EOS 70D (W) EOS 70D (N) NEDERLANDS Deze handleiding voor de EOS 70D (N) bevat geen uitleg van de Wi-Fi-functies.
Inleiding De EOS 70D (W/N) is een digitale spiegelreflexcamera die is voorzien van een uiterst nauwkeurige CMOS-sensor met circa 20,2 effectieve megapixels, DIGIC 5+, zeer accurate en snelle scherpstelling met 19 AF-punten, continue opnamen met circa 7 frames per seconde, Live view-opnamen, movie-opname in Full High-Definition (Full HD) en Wi-Fi-functie. * De EOS 70D (N) bevat geen Wi-Fi-voorziening. Lees het volgende voordat u begint met opnemen Lees eerst de 'Veiligheidsmaatregelen' (pag.
Compatibele geheugenkaarten De volgende geheugenkaarten, ongeacht de capaciteit, kunnen in de camera worden gebruikt: • SD-geheugenkaarten • SDHC-geheugenkaarten* • SDXC-geheugenkaarten* * UHS-I-kaarten worden ondersteund. Kaarten waarop movies kunnen worden opgeslagen Voor het opnemen van movies moet u een kaart met een hoge capaciteit en een hoge lees-/schrijfsnelheid gebruiken zoals weergegeven in de onderstaande tabel. Compressiemethode (pag. 265) Kaart IPB 6 MB/sec.
Controlelijst onderdelen Controleer voordat u begint of alle onderstaande onderdelen van de camera aanwezig zijn. Neem contact op met uw dealer als er iets ontbreekt. Camera (met cameradop) Accu LP-E6 (met beschermdeksel) Brede draagriem Batterijoplader LC-E6/LC-E6E* Interfacekabel * Batterijoplader LC-E6 of LC-E6E is meegeleverd. (Bij de LC-E6E wordt een netsnoer meegeleverd.) De meegeleverde handleidingen en dvd-/cd-roms worden op de volgende pagina vermeld.
Handleidingen en dvd-/cd-roms De instructiehandleiding bestaat uit boekjes en elektronische handleidingen (als pdf-bestand op de dvd-rom). De basisfuncties worden uitgelegd in de boekjes. Raadpleeg de uitgebreide versie van de handleidingen op de dvd-rom voor meer uitleg over de functies en bedieningsopties. Basisinstructiehandleiding Instructiehandleiding Wi-Fi functie* (basis) * Niet meegeleverd bij de EOS 70D (N).
Verkorte handleiding Plaats de batterij (pag. 30). 1 Zie pagina 28 voor meer informatie over het opladen van de batterij. Plaats een kaart (pag. 31). 2 3 Plaats de kaart in de sleuf met de etiketzijde naar de achterzijde van de camera gericht. Witte markering Rode markering Bevestig het objectief (pag. 40). Lijn de witte of rode bevestigingsmarkering op het objectief uit met de bevestigingsmarkering van dezelfde kleur op de camera. 4 Zet de focusinstellingsknop op het objectief op (pag.
Verkorte handleiding 6 Klap het LCD-scherm uit (pag. 34). 7 Stel scherp op het onderwerp (pag. 45). 8 Maak de opname (pag. 45). 9 Bekijk de opname (pag. 60). Zie pagina 37 wanneer de schermen met datum/tijd/zoneinstelling op het LCD-scherm worden weergegeven. Kijk door de zoeker en richt het midden van de zoeker op het onderwerp. Druk de ontspanknop half in. De camera stelt scherp op het onderwerp. Indien nodig komt de ingebouwde flitser tevoorschijn.
Symbolen en afspraken die in deze handleiding worden gebruikt Pictogrammen in deze handleiding <6> <5> <9> <0> 0, 9, 7, 8 : Het hoofdinstelwiel. : Het snelinstelwiel. : De multicontroller en de drukrichting. : De instelknop. : Hiermee wordt aangeduid dat de desbetreffende functie respectievelijk 4, 6, 10 of 16 seconden actief blijft nadat u de knop loslaat.
Hoofdstukken Voor nieuwe DSLR-gebruikers worden in hoofdstuk 1 en 2 de basisbediening en opnameprocedures voor de camera uitgelegd.
Inhoud Inleiding 2 Compatibele geheugenkaarten ........................................................ 3 Controlelijst onderdelen.................................................................... 4 Handleidingen en dvd-/cd-roms ....................................................... 5 Verkorte handleiding ........................................................................ 6 Symbolen en afspraken die in deze handleiding worden gebruikt ........ 8 Hoofdstukken .......................................
Inhoud 2 Foto's maken met basisfuncties 71 A Volautomatisch opnamen maken (Automatisch/scène) ........... 72 A Volautomatische technieken (Automatisch/scène)................... 75 7 De flitser uitschakelen............................................................... 77 C Creatieve automatische opnamen ............................................ 78 8: Modus Speciale scène .......................................................... 81 2 Portretfoto's maken................................................
Inhoud De witbalans instellen................................................................... 134 O Handmatige witbalans......................................................... 135 P De kleurtemperatuur instellen ............................................. 137 Witbalanscorrectie ........................................................................ 138 Helderheid en contrast automatisch corrigeren............................ 140 Ruisreductie instellen ...............................................
Inhoud 6 Opnamen maken met de flitser 187 D De ingebouwde flitser gebruiken...............................................188 D Een externe Speedlite gebruiken.............................................. 193 De flitser instellen.......................................................................... 195 Draadloze flitser gebruiken ...........................................................203 7 Opnamen maken met het LCD-scherm (Live view-opnamen) 215 A Opnamen maken met het LCD-scherm ............
Inhoud Classificaties instellen .................................................................. 302 Q Snelinstellingen voor weergave .............................................. 304 k Genieten van movies ............................................................. 306 k Movies afspelen ..................................................................... 308 X De eerste en laatste beelden van een movie bewerken ......... 310 Diavoorstelling (automatische weergave) ....................................
Inhoud Persoonlijke voorkeuze-instellingen.............................................. 365 C.Fn I: Belichting ........................................................................365 C.Fn II: Automatische scherpstelling..........................................368 C.Fn III: Bediening/overig...........................................................375 8: Fijnafstelling van het scherpstelpunt bij automatische scherpstelling.....377 8: Aangepaste bediening ...............................................
Functie-index Voeding De batterij opladen Batterijniveau Batterijgegevenscontrole Stopcontact Automatisch uitschakelen pag. 28 pag. 36 pag. 396 pag. 400 pag. 59 Objectief pag. 40 pag. 41 pag. 43 Basisinstellingen Taal Datum/tijd/zone Pieptoon Copyrightinformatie Wis alle camera-instellingen pag. 39 pag. 37 pag. 59 pag. 153 pag. 61 Zoeker Dioptrische aanpassing pag. 44 Oculairdop pag. 183 Digitale horizon (tijdens het fotograferen) pag.
Functie-index Afstandsbediening Snel instellen pag. 184 pag. 50 Belichtingsaanpassingen Belichtingscompensatie AEB Belichtingsvergrendeling Veiligheidsshift pag. 167 pag. 168 pag. 170 pag. 367 Flitser Ingebouwde flitser Externe flitser Instellingen voor externe flitser Draadloze opnamen pag. 188 pag. 193 pag. 195 pag.
Tips en waarschuwingen voor het gebruik Omgaan met de camera Deze camera is een precisie-instrument. Laat de camera niet vallen en stel deze niet bloot aan fysieke schokken. De camera is niet waterdicht en kan niet onder water worden gebruikt. Neem direct contact op met het dichtstbijzijnde Canon Service Center als u de camera per ongeluk in het water laat vallen. Droog de camera af met een schone, droge doek als er waterspatten op zijn gekomen.
Tips en waarschuwingen voor het gebruik Als de camera langere tijd niet is gebruikt, test u alle functies voordat u de camera weer gaat gebruiken. Als u de camera langere tijd niet hebt gebruikt en opnamen wilt gaan maken van een belangrijke gebeurtenis, bijvoorbeeld een reis naar het buitenland, is het raadzaam de camera te laten controleren door uw Canon-dealer of zelf te controleren of de camera goed functioneert.
Namen van onderdelen LCD-paneel (pag. 22) Knop voor transportmodusselectie (pag. 111) AF-modusselectieknop (pag. 100) Markering EF-objectiefvatting (pag. 40) Knop voor ISO-snelheid (pag. 120) Ingebouwde flitser/AF-hulplicht (pag. 188/203) Knop voor meetmethode (pag. 165) Markering EF-S-objectiefvatting (pag. 40) Contactpunten voor flitssynchronisatie Knop voor AF-gebiedselectiemodus (pag. 104) Flitsschoen (pag. 193) Flitsknop (pag. 188) <6> Hoofdinstelwiel (pag.
Namen van onderdelen Scherpstelvlakmarkering AF-startknop (pag. 45, 100, 217, 259) Schakelaar voor Live view-/ movie-opnamen (pag. 215/251) <0> Start-/stopknop (pag. 216, 252) Knop voor AE-/ FE-vergrendeling/ index/verkleinen (pag. 170, 192/296, 298) Knop voor dioptrische aanpassing (pag. 44) Oogschelp (pag. 183) Knop voor AF-puntselectie/ vergroten (pag. 105/298) Zoekeroculair Lees-/schrijfindicator (pag. 33) Aan-uitschakelaar (pag.
Namen van onderdelen LCD-paneel Transportmodus (pag. 111) u Enkelbeeld o Continue opname met hoge snelheid i Continue opname met lage snelheid B Stille enkele opname M Stille continue opname Q Zelfontsp.: 10 sec./afstandsbediening k Zelfontsp.: 2 sec./afstandsbediening Lichte tonen prioriteit (pag. 145) ISO-snelheid (pag. 120) ISO-snelheid (pag. 120) Maximumaantal opnamen Aftelweergave zelfontspanner Bulb-belichtingstijd Foutnummer/foutcode (Err) Resterende opnamen AF-bediening (pag.
Namen van onderdelen Zoekerinformatie Spotmetingscirkel (pag. 165) Eén-punts AF (handmatige selectie) (pag. 103) Zone-AF-punten (pag. 103) Zone-AF (handmatige selectie van een zone) (pag. 103) 19-punts automatische selectie-AF (pag. 103) AF-punten (pag. 103) Matglas Raster (pag. 64) Digitale horizon (pag. 66) Waarschuwingssymbool (pag. 376) Accuniveau (pag. 36) ISOsnelheid (pag. 120) AE-vergrendeling (pag. 170)/AEB actief (pag. 168) Flitser gereed (pag.
