kader. Als geen beelden aan de voorkeur voldoen, kan [OK] niet worden geselecteerd in stap 2, ook niet als u op <0> drukt. (U kunt niet doorgaan naar stap 3.
Q Quick Control voor weergave U kunt tijdens de weergave op de knop drukken om de volgende opties in te stellen: [J: Beveilig beelden], [b: Beeld roteren], [9: Classificatie], [U: Creatieve filters], [S: Wijzig formaat (alleen JPEG-beelden)], [N: Trimmen], [T: AF-puntweergave], [e: Spring met 6], [t: Beeld zoeken], en [q: Beelden n. smartphone verz.*]. Voor movies kunnen alleen de functies die hierboven vetgedrukt worden weergegeven worden ingesteld. * Niet selecteerbaar als [Wi-Fi] onder [51: Inst.
Q Quick Control voor weergave Stel [51: Auto. roteren] in op [AanzD] om een opname te roteren. Als [51: Auto. roteren] is ingesteld op [AanD] of [Uit], wordt de instelling [b Beeld roteren] toegevoegd aan het beeld, maar zal de camera het beeld niet draaien voor weergave. Wanneer u op de knop drukt tijdens de indexweergave, wordt er overgeschakeld op de weergave van één opname en verschijnt het scherm Quick Control. Druk nogmaals op de knop om terug te keren naar de indexweergave.
k Genieten van movies Dit zijn de drie belangrijkste manieren om movies af te spelen en ervan te genieten: Weergave op een televisie (pag. 369) Als u de camera met een HDMI-kabel op een televisie aansluit, kunt u de movies en foto’s van de camera op de televisie weergeven. Omdat recorders met vaste schijf geen HDMI IN-poort bevatten, kan de camera niet op de recorder met vaste schijf worden aangesloten met behulp van een HDMI-kabel.
k Genieten van movies Weergave en bewerken op een computer De filmbestanden op de kaart kunnen worden overgezet naar een computer en worden afgespeeld of bewerkt met vooraf geïnstalleerde of algemene software die compatibel is met de opname-indeling van de film. Om een movie af te spelen of te bewerken met commerciële software, hebt u software nodig die compatibel is met movies in MOV-indeling en MP4-indeling.
k Movies afspelen 1 Geef de opname weer. Druk op de knop om een opname weer te geven. een movie. 2 Selecteer Draai aan het hoofdinstelwiel <5> om de movie te selecteren die u wilt afspelen. Bij de weergave van één opname geeft het pictogram , dat linksboven wordt weergegeven, aan dat het een film is. Als de movie een videosnapshot is, wordt weergegeven. In de indexweergave geeft de perforatie links van een miniatuur aan dat het een movie is.
k Movies afspelen Movieweergavepaneel Bewerking Beschrijving van weergave 7 Afspelen Door op <0> te drukken, kunt u schakelen tussen weergeven en stoppen. 8Vertraagd Wijzig de vertragingssnelheid met behulp van de pijltjestoetsen en . De vertraagde snelheid wordt rechtsboven in het scherm aangegeven. 5 Eerste beeld Hiermee wordt het eerste beeld van de movie weergegeven. 3Vorig beeld Geeft het vorige beeld weer telkens wanneer u op <0> drukt.
X De eerste en laatste beelden van een movie bewerken Weergave via het touchscreen Tik op [7] in het midden van het scherm. De movie wordt afgespeeld. Als u het movieweergavepaneel wilt weergeven, tikt u op linksboven in het scherm. Als u het afspelen van de movie wilt pauzeren, tikt u op het scherm. Het movieweergavepaneel wordt ook weergegeven. X De eerste en laatste beelden van een movie bewerken U kunt de eerste en laatste beelden van een movie bewerken in tussenstappen van circa 1 seconde.
X De eerste en laatste beelden van een movie bewerken de bewerkte film. 3 Controleer Selecteer [7] en druk op <0> om de bewerkte film af te spelen. Ga terug naar stap 2 om het bewerkte deel te wijzigen. Als u de bewerking wilt annuleren, drukt u op de knop en selecteert u [OK] op het bevestigingsvenster. de bewerkte film op. 4 Sla Selecteer [W] en druk vervolgens op <0>. Het scherm Opslaan wordt weergegeven. Om het bestand als een nieuwe movie op te slaan, selecteert u [Nieuw bestand].
3 Diavoorstelling (automatische weergave) U kunt automatisch alle beelden op de kaart achter elkaar weergeven. 1 Aantal weer te geven opnamen Selecteer [Diavoorstelling]. Selecteer op het tabblad [x2] de optie [Diavoorstelling] en druk vervolgens op <0>. [Stel in] naar wens. 2 Configureer Druk op de pijltjestoetsen en om [Stel in] te selecteren en druk vervolgens op <0>.
3 Diavoorstelling (automatische weergave) de diavoorstelling. 3 Start Druk op de pijltjestoetsen en om [Start] te selecteren en druk vervolgens op <0>. Nadat de tekst [Laden van beeld…] is weergegeven, begint de diavoorstelling. de diavoorstelling. 4 Beëindig Als u de diavoorstelling wilt afsluiten en wilt terugkeren naar het instellingenscherm, drukt u op de knop . Als u de diavoorstelling wilt pauzeren, drukt u op <0>.
3 Diavoorstelling (automatische weergave) De achtergrondmuziek selecteren Nadat u met EOS Utility (EOS-software) achtergrondmuziek naar de kaart hebt gekopieerd, kunt u de diavoorstelling met een achtergrondmuziekje afspelen. 1 Selecteer [Achtergrondmuziek]. Stel [Achtergrondmuziek] in op [Inschakelen] en druk dan op <0>. Als de kaart geen achtergrondmuziek bevat, kunt u stap 2 niet uitvoeren. de achtergrondmuziek.
Beelden op een televisie bekijken Als u de camera met een HDMI-kabel op een televisie aansluit, kunt u de foto’s en movies op de camera op de televisie weergeven. Voor de HDMI-kabel wordt HDMI-kabel HTC-100 (afzonderlijk verkrijgbaar) aanbevolen. Als het beeld niet op het tv-scherm wordt weergegeven, controleert u of [53: Videosysteem] correct is ingesteld op [Voor NTSC] of [Voor PAL] (afhankelijk van het videosysteem van uw televisie). 1 Sluit de HDMI-kabel aan op de camera.
Beelden op een televisie bekijken Pas het geluidsvolume van de movie aan via de tv. Het geluidsvolume kan niet met de camera worden aangepast. Schakel de camera en de tv uit voordat u de kabel tussen de camera en de tv aansluit of verwijdert. Op bepaalde tv’s worden de weergegeven opnamen mogelijk afgesneden. Sluit geen andere apparaten aan op de -aansluiting van de camera. Als u dit toch doet, kan er een storing worden veroorzaakt.
Beelden op een televisie bekijken een opname. 5 Selecteer Richt de afstandsbediening op de tv en druk op de knop / om een beeld te selecteren. Fotoweergavemenu Movieweergavemenu 2 : Terug a : 9-beeldindex 1 : Movie afspelen y : Diavoorstelling B : Opname-info weergeven b : Roteren op Enter op de 6 Druk afstandsbediening. Het menu wordt weergegeven en u kunt de afspeelopties uitvoeren die links worden weergegeven.
K Beelden beveiligen U kunt belangrijke opnamen beveiligen zodat deze niet per ongeluk kunnen worden gewist met de wisfunctie van de camera. 3 Eén opname beveiligen 1 Selecteer [Beveilig beelden]. Selecteer [Beveilig beelden] op het tabblad [31] en druk vervolgens op <0>. [Selecteer beelden]. 2 Selecteer Er wordt een afbeelding weergegeven. Wisbeveiligingspictogram de opname die u wilt 3 Selecteer beveiligen. Draai aan het hoofdinstelwiel <5> om het beeld te selecteren die u wilt beveiligen.
K Beelden beveiligen 3 Het bereik van te beveiligen beelden opgeven Geef het bereik op van beelden om alle beelden binnen dit bereik in een keer te beveiligen. 1 Selecteer [Selecteer reeks]. Selecteer [Selecteer reeks] in [x1: Beveilig beelden] en druk vervolgens op <0>. bereik van de beelden 2 Het opgeven. Selecteer het eerste beeld en druk op <0>. Selecteer het laatste beeld en druk op <0>. De beelden worden beveiligd en het pictogram verschijnt.
K Beelden beveiligen 3 Alle beelden in een map of op een kaart beveiligen U kunt alle opnamen in een map of op een geheugenkaart tegelijk beveiligen. Wanneer u [Alle beelden in map] of [Alle beelden op kaart] selecteert in [31: Beveilig beelden], worden alle beelden in de map of op de kaart beveiligd. Om de beeldbeveiliging te annuleren, selecteert u [Wis bev. beelden in map] of [Wis bev. alle beelden op kaart]. Als u de kaart formatteert (pag. 74), worden ook beveiligde beelden verwijderd.
L Beelden wissen U kunt overbodige opnamen één voor één of in een batch selecteren en wissen. Beveiligde beelden (pag. 372) worden niet gewist. Als een opname eenmaal is gewist, kan deze niet meer worden teruggehaald. Wis een opname pas als u zeker weet dat u deze niet meer nodig hebt. Beveilig belangrijke opnamen om te voorkomen dat deze per ongeluk worden gewist. Als u een opname die is opgenomen in RAW+JPEG verwijdert, wordt zowel de RAW- als de JPEG-afbeelding verwijderd.
L Beelden wissen [Selecteer en wis 2 Selecteer beelden]. Er wordt een afbeelding weergegeven. de opnamen die u wilt 3 Selecteer wissen. Draai aan het hoofdinstelwiel <5> om het gewenste beeld te kiezen en druk vervolgens op <0>. Linksboven in het scherm wordt een vinkje weergegeven. Druk op de knop om beelden te selecteren uit een weergave van drie beelden. Als u wilt terugkeren naar de weergave van een enkele opname, drukt u op de knop .
L Beelden wissen 3 Het bereik van te wissen beelden opgeven Geef het bereik op van beelden om alle beelden binnen dit bereik in een keer te wissen. 1 Selecteer [Selecteer reeks]. Selecteer [Selecteer reeks] in [31: Wis beelden] en druk op <0>. bereik van de beelden opgeven. 2 Het Selecteer het eerste beeld en druk op <0>. Selecteer het laatste beeld en druk op <0>. Het pictogram [X] wordt op de geselecteerde beelden weergegeven. Herhaal deze stap om de selectie op te heffen.
W Digital Print Order Format (DPOF) Met DPOF (Digital Print Order Format) kunt u beelden die op de kaart staan, printen volgens uw printinstructies, zoals de beeldselectie, het aantal exemplaren, enzovoort. U kunt meerdere beelden in één batch printen of printopties maken voor een foto-ontwikkelaar. U kunt het afdruktype instellen en instellen of de datum en het bestandsnummer moeten worden geprint, enzovoort. De printinstellingen worden toegepast op alle beelden die zijn geselecteerd om te worden geprint.
W Digital Print Order Format (DPOF) [Afdruktype] K Standaard Afdruktype Datum File No. L Index [Datum] [File No.] Er wordt één beeld afgedrukt per vel. Er worden meerdere miniatuurafbeeldingen afgedrukt per vel. Er worden zowel standaard- als indexafdrukken gemaakt. K Beide L Aan Bij [Aan] wordt de datum van het vastgelegde beeld afgedrukt. Uit Aan Bij [Aan] wordt het bestandsnummer van het beeld afgedrukt. Uit 4 Verlaat de instelling. Druk op de knop .
W Digital Print Order Format (DPOF) 3 Beelden selecteren voor printen Opnamen selecteren Selecteer en specificeer de beelden een voor een. Druk op de knop om beelden te selecteren uit een weergave van drie beelden. Als u wilt terugkeren naar de weergave van een enkele opname, drukt u op de knop . Druk op de knop om de printopties op de kaart op te slaan.
W Digital Print Order Format (DPOF) bereik van de beelden 2 Het opgeven. Selecteer het eerste beeld en druk op <0>. Selecteer het laatste beeld en druk op <0>. Het pictogram [X] wordt op de geselecteerde beelden weergegeven. Een exemplaar van alle gespecificeerde beelden wordt ingesteld voor printen. Herhaal deze stap om de selectie op te heffen. Als u wilt terugkeren naar het vorige scherm, drukt u op de knop . • Alle beelden in een map Selecteer [Markeer alles in de map] en selecteer de map.
p Beelden selecteren voor een fotoboek U kunt aangeven welke opnamen (maximaal 998) u wilt hebben geprint in een fotoboek. Als u EOS Utility (EOS-software) gebruikt om opnamen over te brengen naar een computer, worden de geselecteerde opnamen naar een speciale map gekopieerd. Deze functie is handig als u online fotoboeken wilt bestellen. 3 Eén beeld tegelijk opgeven 1 Selecteer [Fotoboek instellen]. Selecteer op het tabblad [x1] de optie [Fotoboek instellen] en druk vervolgens op <0>.
p Beelden selecteren voor een fotoboek 3 Het bereik opgeven Geef het bereik op van beelden om alle beelden binnen dit bereik in een keer te selecteren. 1 Selecteer [Selecteer reeks]. Selecteer in [Meerdere] onder [x1: Fotoboek instellen] [Selecteer reeks] en druk op <0>. bereik van de beelden 2 Het opgeven. Selecteer het eerste beeld en druk op <0>. Selecteer het laatste beeld en druk op <0>. Het pictogram [X] wordt op de geselecteerde beelden weergegeven.
p Beelden selecteren voor een fotoboek 3 Alle beelden in een map of op een kaart opgeven U kunt alle beelden in een map of op een geheugenkaart tegelijk opgeven. Als [Meerdere] onder [x1: Fotoboek instellen] is ingesteld op [Alle beelden in map] of [Alle beelden op kaart], worden alle beelden in de map of op de kaart opgegeven. Als u uw selecties wilt annuleren, selecteert u [Verwijder alles in de map] of [Verwijder alles op de kaart]. RAW-opnamen en movies kunnen niet worden geselecteerd.
B: Weergave met opname-informatie De informatie die wordt weergegeven, is afhankelijk van de opnamemodus en de instellingen.
B: Weergave met opname-informatie Weergave met opname-informatie • Gedetailleerde informatie Belichtingscorrectiewaarde Diafragma Sluitertijd Opnamemodus Histogram (Helderheid/RGB) Opnamedatum en -tijd ISO-snelheid Schuifbalk Lichte tonen prioriteit Witbalans Meetmethode Bestandsgrootte Auto Lighting Optimizer (Auto optimalisatie helderheid) Witbalanscorrectie Beeldstijl/Instellingen Waarde voor flitsbelichtingscorrectie/ Ruisonderdrukking bij meerdere opnamen Opnamekwaliteit * Wanneer u opnamen
B: Weergave met opname-informatie • Informatie over lens/histogram Histogramweergave (helderheid) Naam van lens Brandpuntsafstand Histogramweergave (RGB) • Informatie over witbalans • Beeldstijlinformatie 1 • Beeldstijlinformatie 2 • Informatie over kleurruimte en ruisreductie • Informatie over lensafwijkingscorrectie Als u GPS-ontvanger GP-E2 hebt gebruikt om GPS-informatie voor de opname vast te leggen, wordt het scherm GPS-informatie ook weergegeven.
B: Weergave met opname-informatie Voorbeeld van de filminformatieweergave Weergave Diafragma Sluitertijd Filmopnamemodus/ Time-lapse-movie Creatieve filters/ Dig. bldst. v. movies Opname-indeling Movieopnameformaat Framerate Bestandsgrootte movie Opnametijd, weergavetijd Compressiemethode * Als handmatige belichting is gebruikt, worden de sluitertijd, het diafragma en de ISO-snelheid (indien handmatig ingesteld) weergegeven. * Het pictogram wordt weergegeven voor videosnapshots.
B: Weergave met opname-informatie Overbelichtingswaarschuwing Als de opname-informatie wordt weergegeven, worden de overbelichte en uitgeknipte hooglichten knipperend weergegeven. Voor een beter resultaat in de knipperende gedeelten waarvoor u de gradatie waarheidsgetrouw wilt reproduceren, stelt u de belichtingscorrectie in op een negatieve waarde en maakt u de foto opnieuw. Histogram Het helderheidshistogram toont de verdeling van het belichtingsniveau en de algehele helderheid.
11 Opnamen naverwerken Nadat u een foto hebt gemaakt, kunt u een filtereffect toepassen, het formaat van het JPEG-beeld wijzigen (het aantal pixels verkleinen) of het JPEG-beeld bijsnijden. De camera kan mogelijk geen opnamen verwerken die zijn gemaakt met een andere camera. Wanneer de camera met de interfacekabel op een computer is aangesloten, kunt u geen beelden naverwerken op de manier die in dit hoofdstuk wordt beschreven.