Namen van onderdelen Programmakeuzewiel Draai aan het programmakeuzewiel terwijl u de knop in het midden van het programmakeuzewiel ingedrukt houdt (ver-/ontgrendelknop programmakeuzewiel). Creatieve modi Met deze modi is het eenvoudiger om verschillende onderwerpen vast te leggen. d : AE-programma (pag. 158) s : AE-sluitertijdvoorkeuze (pag. 160) f : AE met diafragmavoorkeuze (pag. 162) a : Handmatige belichting (pag. 164) F : Bulb (pag.
Namen van onderdelen Objectief Objectief zonder focusafstandsschaal Scherpstelring (pag. 110, 247) Scherpstelmodusknop (pag. 40) Bevestiging zonnekap (pag. 42) Zoompositiemarkering Filterdraad (voorkant objectief) Zoomring (pag. 41) Schakelaar voor Image Stabilizer (beeldstabilisatie) (pag. 43) Contactpunten (pag. 19) Markering objectiefvatting (pag.
Namen van onderdelen Batterijoplader LC-E6 Lader voor accu LP-E6/LP-E6N (pag. 28). Stekker Accucompartiment Oplaadlampje BELANGRIJKE VEILIGHEIDSINSTRUCTIES - BEWAAR DEZE INSTRUCTIES. GEVAAR - VOLG DEZE INSTRUCTIES NAUWKEURIG OM HET RISICO VAN BRAND EN ELEKTRISCHE SCHOKKEN TE BEPERKEN. Voor aansluiting van een accessoire buiten de Verenigde Staten: gebruik zo nodig een stekkeradapter met de juiste configuratie voor aansluiting op het stopcontact. Batterijoplader LC-E6E Lader voor accu LP-E6/LP-E6N (pag.
1 Aan de slag In dit hoofdstuk worden de voorbereidende stappen en de basisbediening van de camera uitgelegd. De riem bevestigen Haal het uiteinde van de riem van onderaf door de draagriemring. Haal het uiteinde daarna door de gesp van de riem zoals afgebeeld in de illustratie. Trek de riem strak en zorg ervoor dat deze goed vastzit in de gesp. De oculairdop is ook aan de riem bevestigd (pag. 183).
De batterij opladen 1 Verwijder het beschermdeksel. Verwijder het beschermdeksel van de batterij. de batterij. 2 Plaats Plaats de batterij op de juiste manier in de oplader zoals afgebeeld in de illustratie. Om de batterij te verwijderen, herhaalt u de bovenstaande procedure in omgekeerde volgorde. LC-E6 de batterij op. 3 Laad Voor LC-E6 Klap de contactpunten van de batterijoplader naar buiten, in de richting van de pijl, en steek ze in het stopcontact.
De batterij opladen Tips voor het gebruik van de batterij en batterijoplader Bij aankoop is de batterij niet volledig opgeladen. Laad de batterij vóór gebruik op. Het verdient aanbeveling om de batterij op te laden op de dag dat u deze gaat gebruiken of een dag ervoor. Zelfs wanneer de camera is opgeborgen, raakt een opgeladen batterij geleidelijk aan leeg. Verwijder de batterij na het opladen en haal de batterijoplader uit het stopcontact.
De batterij plaatsen en verwijderen Plaats een volledig opgeladen LP-E6/LP-E6N-accu in de camera. De zoeker van de camera wordt verlicht zodra een batterij is geplaatst en wordt donker wanneer de batterij wordt verwijderd. De batterij plaatsen 1 Open het klepje. Schuif het schuifje in de richting van de pijlen en open het klepje. de batterij. 2 Plaats Steek het uiteinde met de batterijcontacten in de camera. Schuif de batterij in de camera totdat de batterij vastzit. het klepje.
De kaart plaatsen en verwijderen U kunt in de camera een SD-, SDHC- of SDXC-geheugenkaart gebruiken (afzonderlijk verkrijgbaar). Ook een UHS-I Speed Class SDHC- of SDXC-geheugenkaart is geschikt. De opnamen worden opgeslagen op de kaart. Zorg ervoor dat het schrijfbeveiligingsschuifje van de kaart omhoog staat zodat schrijven/wissen mogelijk is. De kaart plaatsen 1 Schuifje voor schrijfbeveiliging Open het klepje. Schuif het klepje in de richting van de pijlen om het te openen. de kaart.
De kaart plaatsen en verwijderen Het aantal mogelijke opnamen is afhankelijk van de resterende capaciteit van de kaart, de instelling voor de opnamekwaliteit, de ISO-snelheid, enzovoort. Door [z1: Ontspan sluiter zonder kaart] in te stellen op [Uitschakelen], voorkomt u dat u vergeet een kaart te plaatsen (pag. 408). De kaart verwijderen Lees-/schrijfindicator 1 Open het klepje. Zet de aan-uitschakelaar op <2>. Controleer of de lees-/ schrijfindicator uit is en open vervolgens het klepje.
De kaart plaatsen en verwijderen Wanneer de lees-/schrijfindicator brandt of knippert, betekent dit dat opnamen op de kaart worden gelezen, opgeslagen of gewist, of dat gegevens worden overgebracht. Maak het klepje van de kaartsleuf op dat moment niet open. Verricht ook geen van de volgende handelingen wanneer de lees-/schrijfindicator brandt of knippert. De opnamegegevens, kaart of camera kunnen anders beschadigd raken. • De kaart verwijderen. • De batterij verwijderen.
Het LCD-scherm gebruiken Nadat u het LCD-scherm hebt uitgeklapt, kunt u menufuncties instellen, Live view-opnamen gebruiken, movies opnemen en opnamen en movies weergeven. U kunt de richting en hoek van het LCD-scherm wijzigen. 1 Klap het LCD-scherm uit. het LCD-scherm. 2 Draai Wanneer het LCD-scherm is 180° 90° 175° uitgeklapt, kunt u het scherm naar boven of beneden draaien of naar voren draaien zodat het naar het onderwerp toe is gericht. De weergegeven hoeken zijn slechts bij benadering.
De camera inschakelen Als na het aanzetten van de camera het scherm met datum/tijd/ zone wordt weergegeven, raadpleegt u pagina 37 voor het instellen van de datum, tijd en tijdzone. <1> : De camera is ingeschakeld. <2> : De camera is uitgeschakeld en werkt niet. Zet de aan-uitschakelaar op deze positie wanneer u de camera niet gebruikt. Automatische sensorreiniging Wanneer u de aan-uitschakelaar op <1> of <2> zet, wordt de sensorreiniging automatisch uitgevoerd. (Mogelijk hoort u een zacht, kort geluid.
De camera inschakelen z Het batterijniveau controleren Wanneer de aan-uitschakelaar op <1> staat, heeft het batterijniveau een van de volgende zes niveaus. Een knipperend batterijpictogram (b) geeft aan dat de batterij bijna leeg is.
3 De datum, tijd en tijdzone instellen Wanneer de camera voor het eerst wordt ingeschakeld of als de datum- en tijdinstellingen zijn gereset, wordt het instelscherm Datum/tijd/zone weergegeven. Volg de stappen hieronder om eerst de tijdzone in te stellen. Als u de tijdzone van uw woonplaats op de camera instelt en vervolgens naar een andere tijdzone reist, kunt u eenvoudig de juiste tijdzone voor uw bestemming instellen, zodat de datum en tijd in de camera automatisch worden bijgewerkt.
3 De datum, tijd en tijdzone instellen de datum en de tijd in. 4 Stel Druk op de knop om het getal te selecteren. Druk op <0> zodat wordt weergegeven. Druk op de knop om het getal in te stellen en druk vervolgens op <0>. (U keert terug naar .) de zomertijd in. 5 Stel Stel de zomertijd in als dit nodig is. Druk op de knop om [Y] te selecteren. Druk op <0> zodat wordt weergegeven. Druk op de knop om [Z] te selecteren en druk vervolgens op <0>.
3 De interfacetaal selecteren 1 Geef het menuscherm weer. Druk op de knop om het menuscherm weer te geven. op het tabblad [52] de 2 Selecteer optie [TaalK]. Druk op de knop om het tabblad [52] te selecteren. Druk op de knop om [TaalK] te selecteren en druk vervolgens op <0>. de gewenste taal in. 3 Stel Druk op de toetsen en om de taal te selecteren en druk vervolgens op <0>. De interfacetaal wordt gewijzigd.
Een objectief bevestigen en verwijderen De camera is compatibel met alle Canon EF- en EF-S-objectieven. De camera kan niet worden gebruikt in combinatie met EF-M-objectieven. Een objectief bevestigen 1 Witte markering Rode markering Verwijder de doppen. Verwijder de achterste lensdop en de cameradop door ze los te draaien in de richting die door de pijlen wordt aangegeven. het objectief.
Een objectief bevestigen en verwijderen In- en uitzoomen Draai de zoomring op het objectief met uw vingers. Als u wilt in- of uitzoomen, doe dit dan voordat u scherpstelt. Wanneer u na het scherpstellen aan de zoomring draait, kan de scherpstelling verloren gaan. Het objectief verwijderen Druk op de objectiefontgrendelingsknop en draai het objectief in de richting van de pijlen. Draai het objectief totdat dit niet meer verder kan en koppel het objectief los.
Een objectief bevestigen en verwijderen Beeldconversiefactor Het beeldsensorformaat is kleiner dan bij het 35mm-movieformaat, waardoor de brandpuntsafstand van het objectief circa 1,6 keer zo lang lijkt. Grootte beeldsensor (bij benadering) (22,5 x 15,0 mm) Beeldformaat 35mm (36 x 24 mm) Een lenskap bevestigen Met een zonnekap kan ongewenst licht worden geblokkeerd en wordt de voorkant van het objectief beschermd tegen regen, sneeuw, stof, enzovoort.
Objectieven met Image Stabilizer (beeldstabilisatie) Wanneer u de ingebouwde Image Stabilizer (beeldstabilisatie) van het IS-objectief gebruikt, wordt cameratrilling gecorrigeerd om scherpere opnamen te krijgen. Bij de hier uitgelegde procedure wordt het EF-S 18-135mm f/3.5-5.6 IS STM-objectief als voorbeeld gebruikt. * IS betekent Image Stabilizer (beeldstabilisatie). 1 Zet de IS-schakelaar op <1>. Zet de aan-uitschakelaar van de camera ook op <1>. de ontspanknop half in.
Basisbediening De scherpte van de zoeker aanpassen Draai aan de knop voor dioptrische aanpassing. Draai de knop naar links of rechts zodat de AF-punten in de zoeker scherp zijn. Als het lastig is om de knop te draaien, verwijdert u de oogschelp (pag. 183). Als het beeld in de zoeker na de dioptrische aanpassing van de camera nog niet scherp is, wordt u aangeraden om gebruik te maken van de dioptrische aanpassingslenzen uit de E-serie (afzonderlijk verkrijgbaar).
Basisbediening Ontspanknop De ontspanknop heeft twee stappen. U kunt de ontspanknop half indrukken. Vervolgens kunt u de ontspanknop helemaal indrukken. Half indrukken Hiermee activeert u de automatische scherpstelling en het automatische belichtingssysteem dat de sluitertijd en het diafragma instelt. De belichtingsinstelling (sluitertijd en diafragma) wordt in de zoeker en op het LCD-paneel weergegeven (0). Helemaal indrukken De sluiter ontspant en de opname wordt gemaakt.
Basisbediening Programmakeuzewiel Draai aan het programmakeuzewiel terwijl u de ver-/ontgrendelknop van het programmakeuzewiel in het midden ingedrukt houdt. 6 Hoofdinstelwiel (1) Druk op een knop en draai aan het instelwiel <6>. Wanneer u op een knop als , , of drukt, blijft de desbetreffende functie actief gedurende de tijd die op de timer (9) is ingesteld. Tijdens deze zes seconden kunt u de gewenste instelling maken met het instelwiel <6>.
Basisbediening 5 Snelinstelwiel (1) Druk op een knop en draai aan het instelwiel <5>. Wanneer u op een knop als , , of drukt, blijft de desbetreffende functie actief gedurende de tijd die op de timer (9) is ingesteld. Tijdens deze zes seconden kunt u de gewenste instelling maken met het instelwiel <5>. Wanneer de functie niet meer actief is of als u de ontspanknop half indrukt, is de camera klaar om een opname te maken.
Basisbediening 9 Multicontroller De multicontroller <9> bevat acht toetsen die in de richtingen kunnen worden geduwd zoals aangegeven door de pijlen. Met deze acht knoppen kunt u het AF-punt selecteren, de witbalans corrigeren, het AF-punt of vergrotingskader verplaatsen tijdens Live view-opnamen, over de opname schuiven in de vergrote weergave tijdens afspelen, enzovoort. Bij menu's en Sneltoetsen werkt de multicontroller alleen in verticale en horizontale richting .
Basisbediening U LCD-paneelverlichting Schakel de verlichting van het LCD-paneel in (9) of uit door op de knop te drukken. Wanneer u bij een bulb-opname de ontspanknop volledig indrukt, wordt de verlichting van het LCD-paneel uitgeschakeld. Opname-instellingen weergeven Nadat u een aantal keren op de knop hebt gedrukt, worden de opname-instellingen weergegeven.
Q Snel instellen voor opnamefuncties U kunt de opnamefuncties die worden weergegeven op het LCD-scherm, rechtstreeks selecteren en instellen. Dit heet Quick Control (Snel instellen). 1 Druk op de knop . (7) Het scherm Snel instellen wordt weergegeven. de gewenste functies in. 2 Stel Druk op de toetsen en om een functie te selecteren. De instelling van de geselecteerde functie wordt weergegeven. Draai aan het instelwiel <6> of <5> om de instelling te wijzigen.
Q Snel instellen voor opnamefuncties Instelbare functies in het scherm Snel instellen Diafragma (pag. 162) Flitsbelichtingscompensatie (pag. 193) AE-vergrendeling*2 (pag. 170) Sluitertijd (pag. 160) Opnamemodus*1 (pag. 24) Lichte tonen prioriteit*2 (pag. 145) Belichtingscompensatie/ AEB-instelling (pag. 167 en 168) ISO-snelheid (pag. 120) Wi-Fi-functie*3 Aangepaste bediening (pag. 383) Opnamekwaliteit (pag. 116) Beeldstijl (pag. 126) AF-gebruik (pag.
3 Menugebruik U kunt verschillende functies instellen met de menu's, zoals de opnamekwaliteit, datum/tijd, enzovoort. Terwijl u naar het LCD-scherm kijkt, gebruikt u de knop , , en de knop <0> op de achterzijde van de camera. Knop Knop <0> LCD-scherm Toetsen en Menu's in de basismodi * Een aantal menutabbladen en menu-items wordt niet weergegeven in de basismodi.
3 Menugebruik Procedure voor menu-instellingen 1 Geef het menuscherm weer. Druk op de knop om het menuscherm weer te geven. een tabblad. 2 Selecteer Druk op de knop om een menutabblad te selecteren. In deze handleiding verwijst 'het tabblad [z4]' bijvoorbeeld naar het scherm dat wordt weergegeven als het vierde tabblad z (Opnamen) van links [ ] wordt geselecteerd. het gewenste item. 3 Selecteer Druk op de knop om het item te selecteren en druk vervolgens op <0>.
d Het aanraakscherm gebruiken Het LCD-scherm is een aanraakgevoelig paneel dat u met uw vingers kunt bedienen. Tikken Snel instellen (voorbeeldscherm) Tik met uw vinger op het LCD-scherm (kort aanraken en dan weer loslaten). U kunt menu's, pictogrammen, enzovoort op het LCD-scherm selecteren door erop te tikken. Wanneer bediening via het aanraakscherm mogelijk is, verschijnt er een kader rond het pictogram (behalve in menuschermen).
d Het aanraakscherm gebruiken Slepen Menuscherm (voorbeeldscherm) Sleep uw vinger over het LCD-scherm.
d Het aanraakscherm gebruiken 3 Instellingen voor aanraakbediening 1 Selecteer de optie [Aanraakbediening]. Selecteer op het tabblad [53] de optie [Aanraakbediening] en druk vervolgens op <0>. de aanraakbediening in. 2 Stel Selecteer de gewenste instelling en druk op <0>. [Standaard] is de normale instelling. [Gevoelig] zorgt voor een betere aanraakreactie dan [Standaard]. Probeer beide instellingen uit en selecteer de instelling die u prefereert.
Voordat u begint 3 De kaart formatteren Als de kaart nieuw is of eerder is geformatteerd met een andere camera of computer, moet u de kaart met de camera formatteren. Wanneer de geheugenkaart wordt geformatteerd, worden alle opnamen en gegevens van de kaart verwijderd. Zelfs beveiligde opnamen worden verwijderd; controleer dus of er geen opnamen op de kaart staan die u wilt bewaren. Breng de opnamen en gegevens zo nodig over naar een computer of een ander opslagmedium voordat u de kaart formatteert.
Voordat u begint Formatteer de kaart in de volgende gevallen: De kaart is nieuw. De kaart is geformatteerd met een andere camera of een computer. De kaart is volledig gevuld met opnamen of gegevens. Er wordt een kaartfout weergegeven (pag. 432). Low-levelformattering Voer een low-levelformattering uit als de opname- of leessnelheid van de kaart laag is of als u alle gegevens op de kaart wilt wissen.
Voordat u begint 3 De pieptoon uitzetten U kunt voorkomen dat er een pieptoon klinkt zodra er is scherpgesteld of bij het gebruik van de zelfontspanner en bij bediening via het aanraakscherm. 1 Selecteer [Pieptoon]. Selecteer op het tabblad [z1] de optie [Pieptoon] en druk vervolgens op <0>. [Uitschakelen]. 2 Selecteer Selecteer [Uitschakelen] en druk vervolgens op <0>. Er klinkt geen pieptoon. Indien [Aanr. op ] is geselecteerd, hoort u geen pieptoon tijdens bewerkingen via het aanraakscherm.
Voordat u begint 3 De kijktijd instellen U kunt instellen hoe lang de foto direct na de opname op het LCDscherm wordt weergegeven. Als u wilt dat de camera de opname blijft weergeven, stelt u [Vastzetten] in. Als u de opname niet wilt laten weergeven, stelt u [Uit] in. 1 Selecteer [Kijktijd]. Selecteer op het tabblad [z1] de optie [Kijktijd] en druk vervolgens op <0>. de gewenste tijd in. 2 Stel Selecteer de gewenste instelling en druk op <0>.
Voordat u begint 3 De standaardinstellingen van de camera herstellenN De opname-instellingen en de menu-instellingen van de camera kunnen worden teruggezet naar de standaardinstellingen. 1 Selecteer [Wis alle camerainstellingen]. Selecteer op het tabblad [54] de optie [Wis alle camera-instellingen] en druk vervolgens op <0>. [OK]. 2 Selecteer Selecteer [OK] en druk vervolgens op <0>.
Voordat u begint Instellingen voor opnamekwaliteit Camera-instellingen Beeldkwaliteit 73 Uitschakelen 1 min. Beeldstijl Automatisch Pieptoon Inschakelen Ontspan sluiter zonder kaart Inschakelen Inschakelen/ correctiegegevens blijven behouden Kijktijd 2 sec. AF-puntweergave Deactiveren Correctie chromatische afw. Inschakelen/ correctiegegevens blijven behouden Weergaveraster Uit Histogram Helderheid Movie afs.
Voordat u begint Instellingen voor Live view-opnamen Instellingen voor movie-opnamen AF-methode u+volgen Live view-opname. Inschakelen AF-methode u+volgen Continue AF Inschakelen Touch Shutter Deactiveren Meettimer 16 sec.
Het raster weergeven U kunt een raster weergeven in de zoeker om u te helpen de opname recht te zetten of de compositie te bepalen. 1 Selecteer [Raster in zoeker]. Selecteer op het tabblad [z1] de optie [Raster in zoeker] en druk vervolgens op <0>. [Inschakelen]. 2 Selecteer Selecteer [Inschakelen] en druk vervolgens op <0>. Wanneer u het menu afsluit, wordt het raster weergegeven in de zoeker.