U Creatieve filtereffecten toepassen U kunt de volgende creatieve filters toepassen op een opname en deze opslaan als een nieuw bestand: Korrelig Z/W, Soft focus, Fisheyeeffect, Effect kunst opvallend, Aquareleffect, Speelgoedcamera-effect en Miniatuureffect. 1 Selecteer [Creatieve filters]. Selecteer op het tabblad [x1] de optie [Creatieve filters] en druk vervolgens op <0>. Er wordt een opname weergegeven. een opname. 2 Selecteer Selecteer de opname waarop u het filter wilt toepassen.
U Creatieve filtereffecten toepassen de opname op. 5 Sla Selecteer [OK] om de opname op te slaan. Controleer de bestemmingsmap en het beeldbestandsnummer en selecteer [OK]. Als u het filter op nog een opname wilt toepassen, herhaalt u stap 2 t/m 5. Wanneer u 1+73 of 1 beelden maakt, wordt het creatieve filter toegepast op het 1 beeld en wordt het beeld opgeslagen als JPEGbestand.
U Creatieve filtereffecten toepassen Y Effect kunst opvallend Hiermee laat u de foto op een olieverfschilderij lijken en ziet het onderwerp er driedimensionaler uit. U kunt het contrast en de verzadiging aanpassen. Het kan zijn dat onderwerpen zoals de lucht of witte muren niet vloeiend, maar onregelmatig of met aanzienlijke ruis worden weergegeven. Z Aquareleffect Hiermee ziet de foto eruit als een aquarel met zachte kleuren.
S Het formaat van JPEG-beelden wijzigen U kunt het formaat van een JPEG-opname wijzigen om het aantal pixels te reduceren en u kunt de opname vervolgens als nieuw bestand opslaan. Het is alleen bij JPEG 3, 4 en a beelden mogelijk om het formaat te wijzigen. Het formaat van JPEG- b en RAW-beelden kan niet worden gewijzigd. 1 Selecteer [Wijzig formaat]. Selecteer [Wijzig formaat] op het tabblad [32] en druk vervolgens op <0>. Er wordt een opname weergegeven. een opname.
S Het formaat van JPEG-beelden wijzigen Opties voor formaatwijziging op basis van de originele beeldkwaliteit Originele beeldkwaliteit Beschikbare instellingen voor wijziging formaat 3 4 a k k k k k 4 b k a Beeldformaten De beeldformaten volgens de aspect ratio’s worden weergegeven in de onderstaande tabel.
N JPEG-beelden bijsnijden U kunt een JPEG-opname bijsnijden en deze opslaan als een andere opname. Beelden genomen in RAW kunnen niet worden bijgesneden. JPEG-beelden die zijn gemaakt met 1+73 kunnen worden bijgesneden. 1 Selecteer [Trimmen]. Selecteer op het tabblad [x2] de optie [Trimmen] en druk vervolgens op <0>. Er wordt een opname weergegeven. een opname. 2 Selecteer Selecteer de opname die u wilt bijsnijden.
N JPEG-beelden bijsnijden Het bijsnijdkader verplaatsen Druk op de pijltjestoetsen of . Het bijsnijdkader gaat omhoog, omlaag, naar links of naar rechts. U kunt het bijsnijdkader ook aanraken en naar de gewenste positie slepen. De kantelhoek corrigeren Druk op de knop . Controleer de kantelhoek met het weergegeven raster en draai aan het hoofdinstelwiel <5> om de kantelhoek te corrigeren. U kunt de hoek corrigeren tot ±10° in stappen van 0,1°.
12 De camera aanpassen aan uw voorkeuren U kunt verschillende camerafuncties fijner aanpassen aan uw opnamevoorkeuren met behulp van persoonlijke voorkeuzen. Persoonlijke voorkeuzen kunnen alleen worden ingesteld en gebruikt in creatieve modi.
3 Persoonlijke voorkeuzen instellenN 1 Selecteer [Persoonlijke voorkeuze(C.Fn)]. Selecteer op het tabblad [54] de optie [Persoonlijke voorkeuze(C.Fn)] en druk vervolgens op <0>. Nummer van de persoonlijke voorkeuze het nummer van de 2 Selecteer persoonlijke voorkeuze. Druk op de pijltjestoetsen en om het nummer van de persoonlijke voorkeuze te selecteren en druk vervolgens op <0>. de instelling.
3 Persoonlijke voorkeuzen instellenN Persoonlijke voorkeuze ALV- k Movieopnamen opnamen C.Fn I: Belichting 1 Belichtingsniveauverhogingen k k 2 ISO vergroten k k 3 Belichtingscorrectie automatisch annuleren k k k k pag. 402 C.Fn II: Beeld 4 Lichte tonen prioriteit pag. 403 C.Fn III: Autofocus/transport 5 AF-hulplicht 6 Selectiemethode AF-gebied 7 Auto AF-puntselectie: Color Tracking 8 AF-puntweergave tijdens scherpstellen 9 Zoekerweergaveverlichting 10 Spiegel opklappen pag.
3 Persoonlijke voorkeuze-instellingenN De persoonlijke voorkeuzen zijn ondergebracht in vier groepen op basis van functietype: C.Fn I: Belichting, C.Fn II: Beeld, C.Fn III: Autofoc./ transport C.Fn IV: Bediening/overig. C.Fn I: Belichting C.Fn-1 Belichtingsniveauverhogingen 0: 1/3-stop 1: 1/2-stop Hier stelt u verhogingen in stappen van 1/2 stop in voor de sluitertijd, het diafragma, AEB, de flitsbelichtingscorrectie, enzovoort.
3 Persoonlijke voorkeuze-instellingenN C.Fn II: Beeld C.Fn-4 Lichte tonen prioriteit 0: Uitschakelen 1: Inschakelen De lichte details worden verbeterd. Het dynamische bereik wordt uitgebreid van het standaard 18% grijs naar heldere lichte tinten. De overgang tussen grijstinten en lichte tinten wordt geleidelijker. Met instelling 1 wordt Auto Lighting Optimizer (Auto optimalisatie helderheid) (pag. 175) automatisch ingesteld op [Deactiveren] en kan de instelling niet worden gewijzigd.
3 Persoonlijke voorkeuze-instellingenN C.Fn III: Autofocus/transport C.Fn-5 AF-hulplicht Hiermee schakelt u het AF-hulplicht van de ingebouwde flitser of het AF-hulplicht van de externe Speedlite voor EOS-camera’s in of uit. 0: Inschakelen Het AF-hulplicht wordt indien nodig ingeschakeld. 1: Uitschakelen Het AF-hulplicht wordt niet ingeschakeld. Dit voorkomt dat het AF-hulplicht anderen stoort. 2: Alleen ext.
3 Persoonlijke voorkeuze-instellingenN C.Fn II -7 Automatische AF-puntselectie: Color Tracking Gebruik deze functie om automatisch scherp te stellen op kleuren die overeenkomen met huidtinten. Deze functie werkt wanneer de AF-gebiedselectiemodus is ingesteld op Zone-AF (handmatige selectie van een zone), Grote zone-AF (handmatige selectie van een zone) of Automatische selectie AF.
3 Persoonlijke voorkeuze-instellingenN C.Fn -9 Zoekerweergaveverlichting U kunt instellen of de AF-punten in de zoeker rood oplichten wanneer de scherpstelling is bereikt. 0: Automatisch De AF-punten lichten automatisch rood op bij weinig licht. 1: Inschakelen De AF-punten lichten altijd rood op, ongeacht de hoeveelheid omgevingslicht. 2: Uitschakelen De AF-punten lichten niet rood op. Wanneer AI Servo AF is ingesteld, lichten de AF-punten niet rood op, ook niet wanneer is scherpgesteld.
3 Persoonlijke voorkeuze-instellingenN C.Fn IV: Bediening/overig C.Fn-11 Waarschuwingen z in zoeker Wanneer een van de volgende functies is ingesteld, wordt het pictogram linksonder in de zoeker (pag. 34) weergegeven. Ook verschijnt het pictogram op het scherm Snel instellen weergegeven (pag. 58). Selecteer de functie waarvoor u het waarschuwingspictogram wilt weergeven, druk op <0> om er een [X] bij te zetten en selecteer [OK].
3 Persoonlijke voorkeuze-instellingenN C.Fn-13 Lens intrekken als camera wordt uitgeschakeld Dit is de instelling voor het intrekmechanisme van de lens voor het geval dat er een gemotoriseerde STM-lens (zoals EF40mm f/2.8 STM) op de camera is bevestigd. U kunt deze zodanig instellen dat de bevestigde lens automatisch wordt ingetrokken wanneer de aan/uitschakelaar van de camera wordt ingesteld op <2>.
Aangepaste bedieningN U kunt veelgebruikte functies naar wens toewijzen aan cameraknoppen of hoofdinstelwielen voor een eenvoudigere bediening. 1 Selecteer [Persoonlijke voorkeuze(C.Fn)]. Selecteer op het tabblad [54] de optie [Persoonlijke voorkeuze(C.Fn)] en druk vervolgens op <0>. [14: Aangepaste 2 Selecteer bediening]. Het instelscherm Aangepaste bediening wordt weergegeven. een cameraknop of 3 Selecteer instelwiel. Selecteer een cameraknop of hoofdinstelwiel en druk vervolgens op <0>.
Aangepaste bedieningN Toewijsbare functies voor camerabediening Functie AF Belichting Flitser Opnamen Bewerking a Meten en AF-start b AF-stop q Start meten t AE-vergrendeling/FE-vergrendeling A AE-vergrendeling A AE-vergrendeling (bij ingedrukte d FE-vergrendeling f Belichtingscorrectie (knop indrukken en aan S draaien) y Flitsbelichtingscorrectie 0/ Flitsfunctie-instellingen g Beeldkwaliteit M Menuweergave j Geen functie (uitgeschakeld) Pagin 410 410 V r k k k k k k 411 k k
Aangepaste bedieningN t s k k k k k k k k k k k k t: AE-vergrendeling/FE-vergrendeling Normale opnamesituatie (geen flits) Wanneer u op de knop drukt die aan deze functie is toegewezen, kunt u de belichting vergrendelen (AE-vergrendeling) terwijl de meettimer actief is. Dit is handig wanneer u de opname afzonderlijk wilt scherpstellen en meten of een aantal opnamen wilt maken met dezelfde belichtingsinstelling.
Aangepaste bedieningN y: Flitsbelichtingscorrectie Druk op <0> om het instelscherm voor belichtingscorrectie (pag. 218) voor de bevestigde (ingebouwde of externe) flitseenheid op het LCD-scherm weer te geven. 0/3: Flitsfunctie-instellingen Druk op <0> om het instelscherm voor de flitsfunctie (pag. 225) op het LCD-scherm weer te geven. g: Beeldkwaliteit Druk op <0> om het instelscherm voor beeldopnamekwaliteit (pag. 152) op het LCD-scherm weer te geven.
3 Registreer in My MenuN Op het tabblad My Menu kunt u menuopties en persoonlijke voorkeuzen vastleggen waarvan u de instellingen regelmatig wijzigt. U kunt ook de vastgelegde menutabbladen een naam geven en op de knop drukken om het tabblad My Menu als eerste weer te geven. My Menu-tabblad maken en toevoegen 1 Selecteer [My Menu-tab toevoegen]. Selecteer op het tabblad [9] de optie [My Menu-tab toevoegen] en druk vervolgens op <0>. [OK]. 2 Selecteer Het tabblad [MY MENU1] wordt gemaakt.
3 Registreer in My MenuN [Selecteer te registr. 2 Selecteer items]. de gewenste items vast. 3 Leg Selecteer het gewenste item en druk vervolgens op <0>. Selecteer [OK] in het bevestigingsdialoogvenster. U kunt maximaal zes items vastleggen. Druk op de knop om terug te keren naar het scherm van stap 2. Instellingen van het tabblad My Menu U kunt items onder het menutabblad sorteren en verwijderen en het menutabblad een andere naam geven of verwijderen.
3 Registreer in My MenuN Verwijder tab U kunt het My Menu-tabblad dat momenteel wordt weergegeven verwijderen. Selecteer [Verwijder tab] om het tabblad [MY MENU*] te verwijderen. Hernoem tab U kunt de naam van het My Menu-tabblad veranderen van het oorspronkelijke [MY MENU*]. 1 Selecteer [Hernoem tab]. tekst in. 2 Voer Druk op de knop om onnodige tekens te wissen. Druk op de pijltjestoetsen en of en om n te verplaatsen en selecteer het gewenste teken.
3 Registreer in My MenuN Verwijder alle My Menu-tabs/Verwijder alle items U kunt alle gemaakte tabbladen in My Menu of de My Menu-items die daaronder geregistreerd zijn wissen. Verwijder alle My Menu-tabs U kunt alle My Menu-tabbladen die u hebt gemaakt, verwijderen. Wanneer u [Verwijder alle My Menu-tabs] selecteert, worden alle tabbladen van [MY MENU1] tot [MY MENU5] verwijderd en wordt het tabblad [9] teruggezet naar de standaardinstelling.
3 Registreer in My MenuN Menuweergave-instellingen U kunt [Menuweergave] selecteren om het menuscherm in te stellen dat als eerste wordt weergegeven wanneer u op de knop drukt. Normale weergave Hiermee wordt het laatst weergegeven menuscherm weergegeven. Weergave van My Menu-tab Hiermee wordt My Menu weergegeven met het tabblad [9] geselecteerd. Alleen My Menu-tab weergeven Hiermee wordt alleen het tabblad [9] weergegeven. (De tabbladen z, 3, 5 en s worden niet weergegeven.
13 Referentie Dit hoofdstuk biedt referentie voor camerafuncties, systeemaccessoires, enzovoort. Certificaatlogo Selecteer [55: Certificaatlogo weergeven]* en druk op <0> om een aantal logo’s van cameracertificaten weer te geven. Andere certificaatlogo’s zijn te vinden in deze instructiehandleiding, op de camerabehuizing en op de verpakking van de camera. * Weergegeven onder het tabblad [54] tijdens movie-opname.
B-knopfuncties Wanneer u op de knop drukt terwijl de camera gereed is om opnamen te maken, kunt u de weergave wisselen tussen Digitale horizon en Scherm Snel instellen. Met [Weergaveopties z -knop] op het tabblad [53] kunt u aangeven welke opties moeten worden weergegeven wanneer op de knop wordt gedrukt. Selecteer de gewenste optie en druk op <0> om er een bij te zetten. Nadat u de selectie hebt gemaakt, selecteert u [OK] en drukt u vervolgens op <0>.
3 De accugegevens controleren U kunt de status van de accu die u gebruikt controleren op het LCD-scherm. Selecteer [Accu-info]. Selecteer [Accu-info] op het tabblad [53] en druk vervolgens op <0>. Het scherm met de accugegevens wordt weergegeven. Accupositie Model van de accu of stroomvoorziening die u gebruikt. Het accuniveau (pag. 46) wordt weergegeven. Het laadprestatieniveau van de accu wordt aangegeven in drie niveaus. (Groen) : de oplaadprestaties van de accu zijn in orde.
Een gewoon stopcontact gebruiken Met de DC-koppeling DR-E18 en de AC-adapter AC-E6N (elk afzonderlijk verkrijgbaar) kunt u de camera aansluiten op een gewoon stopcontact. 1 Sluit de stekker van de DC-koppeling aan. Plaats de stekker van de DC-koppeling in de aansluiting van de netadapter. het netsnoer aan. 2 Sluit Sluit het netsnoer aan zoals afgebeeld in de illustratie. Verwijder na gebruik van de camera de stekker uit het stopcontact. de DC-koppeling.
Opnamen maken met de afstandsbediening Draadloze afstandsbediening BR-E1 (apart verkocht) U kunt een Bluetooth-verbinding gebruiken met de met Bluetooth low energy technologie-compatibele draadloze afstandsbediening BR-E1 voor op afstand te bedienen handelingen. Om de BR-E1 te kunnen gebruiken, moet u eerst de camera en de afstandsbediening koppelen (het apparaat op de camera registreren). Pairing 1 Selecteer [Inst. draadloze communicatie]. Selecteer op het tabblad [51] de optie [Inst.
Opnamen maken met de afstandsbediening [Pairing]. 5 Selecteer Selecteer [Pairing] en druk vervolgens op <0>. Houd de knoppen en tegelijkertijd 3 seconden of langer ingedrukt. Het koppelen start. Nadat het koppelen is voltooid, is de afstandsbediening op de camera geregistreerd. Raadpleeg de instructiehandleiding voor de draadloze afstandsbediening BR-E1 voor informatie over handelingen na het voltooien van de koppeling.
Opnamen maken met de afstandsbediening 2 Selecteer [Bluetooth-functie]. [Verbindingsinfo contr./ 3 Selecteer wissen] 4 Druk op de knop . Bluetooth-adres van de afstandsbediening [Verbinden…] verschijnt als de afstandsbediening niet bediend wordt. de verbindingsinformatie. 5 Wis Selecteer [OK] en druk op <0>. De verbindingsinformatie van de afstandsbediening wordt gewist.