Q De digitale horizon weergeven U kunt op het LCD-scherm en in de zoeker een digitale horizon weergeven om de kanteling van de camera te helpen corrigeren. U kunt alleen de horizontale kanteling controleren en niet de kanteling vooruit of achteruit. De digitale horizon op het LCD-scherm weergeven 1 Druk op de knop . Telkens als u op de knop drukt, wordt de schermweergave vernieuwd. Geef de digitale horizon weer.
Q De digitale horizon weergeven 3 De digitale horizon weergeven in de zoeker tijdens de opname Er kan middenonder in de zoeker een eenvoudige digitale horizon met een camerapictogram worden weergegeven. Omdat deze kan worden weergegeven tijdens de opname, kunt u elke kanteling corrigeren wanneer u opnamen uit de hand maakt. 1 Selecteer [Zoekerniveau]. Selecteer op het tabblad [z1] de optie [Zoekerniveau] en druk vervolgens op <0>. [Weergeven]. 2 Selecteer Selecteer [Weergeven] en druk op <0>.
Q De digitale horizon weergeven 3 De digitale horizon weergeven in de zoeker voorafgaand aan de opnameN In de zoeker kunnen een digitale horizon en een raster worden weergegeven met gebruikmaking van de AF-punten. Dit is handig om kanteling van de camera te corrigeren voordat u opnamen maakt met een statief. 1 Selecteer Persoonlijke voorkeuze III. Selecteer op het tabblad [8] [C.Fn III: Bediening/overig] en druk op <0>. C.Fn III -4 [Aangepaste 2 Selecteer bediening].
Q De digitale horizon weergeven de digitale horizon weer. 5 Geef Druk op de scherptedieptecontroleknop. In de zoeker worden een digitale horizon en een raster weergegeven met gebruikmaking van de AF-punten. 1° Meer dan 6° Zelfs wanneer de kanteling wordt gecorrigeerd, is een foutmarge van ongeveer 1° nog steeds mogelijk. Indien de camera erg is gekanteld, wordt de foutmarge van de digitale horizon groter.
Uitleg en Help In de onderdelen Uitleg en Help vindt u informatie over de camerafuncties. Uitleg De Uitleg verschijnt wanneer u van opnamemodus wisselt of een opnamefunctie instelt, overschakelt op Live view-opnamen of movieopnamen, of wanneer u Snel instellen voor weergave gebruikt. De Uitleg geeft een korte beschrijving van de desbetreffende modus, functie of optie. Ook wordt er een korte beschrijving gegeven wanneer u een functie of optie selecteert in het scherm Snel instellen.
Uitleg en Help Help Wanneer [zHelp] wordt weergegeven onder in het menuscherm, drukt u op de knop om de beschrijving van de functie weer te geven. Indien de Help meer dan één scherm beslaat, verschijnt er rechts een schuifbalk. Draai aan het instelwiel <5> of druk op de toets om te bladeren. Voorbeeld: [z4: Ruisred. lange sluitertijd] B Schuifbalk Voorbeeld: [8C.Fn I-1: Belichtingsniveauverhogingen] B Voorbeeld: [8C.
2 Foto's maken met basisfuncties In dit hoofdstuk wordt uitgelegd hoe u de basismodi op het programmakeuzewiel kunt gebruiken voor de beste resultaten. od i In de basismodi hoeft u de camera alleen maar op het onderwerp te richten en de opname te maken; de camera stelt alles automatisch in (pag. 91 en 404). Bovendien kunnen geavanceerde opname-instellingen (voor gevorderden) niet worden gewijzigd, zodat slechte opnamen als gevolg van foutieve handelingen worden voorkomen.
A Volautomatisch opnamen maken (Automatisch/scène) is een volautomatische modus. De camera analyseert de scène en stelt automatisch de optimale instellingen in. Bovendien past de camera de scherpstelling automatisch aan door te meten of het onderwerp beweegt of niet (pag. 75). 1 Stel het programmakeuzewiel in op . Draai aan het programmakeuzewiel terwijl u de ver-/ontgrendelknop in het midden ingedrukt houdt. Gebied AF-kader het AF-kader op het 2 Richt onderwerp.
A Volautomatisch opnamen maken (Automatisch/scène) de opname. 4 Maak Druk de ontspanknop helemaal in om de opname te maken. De opname wordt 2 seconden lang op het LCD-scherm weergegeven. Nadat u klaar bent met fotograferen, duwt u de ingebouwde flitser weer omlaag. De modus zorgt ervoor dat de kleuren in natuur- en buitenopnamen en opnamen van zonsondergangen er indrukwekkender uitzien.
A Volautomatisch opnamen maken (Automatisch/scène) De flitser is afgegaan terwijl er daglicht is. Bij een onderwerp met tegenlicht kan de flitser afgaan om donkere schaduwen op het onderwerp lichter te maken. Als u niet wilt dat de flitser afgaat, kunt u de optie Quick Control gebruiken om [Flitsen] in te stellen op [b] (pag. 90) of om de <7>-modus (Flitser uit) in te stellen en de opname te maken (pag. 77). De flitser is afgegaan en de resulterende opname is te helder.
A Volautomatische technieken (Automatisch/scène) De compositie opnieuw bepalen Positioneer het onderwerp afhankelijk van de scène links of rechts in beeld, zodat er een uitgebalanceerde achtergrond en een goed perspectief wordt bereikt. In de modus drukt u de ontspanknop half in om scherp te stellen op een niet-bewegend onderwerp. De scherpstelling wordt vergrendeld. U kunt de compositie vervolgens opnieuw bepalen en daarna de ontspanknop volledig indrukken om de opname te maken.
A Volautomatische technieken (Automatisch/scène) A Live view-opnamen U kunt opnamen maken terwijl het zoekerbeeld op het LCD-scherm wordt weergegeven. Dit heet 'Live view-opnamen'. Zie pagina 215 voor meer informatie. de schakelaar voor Live view1 Zet opnamen/movie-opnamen op . het Live view-beeld op het 2 Geef LCD-scherm weer. Druk op de knop <0>. Het Live view-beeld wordt op het LCD-scherm weergegeven. scherp op het onderwerp. 3 Stel Druk de ontspanknop half in om scherp te stellen.
7 De flitser uitschakelen <7> is een volautomatische opnamemodus waarin geen gebruik wordt gemaakt van flitslicht. Deze modus is handig in musea, bij aquaria en op andere plaatsen waar u de flitser niet mag gebruiken. Deze modus is ook geschikt om sfeer vast te leggen, bijvoorbeeld in situaties met kaarslicht. Opnametips Voorkom beweging van de camera als de nummerweergave in de zoeker knippert. Bij weinig licht, wanneer de kans op bewegingsonscherpte groter is, knippert de sluitertijd in de zoeker.
C Creatieve automatische opnamen In de modus kunt u gemakkelijk de achtergrond onscherp maken en de transportmodus en de flitser wijzigen. U kunt de sfeer kiezen die u in uw opnamen wilt vastleggen. De standaardinstellingen zijn hetzelfde als in de modus . * CA staat voor Creative Auto (Automatisch/creatief). 1 Stel het programmakeuzewiel in op . op de knop . (7) 2 Druk Het scherm Snel instellen wordt weergegeven. de gewenste functie in.
C Creatieve automatische opnamen Sluitertijd Diafragma ISO-snelheid (1) (2) (4) (3) Batterijniveau Opnamekwaliteit Maximumaantal opnamen U kunt op de knop drukken om het volgende in te stellen: (1) Sfeeropnamen U kunt de sfeer instellen die u in uw opnamen wilt vastleggen. Draai aan het instelwiel <6> of <5> om de gewenste sfeer te selecteren. U kunt deze ook in een lijst selecteren door op <0> te drukken. Zie pagina 92 voor meer informatie.
C Creatieve automatische opnamen (3) Transportmodus: Draai aan het instelwiel <6> of <5> om de transportmodus te selecteren. U kunt deze ook in een lijst selecteren door op <0> te drukken. Enkelbeeld: Een opname tegelijk maken. Continue opnamen met hoge snelheid: Als u de ontspanknop volledig indrukt, worden er continu opnamen gemaakt. U kunt maximaal circa 7 opnamen per seconde maken. Continue opname met lage snelheid: Als u de ontspanknop volledig indrukt, worden er continu opnamen gemaakt.
8: Modus Speciale scène De camera kiest automatisch de juiste instellingen wanneer u een opnamemodus voor uw onderwerp of scène selecteert. 1 Stel het programmakeuzewiel in op <8>. op de knop . (7) 2 Druk Het scherm Snel instellen wordt weergegeven. een opnamemodus. 3 Selecteer Druk op de toetsen en om een opnamemoduspictogram te selecteren. Draai aan het instelwiel <6> of <5> om een opnamemodus te selecteren.
2 Portretfoto's maken De modus <2> (Portret) maakt de achtergrond onscherp, zodat personen duidelijker naar voren komen. Ook worden de tinten van de huid en het haar zachter gemaakt. Opnametips Hoe groter de afstand tussen het onderwerp en de achtergrond, hoe beter. Hoe groter de afstand tussen het onderwerp en de achtergrond, hoe waziger de achtergrond eruitziet. Ook steekt het onderwerp beter af tegen een gelijkmatige, donkere achtergrond. Gebruik een teleobjectief.
3 Landschapsfoto's maken Gebruik de modus <3> (Landschap) voor panoramafoto's of om alles van dichtbij tot veraf scherp in beeld te krijgen. Voor levendige blauwe en groene tinten en zeer scherpe en heldere opnamen. Opnametips Gebruik bij een zoomlens de groothoekzijde. Wanneer u de groothoekzijde van een zoomlens gebruikt, wordt er beter op onderwerpen die dichtbij of ver weg zijn scherpgesteld dan met de telezijde. Het geeft landschappen ook meer breedte. 's Avonds opnamen maken.
4 Close-ups maken Wanneer u bloemen of kleine onderwerpen van dichtbij wilt fotograferen, gebruikt u de modus <4> (Close-up). Gebruik een macro-objectief (afzonderlijk verkrijgbaar) om kleine onderwerpen veel groter te laten uitkomen. Opnametips Gebruik een eenvoudige achtergrond. Met een simpele achtergrond komen kleine objecten zoals bloemen beter tot hun recht. Nader het onder onderwerp zo dicht mogelijk. Controleer de minimale scherpstelafstand van het objectief.