Opnamen maken met de afstandsbediening Afstandsbediening RC-6 (afzonderlijk verkrijgbaar) Met deze afstandsbediening kunt u wireless opnamen maken op maximaal circa 5 meter afstand van de camera. U kunt de opname direct maken of na een vertraging van twee seconden. Sensor van afstandsbediening Stel de transportmodus in op (pag. 149). Richt de afstandsbediening op de sensor voor de afstandsbediening op de camera en druk vervolgens op de verzendknop. De camera stelt vervolgens automatisch scherp.
Opnamen maken met de afstandsbediening F Afstandsbediening RS-60E3 (afzonderlijk verkrijgbaar) Afstandsbediening RS-60E3 wordt met een snoer van circa 60 cm geleverd. Wanneer de afstandsbediening op de hiervoor bestemde aansluiting van de camera is aangesloten, kan de afstandsbediening half en helemaal worden ingedrukt, net zoals de ontspanknop.
H Eye-Fi-kaarten gebruiken Met een in de handel verkrijgbare en reeds geconfigureerde Eye-Fi-kaart kunt u vastgelegde beelden via een draadloos netwerk automatisch naar een computer overbrengen of naar een onlineservice uploaden. De beeldoverdracht is een functie van de Eye-Fi-kaart.
H Eye-Fi-kaarten gebruiken de instelling [Toegangspunt 5 Controleer SSID:]. Controleer of een toegangspunt wordt weergegeven voor [Toegangspunt SSID:]. U kunt ook het MAC-adres en de firmwareversie van de Eye-Fi-kaart controleren. Druk op de knop om het menu af te sluiten. de opname.
Tabel met beschikbare functies volgens opnamemodus Foto’s maken in basismodi: A7C2345 o: automatisch ingesteld k: door gebruiker in te stellen : niet in te stellen/uitgeschakeld Functie A 7 C 2 3 4 5 Selecteerbare instellingen voor beeldkwaliteit k k k k k k k o o o o o o o Aspect ratio ISO-snelheid Beeldstijl Automatisch ingesteld/Automatisch Handmatig ingesteld Automatisch ingesteld D D D D D D D Handmatige selectie k k Sfeeropnamen Achtergrond wazig Helderheid k k k k K
Tabel met beschikbare functies volgens opnamemodus Functie AF-bediening 1-beeld AF (opnamen met AI Servo AF de zoeker) AI Focus AF AF-bediening (Live 1-beeld AF View-opnamen) Servo AF AF-gebiedselectiemodus AF AF-puntselectie AF-hulplicht A 7 C 2 3 4 o*2 o o 5 o*2 o*2 o o*2 o o*2 o o o o k k o k k k k o k k o k k k k o k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k o o o o o k k k k k k k k k k o k k Programmak
Tabel met beschikbare functies volgens opnamemodus Foto’s maken in basismodi: 8 o: automatisch ingesteld k: door gebruiker in te stellen Functie Selecteerbare instellingen voor beeldkwaliteit : niet in te stellen/uitgeschakeld 8 q C P x 6 F G k k k k k k*1 k*1 o o o o o o o Aspect ratio ISO-snelheid Beeldstijl Automatisch ingesteld/Automatisch Handmatig ingesteld Automatisch ingesteld D D D D D D D Handmatige selectie Sfeeropnamen Achtergrond wazig k Helderheid Kleurtoon Automa
Tabel met beschikbare functies volgens opnamemodus Functie AF-bediening 1-beeld AF (opnamen met AI Servo AF de zoeker) AI Focus AF AF-bediening (Live 1-beeld AF View-opnamen) Servo AF AF-gebiedselectiemodus AF AF-puntselectie AF-hulplicht q o*3 C P o 8 x 6 o o F o G o*3 o o o o k k o k k o k k o k k k k k o k k k k k k k k k k o k k k k o o o*3 o k k o o k k k k o o o Programmakeuze Belichtingscorrectie Belichting AEB AE-vergrendeling Scherptedieptecontrole Intervaltimer*2 Enkel
Tabel met beschikbare functies volgens opnamemodus Foto’s maken in basismodi: v o: automatisch ingesteld k: door gebruiker in te stellen Functie : niet in te stellen/uitgeschakeld v G W X Z H c A B C D Selecteerbare instellingen voor beeldkwaliteit*1 k k k k k k k k k k o o o o o o o o o Aspect ratio ISO-snelheid Beeldstijl Automatisch ingesteld/Automatisch o Handmatig ingesteld Automatisch ingesteld PPDPPPDPPP Handmatige selectie Sfeeropnamen Achtergrond wazig Helderheid Kle
Tabel met beschikbare functies volgens opnamemodus Functie AF-bediening 1-beeld AF (opnamen AI Servo AF met de AI Focus AF zoeker) AF-bediening (Live 1-beeld AF View-opnamen) Servo AF AF-gebiedselectiemodus AF AF-puntselectie AF-hulplicht v G W X Z H c A B C D o*3 o*3 o*3 o*3 o*3 o*3 o o*3 o*3 o o o o o o o o o o o k k o k k o o o k k o k k o o o k k o k k o k k o k k o k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k
Tabel met beschikbare functies volgens opnamemodus Foto’s maken in creatieve modi o: automatisch ingesteld k: door gebruiker in te stellen : niet in te stellen/uitgeschakeld Functie d s f a Selecteerbare instellingen voor beeldkwaliteit k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k Aspect ratio ISO-snelheid Beeldstijl Automatisch ingesteld/Automatisc
Tabel met beschikbare functies volgens opnamemodus AF-bediening (opnamen met de zoeker) Functie d s f a 1-beeld AF k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k AI Servo AF AI Focus AF AF-bediening (Live 1-beeld AF View-opnamen) Servo AF AF-gebiedselectiemodus*3 AF AF-puntselectie AF-hulplicht Programmakeuze Belichtingscorrectie Belichting AEB
Tabel met beschikbare functies volgens opnamemodus Movie-opname o: automatisch ingesteld k: door gebruiker in te stellen Functie A 7 C 2 3 4 : niet in te stellen/uitgeschakeld 5 8 v y d u Selecteer movieopnameformaat k k k k k k k Digitale zoom k k k k k k k HDR-Movie s f a k o k *1 M k k k k k k k k o k k k k k k k k k k k k k o o o k Beeld- Automatisch ingesteld DDDDDDDDP k stijl Handmatige selectie k k k k k k k QQQQQQQQQ k k k k k k k
Tabel met beschikbare functies volgens opnamemodus Functie 2 3 4 5 8 v y d u s f a k M o o o o o o o o o o o o o Gezicht+volgen k k k k k k k k k k k k k Soepel zone k k k k k k k k k k k k k Live één punt AF k k k k k k k k k k k k k Handmatige scherpstelling (MF) k k k k k k k k k k k k k Servo AF voor movies k k k k k k k k k k k k k k k k *2 k k k *3 Lichtmeting AF A 7 C Programmakeuze BelichtingsBeli
Systeemschema ST-E2 ST-E3-RT Oculairverlengstuk EP-EX15II Zoekerloupe MG-Ef 270EX II 430EX III-RT/ 430EX III 600EX II-RT Macro Ring Lite MR-14EX II Macro Twin Lite MT-24EX Standaardaccessoires Oogschelp Ef Rubberframe Ef Riem Dioptrische aanpassingslenzen E-serie Hoekzoeker C Semi-harde cameratas EH26-L/EH27-L Accu LP-E17 Acculader LC-E17E Netadapter AC-E6N*1 Beschermende doek PC-E1 Handriem E2 440 DC-koppeling DR-E18*1
Systeemschema Draadloze GPS-ontvanger afstandsbediening GP-E2*2 BR-E1 Afstandsbediening RC-6 Afstandsbediening RS-60E3 Afstandsbediening met timer TC-80N3 EF-lenzen EF-S-lenzen Afstandsbedieningsadapter RA-E3 HDMI-kabel HTC-100 (2,9 m) Tv/video Stereo-richtmicrofoon DM-E1 Interfacekabel IFC-400PCU (1,3 m) Interfacekabel IFC-200U/500U (1,9 m) / (4,7 m) Connect Station CS100 USB-poort SD-/SDHC-/SDXCgeheugenkaart Kaartlezer Computer Kaartsleuf *1: De AC-adapterset ACK-E18 kan ook worden gebruikt.
3 Menu-instellingen Zoekeropnamen (Basismodi) z: Opname 1 (rood) Pagina Beeldkwaliteit 73/83/74/84/7a/8a/b/ 1+73*/1* 152 Kijktijd Uit / 2 sec. / 4 sec. / 8 sec. / Vastzetten 325 Ontspan sluiter zonder kaart Inschakelen / Uitschakelen 324 Rode-ogen-reductie Uitschakelen / Inschakelen 217 Intervaltimer Uitschakelen / Inschakelen (interval / aantal opnamen) 211 Inschakelen / Uitschakelen Live View-opnamen * Niet selecteerbaar in de modi <8: FG> en .