5 Opnamen maken van bewegende onderwerpen Gebruik de modus <5> (Sport) om bewegende onderwerpen te fotograferen, zoals een rennend kind of een rijdende auto. Opnametips Gebruik een teleobjectief. Voor opnamen vanaf een afstand wordt het gebruik van een teleobjectief aanbevolen. Volg het onderwerp binnen het AF-kader. Richt het middelste AF-punt op het onderwerp en druk de ontspanknop half in om automatisch scherp te stellen in het AF-kader.
6 's Avonds portretfoto's maken (met een statief) Gebruik de modus <6> (Nacht portret) als u 's avonds mensen wilt fotograferen en een natuurlijk uitziende achtergrond wilt hebben. U wordt aangeraden een statief te gebruiken. Opnametips Gebruik een groothoekobjectief en een statief. Gebruik bij een zoomlens de groothoekzijde om in het donker een panorama-effect te verkrijgen. Gebruik tevens een statief om bewegingsonscherpte te voorkomen. Controleer de helderheid van het onderwerp.
F 's Avonds opnamen maken (uit de hand) U bereikt bij nachtelijke opnamen het beste resultaat door een statief te gebruiken. Met de modus (Nachtopnamen uit hand) kunt u echter 's avonds opnamen maken terwijl u de camera in de hand houdt. In deze modus worden er vier continue opnamen gemaakt voor elke foto. Er wordt vervolgens een heldere opname met minder bewegingsonscherpte opgeslagen. Opnametips Houd de camera stevig vast. Houd de camera stevig vast en houd deze stil als u de opname maakt.
G Opnamen met tegenlicht maken Als u een tafereel met zowel lichte als donkere gebieden fotografeert, gebruikt u de modus (HDR-tegenlicht). Wanneer u één foto in deze modus maakt, worden drie continue opnamen met verschillende belichting gemaakt. Het resultaat is één opname met een breed kleurtoonbereik waarbij dichtgelopen schaduwen, veroorzaakt door tegenlicht, tot een minimum zijn beperkt. Opnametips Houd de camera stevig vast. Houd de camera stevig vast en houd deze stil als u de opname maakt.
Aandachtspunten voor <6> Nachtportret en Nachtopnamen uit hand Tijdens Live view-opnamen kan het moeilijk zijn om scherp te stellen op lichtpunten zoals in een avondopname. Stel in dergelijke gevallen de scherpstelmodusknop in op en stel handmatig scherp. Aandachtspunten voor Nachtopnamen uit hand en HDR-tegenlicht Vergeleken met andere opnamemodi is het opnamegebied kleiner. U kunt RAW en RAW+JPEG niet selecteren.
Q Snel instellen HDR Aandachtspunten voor HDR-tegenlicht De opname wordt mogelijk niet vloeiend, maar onregelmatig of met aanzienlijke ruis weergegeven. HDR-tegenlicht is mogelijk niet effectief bij opnamen met overmatig tegenlicht of met een zeer hoog contrast. Q Snel instellen Wanneer in de basismodi het scherm met de opname-instellingen wordt weergegeven, kunt u op de knop drukken om het scherm Snel instellen weer te geven.
Q Snel instellen Functies die in de basismodi kunnen worden ingesteld o: standaardinstelling k: door gebruiker in te stellen : niet in te stellen Functie A 7 C u: Enkelbeeld o: Continue opname met hoge snelheid i: Continue opname met lage snelheid TransportB: Stille enkele opname modus M: Stille continue opname Q Zelfontspanner (pag. 113) k a: Automatisch flitsen Flitsen D: Flitser aan (flitst altijd) b: Flitser uit Sfeeropnamen (pag. 92) Licht-/scèneopnamen (pag.
Opname via sfeerselectie U kunt de sfeer selecteren die u voor de opname wilt gebruiken, behalve wanneer de basismodus , <7> of is ingesteld.
Opname via sfeerselectie Op het LCD-scherm wordt weergegeven hoe de opname er met de geselecteerde sfeerinstelling zal uitzien. het sfeereffect in. 5 Stel Druk op de knop om de effectenbalk te selecteren. [Effect] wordt dan onder in het scherm weergegeven. Druk op de knop om het gewenste effect te selecteren. de opname. 6 Maak Druk de ontspanknop helemaal in om de opname te maken. Druk op de knop <0> om de Live view-modus te verlaten en weer via de zoeker te fotograferen.
Opname via sfeerselectie Sfeerinstellingen Standaard Standaardopnamekenmerken voor de respectieve opnamemodus. Let op: <2> heeft opnamekenmerken die voor portretfoto's zijn geoptimaliseerd en <3> is geoptimaliseerd voor landschapsfoto's. Elke sfeer is een aanpassing van de opnamekenmerken van de respectieve opnamemodus. Levendig Het onderwerp wordt scherp en levendig weergegeven. Met deze sfeerinstelling ziet de foto er indrukwekkender uit dan met de instelling [ Standaard].
Opname via sfeerselectie Helderder De opname wordt lichter weergegeven. Donkerder De opname wordt donkerder weergegeven. Monochroom De opname is monochroom. U kunt de monochroomkleur instellen op zwart-wit, sepia of blauw. Wanneer [Monochroom] is geselecteerd, wordt weergegeven in de zoeker.
Opname via licht of scènetype In de basismodi <2>, <3>, <4> en <5> kunt u opnamen maken waarbij de instellingen met de lichtomstandigheden of het type scène overeenkomen. In de meeste situaties voldoet [ Stand. inst.], maar als de instellingen aan de lichtomstandigheden of het type scène zijn aangepast, zal de opname nauwkeuriger overeenkomen met wat u ziet. Voor Live view-opnamen moet u, als u zowel [Licht-/scèneopnamen] als [Sfeeropnamen] (pag. 92) instelt, eerst [Licht-/scèneopnamen] instellen.
Opname via licht of scènetype in het scherm Snel 4 Selecteer instellen het type licht of scène. Druk op de knop (7). Druk op de toets om [ Stand. inst.] te selecteren. [Licht-/scèneopnamen] wordt weergegeven op het scherm. Druk op de knop om het gewenste type licht of scène te selecteren. De resulterende opname met het geselecteerde type licht of scène wordt weergegeven. de opname. 5 Maak Druk de ontspanknop helemaal in om de opname te maken.
Opname via licht of scènetype Instellingen voor het type licht of scène Stand. inst. Een standaardinstelling die geschikt is voor de meeste onderwerpen. Daglicht Voor onderwerpen in zonlicht. Hiermee zien blauwe luchten en groene gebieden zoals bomen en struiken er natuurlijker uit en worden lichtgekleurde bloemen beter weergegeven. Schaduw Voor onderwerpen in de schaduw. Geschikt voor huidskleurtinten die mogelijk te blauwachtig worden weergegeven en voor lichtgekleurde bloemen.
3 De AF- en transportmodi instellen Dankzij de 19 AF-punten in de zoeker is het mogelijk om op veel verschillende onderwerpen en in allerlei omstandigheden automatisch scherp te stellen. U kunt ook het AF-gebruik en de transportmodus selecteren die voor de opnameomstandigheden en het onderwerp het geschiktst zijn. Het pictogram M rechts boven de paginatitel geeft aan dat de functie alleen in de creatieve modi (d/ s/ f/ a/ F) beschikbaar is.
f: De AF-bediening selecterenN U kunt de eigenschappen selecteren voor de automatische scherpstelling die bij de opnameomstandigheden en het onderwerp passen. In de basismodi wordt het optimale AF-gebruik automatisch ingesteld voor de respectieve opnamemodus. 1 Stel de focusinstellingsknop op het objectief in op . het programmakeuzewiel 2 Draai naar een creatieve modus. 3 Druk op de knop . (9) het AF-gebruik.
f: De AF-bediening selecterenN 1-beeld AF voor niet-bewegende onderwerpen Geschikt voor niet-bewegende onderwerpen. Wanneer u de ontspanknop half indrukt, stelt de camera slechts één keer scherp. Wanneer er is scherpgesteld, wordt het AF-punt waarmee dit is gebeurd weergegeven en brandt het focusbevestigingslampje in de zoeker. AF-punt Bij meervlaksmeting wordt de belichting Focusbevestigingslampje ingesteld op het moment dat op het onderwerp is scherpgesteld.
f: De AF-bediening selecterenN AI Focus AF voor automatisch wisselen van AF-bediening In de modus AI Focus AF schakelt het AF-gebruik automatisch van 1-beeld AF over op AI Servo AF als het onderwerp in beweging komt. Als het onderwerp in beweging komt nadat er met behulp van 1-beeld AF op is scherpgesteld, wordt deze beweging door de camera gesignaleerd. De camera schakelt dan automatisch over op AI Servo AF en blijft het onderwerp volgen.
S Het AF-gebied selecterenN Er zijn 19 AF-punten beschikbaar voor automatische scherpstelling. U kunt een of meer AF-punten selecteren die bij de opnameomstandigheden en het onderwerp passen. AF-gebiedselectiemodus U kunt uit drie AF-gebiedselectiemodi kiezen. Zie de volgende pagina voor de selectiestappen. : Eén-punts AF (handmatige selectie) Selecteer één AF-punt om op scherp te stellen. : Zone-AF (handmatige selectie van een zone) De 19 AF-punten worden in vijf zones verdeeld om op scherp te stellen.
S Het AF-gebied selecterenN De AF-gebiedselectiemodus selecteren 1 Druk op de knop of . (9) Kijk door de zoeker en druk op de knop of . op de knop . 2 Druk Elke keer dat u op de knop AF-gebiedselectiemodus drukt, wordt de AF-gebiedsselectiemodus gewijzigd. Boven aan de zoeker wordt weergegeven welke AF-gebiedselectiemodus op dit moment is ingesteld.
S Het AF-gebied selecterenN Het AF-punt handmatig selecteren U kunt het AF-punt of de AF-zone ook handmatig selecteren. Als 19-punts automatische selectie-AF + AI Servo AF is ingesteld, kunt u elke willekeurige positie kiezen waar AI Servo AF moet beginnen. 1 Druk op de knop of . (9) De AF-punten worden in de zoeker weergegeven. In de Zone-AF-modus wordt de geselecteerde zone weergegeven. een AF-punt. 2 Selecteer De AF-puntselectie verschuift in de richting waarin u <9> duwt.
AF-gebiedselectiemodi Eén-punts AF (handmatige selectie) Selecteer één AF-punt om mee scherp te stellen. Zone-AF (handmatige selectie van een zone) De 19 AF-punten worden in vijf zones verdeeld om op scherp te stellen. Alle AF-punten in de geselecteerde zone worden voor de automatische selectie van het scherpstelpunt gebruikt. Hierdoor kan er eenvoudiger worden scherpgesteld dan met Eén-punts AF en is deze methode effectief voor bewegende onderwerpen.
AF-gebiedselectiemodi 19-punts automatische selectie-AF Alle AF-punten worden gebruikt om op scherp te stellen. Deze modus is automatisch ingesteld in de basismodi. Wanneer bij Eén-punts AF de ontspanknop half wordt ingedrukt, worden de AF-punten waarop is scherpgesteld weergegeven. Als er meer AF-punten worden weergegeven, betekent dat dat er op al deze punten is scherpgesteld. Deze modus stelt normaliter op het dichtstbijzijnde onderwerp scherp.
AF-gebiedselectiemodi AF-gebruik en maximaal diafragma van het objectief Maximaal diafragma van het objectief: f/3.2 - f/5.6 Bij alle AF-punten zijn AF-kruismetingspunten mogelijk gevoelig voor zowel verticale als horizontale lijnen. Bij de onderstaande objectieven kunnen echter met de buitenste AF-punten alleen verticale of horizontale lijnen worden gedetecteerd (geen kruismetingen).
Wanneer niet automatisch kan worden scherpgesteld Soms kan er niet automatisch worden scherpgesteld (het focusbevestigingslampje van de zoeker knippert dan). Dit kan onder meer voorkomen bij de volgende onderwerpen: Onderwerpen waarop moeilijk kan worden scherpgesteld Onderwerpen met erg weinig contrast (bijvoorbeeld strakblauwe luchten, muren met een effen kleur, enzovoort.
Wanneer niet automatisch kan worden scherpgesteld MF: Handmatige scherpstelling 1 Zet de focusinstellingsknop op het objectief op . <4 L> wordt op het LCD-paneel weergegeven. scherpstelring scherp op het onderwerp. 2 Stel Stel scherp door aan de scherpstelring op het objectief te draaien totdat u het onderwerp scherp in de zoeker ziet.
i De transportmodus selecteren De camera heeft transportmodi voor enkele opnamen en continue opnamen. 1 Druk op de knop . (9) de transportmodus. 2 Selecteer Terwijl u naar het LCD-paneel kijkt, draait u aan het instelwiel <6> of <5>. u : Enkelbeeld Wanneer u de ontspanknop helemaal indrukt, wordt er slechts één opname gemaakt. o : Continue opname met hoge snelheid (max. circa 7 opnamen per seconde) i : Continue opname met lage snelheid (max.
i De transportmodus selecteren Als of wordt ingesteld, is de vertraging tussen het volledig indrukken van de ontspanknop en het maken van de opname iets langer dan anders het geval zou zijn bij enkelbeeld en continue opname. De snelheid bij continuopnamen kan iets lager liggen als het batterijniveau laag is. Bij het gebruik van AI Servo AF neemt de snelheid voor continue opname mogelijk enigszins af. Dit is afhankelijk van het onderwerp en het gebruikte objectief.
j De zelfontspanner gebruiken Gebruik de zelfontspanner wanneer u zelf op de foto wilt. 1 Druk op de knop . (9) de zelfontspanner. 2 Selecteer Terwijl u naar het LCD-paneel kijkt, draait u aan het instelwiel <6> of <5> om de zelfontspannervertraging te selecteren. Q : Zelfontspanner:10 sec k : Zelfontspanner:2 sec de opname. 3 Maak Kijk door de zoeker, stel scherp op het onderwerp en druk de ontspanknop helemaal in.
4 Opname-instellingen In dit hoofdstuk worden functie-instellingen voor opnamen uitgelegd: opnamekwaliteit, ISO-snelheid, beeldstijl, witbalans, Auto Lighting Optimizer (Auto optimalisatie helderheid), correctie helderheid randen, chromatische correctie en andere functies. In de basismodi kan alleen het volgende worden ingesteld, zoals beschreven in dit hoofdstuk: opnamekwaliteit, correctie helderheid randen, chromatische correctie, mappen maken en selecteren, en de bestandsnummering van opnamen.
3 De opnamekwaliteit instellen U kunt het aantal pixels en de beeldkwaliteit selecteren. Er zijn acht JPEG-instellingen voor opnamekwaliteit: 73, 83, 74, 84, 7a, 8a, b, c. Er zijn drie RAWinstellingen voor opnamekwaliteit: 1, 41 en 61 (pag. 118). 1 Selecteer [Beeldkwalit.]. Selecteer op het tabblad [z1] de optie [Beeldkwalit.] en druk vervolgens op <0>. de opnamekwaliteit. 2 Selecteer Draai aan het instelwiel <6> om een RAW-instelling te selecteren.
3 De opnamekwaliteit instellen Richtlijnen voor het instellen van de opnamekwaliteit (benadering) Maximumaantal opnamen 6,6 1000 40 (65) 3,5 1920 130 (1920) Afdrukgrootte 20M A2 8,9M A3 5,0M A4 b*1 2,5M 9x13 cm 1,3 4990 4990 (4990) c*2 0,3M - 0,3 19380 19380 (19380) 1 15 (16) 73 83 74 JPEG Bestandsgrootte (MB) Opgeslagen pixels Beeldkwaliteit 84 7a 8a Maximale opnamereeks 3,6 1840 100 (1840) 1,8 3410 3410 (3410) 2,3 2790 430 (2790) 1,2 5200 5200 (5200) 20M A2
3 De opnamekwaliteit instellen Als u zowel RAW als JPEG selecteert, wordt de opname tegelijkertijd als RAW-bestand en als JPEG-bestand op de kaart vastgelegd, met de geselecteerde opnamekwaliteit. De twee opnamen worden opgeslagen met hetzelfde bestandsnummer (bestandsextensie: .JPG voor JPEG en .CR2 voor RAW). De pictogrammen voor opnamekwaliteit worden als volgt aangeduid: 1 (RAW), 41 (Middelgroot RAW), 61 (Klein RAW), JPEG, 7 (Fijn), 8 (Normaal), 3 (Groot), 4 (Middelgroot), 6 (Klein).
3 De opnamekwaliteit instellen Maximale opnamereeks bij continue opnamen De maximale opnamereeks wordt rechtsonder in de zoeker en op het scherm met de opname-instellingen weergegeven. Als de maximale opnamereeks voor continue opname 99 of hoger is, wordt '99' weergegeven. De maximale opnamereeks wordt altijd weergegeven, zelfs als er geen kaart in de camera is geplaatst. Controleer of er een kaart in de camera is geplaatst voordat u een opname maakt.
i: De ISO-snelheid instellenN Stel de ISO-snelheid (de lichtgevoeligheid van de beeldsensor) in op de waarde die voor het omgevingslicht gewenst is. In de basismodi wordt de ISO-snelheid automatisch ingesteld (pag. 122). Raadpleeg pagina 254 en 257 voor meer informatie over de ISOsnelheid tijdens movie-opname. 1 Druk op de knop . (9) de ISO-snelheid in. 2 Stel Terwijl u naar het LCD-paneel of de zoeker kijkt, draait u aan het instelwiel <6> of <5>.
i: De ISO-snelheid instellenN Als [z4: Lichte tonen prioriteit] is ingesteld op [Inschakelen], kunnen ISO 100/125/160 en 'H' (gelijk aan ISO 25600) niet worden ingesteld (pag. 145). Opnamen bij hoge temperaturen kunnen er korreliger uitzien. Lange belichtingstijden kunnen ook afwijkende kleuren in de opname tot gevolg hebben. Wanneer u opnamen maakt bij hoge ISO-snelheden, kan er ruis (zoals lichte puntjes en strepen) op de opname zichtbaar zijn.
i: De ISO-snelheid instellenN Auto ISO Als u de ISO-snelheid instelt op 'A' (auto), wordt de werkelijk in te stellen ISO-snelheid weergegeven wanneer u de ontspanknop half indrukt. Zoals hieronder wordt aangegeven, wordt de ISO-snelheid automatisch aangepast aan de opnamemodus.
i: De ISO-snelheid instellenN 3 Het ISO-snelheidsbereik instellen U kunt het ISO-snelheidsbereik handmatig instellen (er zijn minimum- en maximumlimieten). U kunt de minimumlimiet instellen tussen ISO 100 en ISO 12800 en de maximumlimiet tussen ISO 200 en ISO H (gelijk aan ISO 25600). 1 Selecteer [ISO-snelheidsinst.]. Selecteer op het tabblad [z3] [ISO-snelheidsinst.] en druk vervolgens op <0>. [ISO-snelh.bereik]. 2 Selecteer Selecteer [ISO-snelh.bereik] en druk vervolgens op <0>.
i: De ISO-snelheid instellenN 3 Het ISO-snelheidsbereik voor Auto ISO instellen U kunt het automatische ISO-snelheidsbereik voor Auto ISO tussen ISO 100 en ISO 12800 instellen. U kunt de minimumlimiet instellen tussen ISO 100 en ISO 6400 en de maximumlimiet tussen ISO 200 12800, met tussenstappen van een hele stop. 1 Selecteer [Auto ISO-bereik]. Selecteer [Auto ISO-bereik] en druk vervolgens op <0>. de minimumlimiet in. 2 Stel Selecteer het vak voor de minimumlimiet en druk vervolgens op <0>.
i: De ISO-snelheid instellenN 3 De minimale sluitertijd voor Auto ISO instellen Wanneer Auto ISO is ingesteld, kunt u de minimale sluitertijd instellen (1/250 sec. tot 1 sec.) zodat de automatisch ingestelde sluitertijd niet te traag is. Dit is handig in de modi en wanneer u een groothoekobjectief gebruikt om een opname te maken van een bewegend onderwerp. U kunt zowel onscherpte door beweging van de camera als onscherpte door beweging van het onderwerp voorkomen. 1 Selecteer [Min. sluitertijd].