3 Menu-instellingen Opnamen met de zoeker en Live View-opnamen (Creatieve modi) z: Opname 1 (rood) Pagina Beeldkwaliteit 73/83/74/84/7a/8a/b/1+73/1 152 Kijktijd Uit / 2 sec. / 4 sec. / 8 sec.
3 Menu-instellingen z: Opname 3 (rood) Pagina Meetmethode q Meervlaksmeting / w Deelmeting / r Spotmeting / e Centrum gew.
3 Menu-instellingen z: Opname 6* (Rood) Pagina AF-methode u+Volgen / Soepel zone / Live één punt AF 259 Touch Shutter Uitschakelen / Inschakelen 269 Meettimer 4 sec. / 8 sec. / 16 sec. / 30 sec. / 1 min. / 10 min. / 30 min. 255 Rasterweergave Uit / 3x3 l / 6x4 m / 3x3+diagonaal n * Tab [z6] verschijnt in Live View-opnamen.
3 Menu-instellingen x: Weergave 3 (blauw) Pagina AF-puntweergave Uitschakelen / Inschakelen 388 Histogram Helderheid / RGB 389 Controle over HDMI Uitschakelen / Inschakelen 370 5: Instellingen 1 (Geel) Selecteer map Een map maken en selecteren 327 Nummering: Continu / Auto.
3 Menu-instellingen Wanneer u gebruikmaakt van een draadloze communicatiefunctie, dient u de landen en gebieden voor gebruik te controleren en de wetten en regelgeving van het betreffende land of de betreffende regio na te leven. [51: Draadloze communicatie-instellingen] kunnen niet worden ingesteld als de camera via een interfacekabel met een computer, GPS-ontvanger of ander apparaat is verbonden. 5: Instellingen 2 (geel) Pagina Automatisch uitschakelen 10 sec/30 sec / 30 sec. / 1 min. / 2 min.
3 Menu-instellingen Aandachtspunten bij het gebruik van GPS-ontvanger GP-E2 (afzonderlijk verkrijgbaar) Controleer of in uw land of gebied het gebruik van GPS is toegestaan en volg alle wettelijke voorschriften. Werk de firmware van de GP-E2 bij naar versie 2.0.0 of hoger. (U kunt de kabel niet gebruiken voor de verbinding als de firmwareversie eerder is dan versie 2.0.0.) Bij het bijwerken van de firmware moet u een interfacekabel (afzonderlijk verkrijgbaar, pag. 441) gebruiken.
3 Menu-instellingen 5: Instellingen 5*1 (Geel) Certificaatlogo weergeven*2 Geeft een aantal van de logo’s van de cameracertificaten weer z firmwarever.*3 Voor het bijwerken van de firmware *1: Niet weergegeven voor movie-opnamen. *2: Weergegeven onder het tabblad [54] tijdens movie-opname. *3: Niet weergegeven voor Live View-opnamen. Pagina 419 - Om ongewenste update van de firmware te voorkomen, wordt aanraakbediening uitgeschakeld door [z firmwarever.] te selecteren.
3 Menu-instellingen k Movie-opnamen z: Opname 1 (rood) Pagina Movieopnameformaat • 1920x1080 / 1280x720 / 640x480 • NTSC: 59,94p / 29,97p / 23,98p PAL: 50,00p / 25,00p • Standaard / Licht 287 Digitale zoom Uitschakelen / Ca.
3 Menu-instellingen z: Opname 3 (rood) Pagina Beeldstijl DAutomatisch / PStandaard / QPortret / RLandschap / uGedetailleerd / SNeutraal / UNatuurlijk / VMonochroom / W Gebruiker 1-3 161 Witbalans Q (Sfeerprioriteit) / Qw (Witprioriteit) / W/ E/R/Y/U/D/O/ 169 Handmatige witbalans De witbalans handmatig instellen 171 B/A/M/G-correctie, elk 9 niveaus 173 Witbalans shift z: Opname 4* (Rood) Servo AF voor movies Inschakelen / Uitschakelen 315 AF-methode u+Volgen / Soepel zone / Live één punt
Problemen oplossen Raadpleeg bij problemen met de camera eerst dit gedeelte Problemen oplossen. Als u het probleem hiermee niet kunt oplossen, neem dan contact op met uw dealer of Canon Service Center. Stroomgerelateerde problemen De accu laadt niet op. Gebruik alleen echte Canon-accu’s van het type LP-E17. Het lampje van de acculader knippert.
Problemen oplossen [Communicatiefout voor accu. Wordt op deze accu het Canon-logo weergegeven?] weergegeven. Gebruik alleen echte Canon-accu’s van het type LP-E17. Verwijder de accu en plaats deze weer terug (pag. 40). Als de elektrische contacten van de accu vuil zijn, maakt u deze schoon met een zachte doek. De accu raakt snel leeg. Gebruik een volledig opgeladen accu (pag. 38). Mogelijk presteert de accu niet meer helemaal naar behoren.
Problemen oplossen Opnamegerelateerde problemen De lens kan niet worden bevestigd. De camera kan niet worden gebruikt in combinatie met EF-M-lenzen (pag. 51). De zoeker is donker. Plaats een opgeladen accu in de camera (pag. 38). Er kunnen geen opnamen worden gemaakt of opgeslagen. Controleer of de kaart correct is geplaatst (pag. 41). Schuif het schuifje voor schrijfbeveiliging van de kaart naar de stand voor schrijven/wissen (pag. 41).
Problemen oplossen De opname is onscherp of wazig. Stel de scherpstelmodusknop op de lens in op (pag. 51). Druk voorzichtig op de ontspanknop om cameratrilling te voorkomen (pag. 53-54). Als de lens een Image Stabilizer (beeldstabilisatie) heeft, stelt u de IS-schakelaar in op <1>. Bij weinig licht kan de sluitertijd toenemen. Gebruik een kortere sluitertijd (pag. 192), stel een hogere ISO-snelheid in (pag. 158), gebruik een flitser (pag. 216) of gebruik een statief. Er zijn minder AF-punten.
Problemen oplossen Ik kan de scherpstelling niet vergrendelen en de compositie van de opname niet opnieuw bepalen. Stel de AF-bediening in op 1-beeld AF. Scherpstelvergrendeling is niet mogelijk in de modus AI Servo AF of als servo in werking treedt in de modus AI Focus-AF (pag. 124). Er zijn horizontale strepen zichtbaar of de belichting of kleurtoon ziet er vreemd uit.
Problemen oplossen ISO 100 kan niet worden ingesteld. Selecteer bij [54: Persoonlijke voorkeuze(C.Fn)] als [4: Lichte tonen prioriteit] is ingesteld op [1:Inschakelen], kan ISO 100 niet worden ingesteld. Als [0:Uitschakelen] is ingesteld, kan ISO 100 wel worden ingesteld (pag. 403). Dit geldt ook voor movie-opnamen (pag. 320). Uitgebreide ISO-snelheden kunnen niet worden ingesteld. Selecteer bij [54: Persoonlijke voorkeuze(C.
Problemen oplossen De ingebouwde flitser klapt vanzelf uit. In opnamemodi ( <2> <4> <8: qC6> ) waarvan de standaardinstelling (Automatisch ingebouwde flitser) is, klapt de ingebouwde flitser indien nodig automatisch omhoog. In de modi <8: xG> en de ontspanknop half indrukt bij weinig licht, klapt de ingebouwde flitser mogelijk automatisch uit en wordt het AF-hulplicht mogelijk geactiveerd. De ingebouwde flitser werkt niet.
Problemen oplossen De camera maakt geluid wanneer deze wordt geschud. Er kan een klein beetje geluid te horen zijn wanneer het interne mechanisme van de camera een beetje beweegt. De sluiter maakt bij Live View-opnamen twee keer het geluid van de sluiterknop. Als u de flitser gebruikt, maakt de sluiter bij iedere opname twee sluiterknopgeluiden (pag. 244). Tijdens Live View-opnamen wordt een wit s- of rood E- pictogram weergegeven. Dit geeft aan dat de interne temperatuur van de camera te hoog is.
Problemen oplossen De ISO-snelheid kan niet worden ingesteld voor movie-opname. In andere opnamemodi dan wordt de ISO-snelheid automatisch ingesteld. In de modus kunt u de ISO-snelheid handmatig instellen (pag. 281). De belichting verandert tijdens de movie-opname. Als u tijdens de movie-opname de sluitertijd of het diafragma aanpast, worden de wijzigingen mogelijk in de belichting opgenomen.
Problemen oplossen Wi-Fi Wi-Fi kan niet worden ingesteld. Als de camera via een interfacekabel met een computer, GPSontvanger of ander apparaat is verbonden, kunnen de draadloze functies niet worden ingesteld. ([51: Draadloze communicatieinstellingen] wordt grijs weergegeven). Koppel de interfacekabel los voordat u de instellingen configureert. Raadpleeg de Instructiehandleiding voor de Wi-Fi-functie (draadloze communicatiefunctie).
Problemen oplossen Problemen met weergave op het scherm Het LCD-scherm wordt niet ingeschakeld of plotseling uitgeschakeld. Als er op de oculairafsluiting (pag. 427) stof ligt, wordt het LCDscherm mogelijk niet ingeschakeld of plotseling uitgeschakeld doordat de scherm uit-sensor niet goed werkt. Als dit gebeurt, moet u het stof verwijderen.
Problemen oplossen De weergegeven datum en tijd van de opname zijn onjuist. Controleer of de juiste datum en tijd zijn ingesteld (pag. 47). Controleer de tijdzone en zomertijd (pag. 47). De datum en tijd staan niet op de opname. De opnamedatum en -tijd worden niet op de opname weergegeven. De datum en tijd worden opgeslagen in de beeldgegevens als opname-informatie.
Problemen oplossen Problemen met weergave van opnamen Een gedeelte van de opname knippert zwart. Dit is de overbelichtingswaarschuwing (pag. 389). Overbelichte gebieden met dichtgelopen overbelichte gedeeltes gaan knipperen. De opname kan niet worden gewist. Als de opname tegen wissen is beveiligd, kan deze niet worden verwijderd (pag. 372). De movie kan niet worden afgespeeld. Movies die op een computer zijn bewerkt, kunnen niet worden afgespeeld op de camera.
Problemen oplossen Er zijn verschillende filmbestanden voor één movie-opname. Wanneer de bestandsgrootte van de movie 4 GB bereikt, wordt er automatisch een ander filmbestand gemaakt (pag. 289). Als u echter een SDXC-kaart gebruikt die is geformatteerd met de camera, kunt u movies als één bestand opslaan zelfs als deze groter zijn dan 4 GB. De kaartlezer herkent de kaart niet. Afhankelijk van de kaartlezer en het besturingssysteem van de computer worden SDXC-kaarten mogelijk niet correct herkend.
Problemen oplossen Het beeld vertoont lichte puntjes. Er kunnen witte, rode, blauwe of andere gekleurde lichte puntjes op beelden worden weergegeven als de sensor is beïnvloed door kosmische straling, enz. De weergave van dit soort puntjes kan worden onderdrukt als u [Reinig nuf] onder [54: Sensorreiniging] selecteert (pag. 339). Problemen met sensorreiniging De sluiter maakt een geluid tijdens het reinigen van de sensor.
Foutcodes Foutnummer Als er zich een probleem met de camera voordoet, wordt er een foutmelding weergegeven. Volg de instructies op het scherm. Oorzaak en tegenmaatregelen Nummer Foutmelding en oplossing Communicatie tussen camera en lens is foutief. Reinig lenscontacten. 01 02 Maak de elektrische contacten op de camera en de lens schoon, gebruik een Canon-lens of verwijder de accu en plaats deze weer (pag. 27, 28, 40). Geen toegang tot kaart.
Specificaties • Type Type: Opnamemedia: Grootte beeldsensor: Compatibele lenzen: Objectiefvatting: Digitale AF/AE-spiegelreflexcamera met ingebouwde flitser SD-/SDHC*-/SDXC*-geheugenkaarten * UHS-I-kaarten worden ondersteund circa 22,3 x 14,9 mm Canon EF-lenzen (incl. EF-S-lenzen) * Exclusief EF-M-lenzen (de beeldhoek is gelijk aan 35 mm en is die van een lens met circa 1,6x de aangegeven brandpuntsafstand.
Specificaties Ruisreductie: Van toepassing op lange belichtingstijden en opnamen met een hoge ISO-snelheid Automatische Auto Lighting Optimizer (Auto optimalisatie helderheid) helderheidscorrectie: aanwezig Lichte tonen prioriteit: Beschikbaar Lensafwijkingscorrectie: Correctie helderheid randen, Correctie chromatische aberratie, Vervormingscorrectie, Diffractiecorrectie • Zoeker Type: Weergaveoppervlak: Vergroting: Oogafstand: Bereik dioptrische aanpassing: Matglas: Rasterweergave: Weergegeven digitale
Specificaties • Belichting Meetmethode: Bereik helderheid lichtmeting: Opnamemodus: TTL-meting met diafragmaopening en 63 zones met 7560-pixel RGB plus IR-meetsensor • Meervlaksmeting (koppelbaar aan elk AF-punt) • Deelmeting (circa 6,0% van de zoeker in het midden) • Spotmeting (circa 3,5% van de zoeker in het midden) • Centrum gewicht gemiddeld EV 1 – 20 (bij kamertemperatuur, ISO 100) Basismodi: Scene Intelligent Auto, Flitser uit, Creative Auto, Portret, Landschap, Close-up, Sport, Modus Speciale scè
Specificaties • Sluiter Type: Sluitertijd: Elektronisch gestuurde focal-planesluiter 1/4000 sec. tot 30 sec. (totale sluitertijdenbereik; beschikbaar bereik varieert per opnamemodus), Bulb, X-synchronisatie bij 1/200 sec. • Transportsysteem Transportmodus: Enkelbeeld, Continue opname met hoge snelheid, Continue opname met lage snelheid, 10 sec. zelfontspanner/afstandsbediening, 2 sec. vertraging, 10 sec.
Specificaties • Flitser Ingebouwde flitser: Inklapbare, automatische flitser Richtgetal: circa 12 meter (bij ISO 100) Flitsdekking: ongeveer de beeldhoek van een 17 mm-lens Oplaadtijd: Circa 3 seconden Externe Speedlite: Compatibel met Speedlites uit de EX-serie Flitsmeting: Automatische E-TTL II-flits Flitsbelichtingscorrectie: ±2 stops met tussenstappen van 1/3 of 1/2 stop FE-vergrendeling: Beschikbaar Pc-aansluiting: Geen Flitsbesturing: Ingebouwde flitsfunctie-instellingen, instellingen externe Speedl
Specificaties • Movie-opname Opname-indeling: Movie: Audio: Grootte en framerate van opname: MP4 * Time-lapse-movie-opname MOV MPEG-4 AVC/H.
Specificaties Meetmethode: Gemiddelde meting met nadruk op het midden en meervlaksmeting met de beeldsensor * Automatisch ingesteld door de AF-methode Bereik helderheid EV 0 – 20 (bij kamertemperatuur, ISO 100, met centrum lichtmeting: gewicht gemiddelde meting) Belichting: Opnamen maken met automatische belichting (AE-programma voor movie-opname) en handmatige belichting Belichtingscorrectie: ±3 stops met tussenstappen van 1/3 of 1/2 stop ISO-snelheid Voor opnamen met automatische belichting: ISO 100 – (
Specificaties • Weergave Weergaveformaat voor Weergave van één opname (zonder opname-informatie), opnamen: Weergave van één opname (met basisinformatie), Weergave van één opname (opname-informatie weergegeven: Gedetailleerde informatie, Lens/ histogram, Witbalans, Beeldstijl 1, Beeldstijl 2, Kleurruimte/ruisreductie, Lensafwijkingscorrectie), Indexweergave (4/9/36/100 opnamen) OverbelichtingswaarOverbelichte gedeelten knipperen schuwing: Weergave AF-punt: Aanwezig (wordt mogelijk niet weergegeven afhankeli
Specificaties • Interface DIGITAL-aansluiting: HDMI mini OUTaansluiting: IN-aansluiting externe microfoon: Aansluiting afstandsbediening: Draadloze afstandsbediening: Eye-Fi-kaart: computercommunicatie (Hi-speed USB), aansluiting voor GPS-ontvanger GP-E2, Connect Station CS100 Type C (automatisch wisselen van resolutie), compatibel met CEC Stereomini-aansluiting van 3,5 mm diameter Stereo-richtmicrofoon DM-E1 verbinden Voor afstandsbediening RS-60E3 Compatibel met draadloze afstandsbediening BR-E1 (Blueto
Specificaties • Accu LP-E17 Type: Nominale spanning: Accucapaciteit: Bedrijfstemperatuur: Oplaadbare lithium-ionaccu 7,2 V DC 1040 mAh Voor opladen: 5 °C – 40 °C Voor opnamen: 0 °C – 40 °C 85% of lager Luchtvochtigheid tijdens gebruik: Afmetingen (B x H x D): Circa 33,0 x 14,0 x 49,4 mm Gewicht: Circa 45 g (exclusief beschermende afdekking) • Acculader LC-E17E Compatibele accu: Oplaadtijd: Nominaal ingangsvermogen: Nominaal uitgangsvermogen: Bedrijfstemperatuur: Luchtvochtigheid tijdens gebruik: Afmetin
Handelsmerken Adobe is een handelsmerk van Adobe Systems Incorporated. Microsoft en Windows zijn handelsmerken of gedeponeerde handelsmerken van Microsoft Corporation in de Verenigde Staten en/of andere landen. Macintosh en Mac OS zijn handelsmerken van Apple Inc., gedeponeerd in de Verenigde Staten en andere landen. Het SDXC-logo is een handelsmerk van SD-3C, LLC. HDMI, het HDMI-logo en High-Definition Multimedia Interface zijn handelsmerken of gedeponeerde handelsmerken van HDMI Licensing LLC.