A Een beeldstijl selecterenN Door een beeldstijl te selecteren, kunt u opnamekenmerken verkrijgen die bij uw fotografische expressie of bij het onderwerp passen. In de basismodi wordt (Auto) automatisch ingesteld. 1 Selecteer [Beeldstijl]. Selecteer op het tabblad [z4] de optie [Beeldstijl] en druk vervolgens op <0>. Het keuzescherm voor beeldstijlen wordt weergegeven. een beeldstijl. 2 Selecteer Druk op de knop om een beeldstijl te selecteren en druk vervolgens op <0>.
A Een beeldstijl selecterenN R Landschap Voor levendige blauwe en groene tinten en zeer scherpe en heldere opnamen. Gebruik deze instelling voor indrukwekkende landschappen. S Neutraal Deze beeldstijl is geschikt voor gebruikers die er de voorkeur aan geven om opnamen met de computer te verwerken. Voor natuurlijke kleuren en ingetogen opnamen. U Natuurlijk Deze beeldstijl is geschikt voor gebruikers die er de voorkeur aan geven om opnamen met de computer te verwerken.
A Een beeldstijl selecterenN Symbolen De symbolen op het scherm waarin de beeldstijl kan worden gekozen, hebben betrekking op parameters zoals [Scherpte] en [Contrast]. De cijfers geven de parameterinstellingen, zoals [Scherpte] en [Contrast], voor elke beeldstijl aan.
A Een beeldstijl aanpassenN U kunt de beeldstijl naar wens aanpassen door afzonderlijke parameters te wijzigen, bijvoorbeeld [Scherpte] en [Contrast]. Maak proefopnamen om het resultaat te bekijken. Zie pagina 131 voor het aanpassen van [Monochroom]. 1 Selecteer [Beeldstijl]. Selecteer op het tabblad [z4] de optie [Beeldstijl] en druk vervolgens op <0>. Het keuzescherm voor beeldstijlen wordt weergegeven. een beeldstijl. 2 Selecteer Selecteer een beeldstijl en druk vervolgens op .
A Een beeldstijl aanpassenN Druk op de knop om de aangepaste parameters op te slaan. Het keuzescherm voor beeldstijlen verschijnt weer. Parameterinstellingen die afwijken van de standaardinstelling worden blauw weergegeven.
A Een beeldstijl aanpassenN V Monochroom aanpassen Voor Monochroom kunt u naast [Scherpte] en [Contrast] (zoals op de vorige pagina is beschreven) ook [Filtereffect] en [Toningeffect] instellen. kFiltereffect U kunt op een monochrome opname witte wolken of groene bomen meer laten afsteken door een filtereffect toe te passen. Filter Voorbeeldeffecten N: Geen Normale zwart-witopname zonder filtereffecten. Ye: Geel De blauwe lucht ziet er natuurlijker uit en witte wolken lijken scherper.
A Een beeldstijl vastleggenN U kunt een basisbeeldstijl selecteren, zoals [Portret] of [Landschap], de parameters daarvan naar wens aanpassen en de stijl vervolgens vastleggen onder [Gebruiker 1], [Gebruiker 2] of [Gebruiker 3]. U kunt meerdere beeldstijlen maken, met verschillende instellingen voor parameters zoals scherpte en contrast. U kunt ook de parameters aanpassen van een beeldstijl die met EOS Utility (meegeleverde software, pag. 457) op de camera is vastgelegd. 1 Selecteer [Beeldstijl].
A Een beeldstijl vastleggenN een parameter. 5 Selecteer Selecteer een parameter, bijvoorbeeld [Scherpte], en druk vervolgens op <0>. de parameter in. 6 Stel Druk op de knop om de parameter naar wens aan te passen en druk vervolgens op <0>. Zie 'Een beeldstijl aanpassen' op pagina 129 voor meer informatie. Druk op de knop om de gewijzigde beeldstijl vast te leggen. Het keuzescherm voor beeldstijlen verschijnt nu weer. De basisbeeldstijl wordt rechts van [Gebruiker *] weergegeven.
3 De witbalans instellenN Witbalans (WB) zorgt ervoor dat witte gebieden er wit uitzien. Bij de instelling (Auto) zal doorgaans automatisch de juiste witbalans worden ingesteld. Als u met de instelling geen natuurlijke kleuren krijgt, kunt u een witbalans selecteren die bij de lichtbron past of de witbalans handmatig instellen door een opname van een wit voorwerp te maken. Bij de basismodi wordt automatisch ingesteld. 1 Selecteer [Witbalans].
3 De witbalans instellenN O Handmatige witbalans De handmatige witbalans wordt gebruikt om voor een specifieke lichtbron handmatig de witbalans in te stellen en zo de nauwkeurigheid te verbeteren. Voer deze procedure uit onder de lichtbron die u daadwerkelijk gaat gebruiken. 1 Fotografeer een wit object. Kijk door de zoeker. Het gebied tussen de gestippelde lijn (zie afbeelding) moet een effen wit object bedekken. Stel handmatig scherp en stel de standaardbelichting voor het witte object in.
3 De witbalans instellenN [Witbalans]. 4 Selecteer Selecteer op het tabblad [z3] de optie [Witbalans] en druk vervolgens op <0>. de handmatige 5 Selecteer witbalans. Selecteer [O] en druk vervolgens op <0>. Als de bij stap 1 verkregen belichting sterk afwijkt van de standaardbelichting, kan dit een incorrecte witbalansinstelling tot gevolg hebben.
3 De witbalans instellenN P De kleurtemperatuur instellen U kunt de kleurtemperatuur voor de witbalans numeriek instellen. Deze instelling is voor geavanceerde gebruikers. 1 Selecteer [Witbalans]. Selecteer op het tabblad [z3] de optie [Witbalans] en druk vervolgens op <0>. de kleurtemperatuur in. 2 Stel Selecteer [P]. Draai het instelwiel <6> om de kleurtemperatuur te selecteren en druk vervolgens op <0>. De kleurtemperatuur kan worden ingesteld van circa 2500 K tot 10.
3 WitbalanscorrectieN U kunt de ingestelde witbalans corrigeren. Deze correctie heeft hetzelfde effect als het gebruik van een in de handel verkrijgbaar kleurtemperatuurconversiefilter of kleurcorrectiefilter. Elke kleur kan in negen niveaus worden gecorrigeerd. Deze functie is voor gevorderde gebruikers die bekend zijn met het gebruik van kleurtemperatuurconversie- of kleurcorrectiefilters. Witbalanscorrectie 1 Selecteer [WB Shift/Bkt.]. Selecteer op het tabblad [z3] [WB Shift/Bkt.
3 WitbalanscorrectieN Automatische witbalansbracketing Het is mogelijk om met één opname tegelijkertijd drie opnamen met een verschillende kleurtoon op te slaan. De opname wordt niet alleen opgeslagen met de kleurtemperatuur van de actuele witbalansinstelling, maar ook met meer blauw/ amber of magenta/groen. Dit worden reeksopnamen met witbalansbracketing genoemd (WB-BKT). Witbalansbracketing is mogelijk in ±3 hele stappen. Stel de witbalansvariatie in.
3 Helderheid en contrast automatisch corrigerenN Als de opname te donker wordt of als het contrast te laag is, kunnen de helderheid en het contrast van de opname automatisch worden verbeterd. Deze functie heet Auto Lighting Optimizer (Auto optimalisatie helderheid). De standaardinstelling is [Standaard]. Bij JPEG-opnamen wordt de correctie toegepast wanneer de opname is gemaakt. Bij de basismodi wordt [Standaard] automatisch ingesteld. 1 Selecteer [Auto Lighting Optimizer/Auto optimalisatie helderheid].
3 Ruisreductie instellenN Hoge ISO-ruisreductie Met deze functie vermindert u de ruis die in een opname ontstaat. Hoewel ruisreductie wordt toegepast bij alle ISO-snelheden, is de functie vooral effectief bij hoge ISO-snelheden. Bij lage ISO-snelheden wordt de ruis in de donkere gedeelten van de opname (de schaduwpartijen) verder gereduceerd. 1 Selecteer [Hoge ISOruisreductie]. Selecteer op het tabblad [z4] [Hoge ISO-ruisreductie] en druk vervolgens op <0>. het niveau in.
3 Ruisreductie instellenN Aandachtspunten voor ruisonderdrukking bij meerdere opnamen Als de opnamen door beweging van de camera erg zijn verschoven, is het effect van de ruisonderdrukking mogelijk minimaal. Wanneer u de camera in de hand houdt, dient u deze goed stil te houden om bewegingsonscherpte te voorkomen. U wordt aangeraden een statief te gebruiken.
3 Ruisreductie instellenN Ruisreductie lange sluitertijd Ruisreductie wordt uitgevoerd bij alle belichtingstijden van 1 seconde of langer. 1 Selecteer [Ruisred. lange sluitertijd]. Selecteer op het tabblad [z4] [Ruisred. lange sluitertijd] en druk vervolgens op <0>. de gewenste optie in. 2 Stel Selecteer de gewenste instelling en druk op <0>.
3 Ruisreductie instellenN Bij de instellingen [Automatisch] en [Inschakelen] duurt het reduceren van ruis na het maken van de opname ongeveer even lang als het instellen van de juiste belichting. Opnamen maken is niet mogelijk wanneer ruisreductie wordt uitgevoerd. Opnamen bij een ISO-instelling van 1600 of hoger zien er mogelijk korreliger uit met de instelling [Inschakelen] dan met de instelling [Uitschakelen] of [Automatisch].
3 Lichte tonen prioriteitN U kunt overbelichting van lichte gebieden minimaliseren. 1 Selecteer [Lichte tonen prioriteit]. Selecteer op het tabblad [z4] [Lichte tonen prioriteit] en druk vervolgens op <0>. [Inschakelen]. 2 Selecteer Selecteer [Inschakelen] en druk vervolgens op <0>. De lichte details worden verbeterd. Het dynamische bereik wordt uitgebreid van het standaard 18% grijs naar heldere lichte tinten. De overgang tussen grijstinten en lichte tinten wordt geleidelijker. de opname.
3 Correctie helderheid randen/Chromatische correctie Lichtafval is een verschijnsel dat ervoor zorgt dat de hoeken van de opname donkerder eruit zien als gevolg van de fysieke eigenschappen van de lens. Een andere afwijking is het verschijnen van kleurranden rond de contouren van het onderwerp. Dit heet chromatische abberatie. Deze lensafwijkingen kunnen beide worden gecorrigeerd. De standaardinstelling is [Inschakelen] voor beide correcties.