Software van derden Dit product bevat software van derden. expat.
Het gebruik van originele Canon-accessoires wordt aanbevolen Dit product is zodanig ontworpen dat het optimale prestaties levert wanneer het wordt gebruikt in combinatie met originele Canon-accessoires. Het is zeer raadzaam dit product te gebruiken met originele Canon-accessoires.
Uitsluitend bestemd voor de Europese Unie en EER (Noorwegen, IJsland en Liechtenstein) Met deze symbolen wordt aangegeven dat dit product in overeenstemming met de AEEA-richtlijn (2012/19/EU), de richtlijn 2006/66/EG betreffende batterijen en accu’s en/of de plaatselijk geldende wetgeving waarin deze richtlijnen zijn geïmplementeerd, niet bij het normale huisvuil mag worden weggegooid.
VOORZICHTIG ONTPLOFFINGSGEVAAR ALS DE ACCU WORDT VERVANGEN DOOR EEN ONJUIST TYPE. HOUD U BIJ HET WEGGOOIEN VAN GEBRUIKTE BATTERIJEN AAN DE LOKALE VOORSCHRIFTEN HIERVOOR.
14 Verkorte softwarehandleiding / Opnamen downloaden naar een computer In dit hoofdstuk wordt het volgende uitgelegd: Overzicht van de software voor EOS-camera’s De software downloaden en op een computer installeren De software-instructiehandleidingen (PDF-bestanden) downloaden en bekijken Beelden van de camera naar een computer downloaden 487
Verkorte softwarehandleiding Informatie over de software In dit gedeelte wordt een overzicht gegeven van de verschillende softwaretoepassingen voor EOS-camera’s. Een internetverbinding is vereist om de software te downloaden en te installeren. Downloaden en installeren van de software is niet mogelijk zonder internetverbinding. EOS Utility Wanneer de camera op een computer is aangesloten, kunt u EOS Utility gebruiken om foto’s en movies die met de camera zijn opgenomen, naar de computer over te brengen.
Verkorte softwarehandleiding De software downloaden en installeren Sluit de camera pas op de computer aan nadat u de software hebt geïnstalleerd. Anders zal de software niet op de juiste manier worden geïnstalleerd. Zelfs als er al een eerdere versie van de software op uw computer is geïnstalleerd, volgt u de onderstaande procedure om de nieuwste versie te installeren. (De vorige versie wordt overschreven.) 1 Download de software.
De software-instructiehandleidingen (PDF-bestanden) downloaden en bekijken U hebt een internetverbinding nodig om de softwareinstructiehandleidingen (PDF-bestanden) te downloaden. Downloaden is niet mogelijk zonder internetverbinding. 1 Download de software-instructiehandleidingen (PDF-bestanden). Maak verbinding met internet en ga naar de volgende Canonwebsite. www.canon.com/icpd 2 Bekijk de software-instructiehandleidingen (PDF-bestanden).
Opnamen downloaden naar een computer U kunt de EOS-software gebruiken om de opnamen van camera naar een computer te downloaden. Dit kan op twee manieren. Downloaden door de camera op de computer aan te sluiten 1 Installeer de software (pag. 489). een interfacekabel (apart 2 Gebruik leverbaar) om de camera op de computer aan te sluiten. Sluit de kabel aan op de digitalaansluiting van de camera en zorg dat het pictogram van de plug naar de voorkant van de camera wijst.
Opnamen downloaden naar een computer Beelden downloaden met een kaartlezer U kunt een kaartlezer gebruiken om opnamen naar een computer te downloaden. Installeer de software (pag. 489). 1 2 Plaats de kaart in de kaartlezer. Digital Photo 3 Gebruik Professional om de opnamen te downloaden. Raadpleeg de Digital Photo Professional instructiehandleiding.
Index Nummers 1280x720 (movie) .........................287 1920x1080 (movie) .......................287 640x480 (movie) ...........................287 A A (Scene Intelligent Auto) ............84 Aangepaste bediening ..................409 Aanraakbediening ...........................71 Aantal pixels..................................152 Accessoires.......................................3 Accu ....................................38, 40, 46 Achtergrond wazig ..........................92 Achtergrondmuziek .....
Index Opnamesprong (door beelden navigeren) ................................347 Overbelichtingswaarschuwing ...389 Beelden vergroten ................271, 349 Beeldhoek.......................................52 Beeldstijl .......................161, 164, 167 Belichtingscorrectie.......................205 Belichtingsniveauverhogingen ......402 Beschikbare functies per opnamemodus ..............................430 Bestandsextensie .........................331 Bestandsgrootte............
Index exFAT......................................75, 289 Externe Speedlite 9 Flitser Eye-Fi-kaarten ..............................428 F FEB (Flitsbelichtingsbracketing) ...226 FE-vergrendeling ..........................219 Films .............................................275 Microfoon..........................276, 313 Filtereffecten .........................163, 166 Firmware .......................................449 Fisheye-effect ...............
Index I ICC-profiel.....................................187 Indexweergave .............................346 Indicator belichtingsniveau .............34 INFO-knop ............121, 245, 282, 420 Ingebouwde flitser.........................216 Intervaltimer ..................................211 IPB (Licht) .....................................288 IPB (Standaard) ............................288 ISO-snelheid .................158, 278, 281 Automatisch instellen (ISO auto).................................
Index Meetmethode ................................203 Meettimer ..............................255, 316 Menu ...............................................67 Instellingen ...............................442 Instellingsprocedure ...................68 My Menu...................................413 Weergaveniveau.........................59 3 pictogram ..............................15 Menuweergave ...............................61 MF (Handmatige scherpstelling).......................146, 271 Microfoon ..........
Index M (Handmatige belichting) .......197 P (AE-programma) ...................190 4 (Close-up)..............................99 Tv (AE met sluitertijdvoorkeuze) .................192 7 (Flitser uit) ............................89 8 (Speciale scène) ..............101 q (Groepsfoto) ...................102 C (Kinderen) .......................103 P (Voedsel) .........................104 x (Kaarslicht)......................105 6 (Nachtportret)..................106 F (Nachtopnamen uit hand) ......................
Index S Scene Intelligent Auto.....................84 Scherpstelindicator .........................84 Scherpstellen 9 AF Scherpstellen kruismeting.............136 Scherpstelling op basis van dubbele kruismetingen................................136 Scherpstelmodusknop ....51, 146, 271 Scherpstelpunt (AF-punt)..............129 Scherpstelvergrendeling .................87 Scherpte........................................165 Scherptedieptecontrole .................196 Scènepictogrammen .............
Index Voeding Accugegevens..........................421 Accuniveau.........................46, 421 Automatisch uitschakelen.........325 Laadprestatie............................421 Maximum aantal opnamen ....................46, 153, 243 Opladen......................................38 Stopcontact...............................422 Voedsel .........................................104 Volume (movieweergave) .............363 Voorkeuren voor beelden zoeken......................................
CANON INC. 30-2 Shimomaruko 3-chome, Ohta-ku, Tokyo 146-8501, Japan Europa, Afrika en het Midden-Oosten CANON EUROPA N.V. Bovenkerkerweg 59, 1185 XB Amstelveen, Nederland Raadpleeg uw garantiekaart of ga naar www.canon-europe.com/Support voor informatie over uw lokale Canon-vestiging Het product en de bijbehorende garantie worden in Europese landen geleverd door Canon Europa N.V. De beschrijvingen in deze Instructiehandleiding zijn in december 2016 geactualiseerd.