3 Correctie helderheid randen/Chromatische correctie Chromatische correctie 1 Selecteer de instelling. Controleer of [Correctiegegevens beschikbaar] wordt weergegeven voor het gebruikte objectief. Selecteer [Chromatische afw.] en druk vervolgens op <0>. Selecteer [Inschakelen] en druk vervolgens op <0>. Als [Correctiegeg. niet beschikbaar] wordt weergegeven, raadpleegt u 'Correctiegegevens voor het objectief' op de volgende pagina. de opname.
3 Correctie helderheid randen/Chromatische correctie Correctiegegevens voor het objectief De camera beschikt al over gegevens voor correctie helderheid randen en chromatische correctie voor ongeveer 25 objectieven. Als u [Inschakelen] selecteert, worden de correctie helderheid randen en de chromatische correctie automatisch toegepast voor elk objectief waarvoor correctiegegevens in de camera zijn opgenomen.
3 Een map maken en selecteren U kunt naar wens mappen maken en selecteren waarin de opnamen worden opgeslagen. Deze handeling is optioneel, aangezien er automatisch een map voor de opslag van opnamen wordt gemaakt. Een map maken 1 Selecteer [Selecteer map]. Selecteer op het tabblad [51] de optie [Selecteer map] en druk vervolgens op <0>. [Maak map]. 2 Selecteer Selecteer [Maak map] en druk vervolgens op <0>. een nieuwe map. 3 Maak Selecteer [OK] en druk vervolgens op <0>.
3 Een map maken en selecteren Een map selecteren Laagste bestandsnummer Aantal opnamen in de map Open het scherm Selecteer map, selecteer een map en druk op <0>. De map waarin de opnamen worden opgeslagen, is geselecteerd. Volgende opnamen zullen in de geselecteerde map worden opgeslagen. Mapnaam Hoogste bestandsnummer Mappen De mapnaam begint met drie cijfers (het mapnummer), gevolgd door vijf alfanumerieke tekens. Bijvoorbeeld: '100CANON'.
3 Methoden voor bestandsnummering De beeldbestanden worden genummerd van 0001 tot 9999 in de volgorde waarin de opnamen zijn gemaakt. Vervolgens worden de bestanden in een map opgeslagen. U kunt instellen hoe het bestandsnummer wordt toegewezen. 1 (Voorbeeld) IMG_0001.JPG Bestandsnummer Selecteer [Bestandnr.]. Selecteer op het tabblad [51] de optie [Bestandnr.] en druk vervolgens op <0>. de methode voor 2 Selecteer bestandsnummering. Selecteer de gewenste instelling en druk op <0>.
3 Methoden voor bestandsnummering Auto. reset De bestandsnummering begint elke keer opnieuw bij 0001 nadat de kaart is vervangen of een nieuwe map is gemaakt. Als u de kaart vervangt of een map maakt, begint de bestandsnummering weer bij 0001 voor de nieuwe opnamen. Dit is handig als u de opnamen per kaart of map wilt archiveren.
3 Copyrightinformatie instellenN Wanneer u de copyrightinformatie instelt, wordt deze als Exif-informatie aan de opname toegevoegd. 1 Selecteer [Copyrightinformatie]. Selecteer op het tabblad [54] de optie [Copyrightinformatie] en druk vervolgens op <0>. de optie die u wilt 2 Selecteer instellen. Selecteer [Voer naam van auteur in] of [Voer copyrightdetails in] en druk vervolgens op <0>. tekst in. 3 Voer Druk op de knop .
3 Copyrightinformatie instellenN de instelling. 4 Verlaat Nadat u de tekst hebt ingevoerd, drukt u op de knop en selecteert u [OK]. De informatie wordt opgeslagen en het scherm gaat terug naar stap 2. De copyrightinformatie controleren Wanneer u bij stap 2 [Geef copyrightinfo weer] selecteert, kunt u de ingevoerde gegevens voor [Auteur] en [Copyright] controleren.
3 De kleurruimte instellenN Het bereik van reproduceerbare kleuren wordt 'kleurruimte' genoemd. Met deze camera kunt u de kleurruimte voor opnamen instellen op sRGB of Adobe RGB. Voor normale opnamen wordt sRGB aanbevolen. Bij de basismodi wordt sRGB automatisch ingesteld. 1 Selecteer [Kleurruimte]. Selecteer op het tabblad [z3] de optie [Kleurruimte] en druk op <0>. de gewenste kleurruimte in. 2 Stel Selecteer [sRGB] of [Adobe RGB] en druk vervolgens op <0>.
5 Geavanceerde functies In de creatieve modi kunt u de sluitertijd en/of het diafragma aanpassen om de gewenste belichting in te stellen. Door de instellingen van de camera te wijzigen, kunt u verschillende resultaten krijgen. Het pictogram M rechts boven de paginatitel geeft aan dat de functie alleen in de creatieve modi (d/ s/ f/ a/ F) beschikbaar is. Als u de ontspanknop half indrukt en weer loslaat, worden de belichtingswaarden gedurende 4 seconden in de zoeker en op het LCD-paneel (0) weergegeven.
d: AE-programma De camera stelt automatisch de sluitertijd en het diafragma in die het beste bij de helderheid van het onderwerp passen. Dit heet AE-programma. * staat voor programma. * AE staat voor automatische belichting (Auto Exposure). 1 Stel het programmakeuzewiel in op . scherp op het onderwerp. 2 Stel Kijk door de zoeker en richt het AFpunt op het onderwerp. Druk de ontspanknop vervolgens half in.
d: AE-programma Wanneer de sluitertijd '30"' en het laagste f-getal knipperen, is er sprake van onderbelichting. Verhoog de ISO-snelheid of gebruik de flitser. Wanneer de sluitertijd '8000' en het hoogste f-getal knipperen, is er sprake van overbelichting. Verlaag de ISO-snelheid of gebruik een ND-filter (afzonderlijk verkrijgbaar) om de hoeveelheid licht die op de lens valt te verminderen.
s: AE met sluitertijdvoorkeuze In deze modus stelt u de sluitertijd in en stelt de camera automatisch het diafragma in om de standaardbelichting te verkrijgen die bij de helderheid van het onderwerp past. Dit heet AE met sluitertijdvoorkeuze. Een kortere sluitertijd kan de actie van een bewegend onderwerp als het ware bevriezen. Een langere sluitertijd geeft een wazig effect, wat de indruk van beweging wekt. * staat voor Time value (tijdwaarde).
s: AE met sluitertijdvoorkeuze Wanneer het laagste f/-getal knippert, is er sprake van onderbelichting. Draai aan het instelwiel <6> om een langere sluitertijd in te stellen totdat de diafragmawaarde niet meer knippert, of stel een hogere ISO-snelheid in. Wanneer het hoogste f/getal knippert, is er sprake van overbelichting. Draai aan het instelwiel <6> om een kortere sluitertijd in te stellen totdat de diafragmawaarde niet meer knippert, of stel een lagere ISO-snelheid in.
f: AE met diafragmavoorkeuze In deze modus stelt u het gewenste diafragma in en stelt de camera automatisch de sluitertijd in om de standaardbelichting te verkrijgen die past bij de helderheid van het onderwerp. Dit heet AE met diafragmavoorkeuze. Bij een hoger f/getal (een kleiner diafragma) vallen de voorgrond en achtergrond meer samen binnen de acceptabele scherpstelling.
f: AE met diafragmavoorkeuze Als de '30"'-sluitertijd knippert, is er sprake van onderbelichting. Draai aan het instelwiel <6> om een groter diafragma (lager f/-getal) in te stellen totdat het knipperen van de sluitertijd stopt, of stel een hogere ISO-snelheid in. Wanneer de sluitertijd '8000' knippert, is er sprake van overbelichting. Draai aan het instelwiel <6> om een kleiner diafragma (hoger f/getal) in te stellen totdat het knipperen van de sluitertijd stopt, of stel een lagere ISO-snelheid in.
a: Handmatige belichting In deze modus stelt u zowel de sluitertijd als het diafragma naar wens in. Raadpleeg de indicator voor het belichtingsniveau in de zoeker of gebruik een in de handel verkrijgbare belichtingsmeter om de belichting te bepalen. Deze methode heet handmatige belichting. * staat voor Manual (handmatig). het programmakeuzewiel in 1 Stel op . 2 Stel de ISO-snelheid in (pag. 120). de sluitertijd en het diafragma in.
q De meetmethode selecterenN Als ISO Auto is ingesteld, wordt de ISO-snelheid aangepast aan de sluitertijd en het diafragma om een standaardbelichting te verkrijgen. Daardoor verkrijgt u mogelijk niet het gewenste belichtingseffect. Als in [z3: Auto Lighting Optimizer/z3: Auto optimalisatie helderheid] bij [Uitges. in modus M of B] wordt verwijderd, kan Auto Lighting Optimizer (Auto optimalisatie helderheid) worden ingesteld in de modi en (pag. 140).
q De meetmethode selecterenN w Deelmeting Deze methode is effectief wanneer de achtergrond veel helderder is dan het onderwerp (bijvoorbeeld bij tegenlicht). De lichtmeting wordt uitgevoerd in het midden en beslaat ongeveer 7,7% van het oppervlak van de zoeker. r Spotmeting Hiermee kunt u een lichtmeting uitvoeren voor een specifiek gedeelte van het onderwerp. De meting wordt uitgevoerd in het midden en beslaat ongeveer 3,0% van het oppervlak van de zoeker. e Centrum gew.
Belichtingscompensatie instellenN Belichtingscompensatie wordt gebruikt om de standaardbelichting die door de camera is ingesteld lichter (langere belichting) of donkerder (kortere belichting) te maken. Belichtingscompensatie kan worden ingesteld in de opnamemodi d/s/f. De belichtingscompensatie kan worden ingesteld op ±5 stops met tussenstappen van 1/ 3 stop. De belichtingscompensatie-indicator in de zoeker en op het LCD-paneel kan de instelling echter alleen tot ±3 stops weergeven.
h Bracketing met automatische belichting (AEB)N Als de sluitertijd of het diafragma automatisch wordt gewijzigd, wordt het belichtingsniveau voor drie opeenvolgende opnamen gewijzigd tot ongeveer 3 stops met tussenstappen van 1/3 stop. Dit heet AEB. * AEB staat voor Auto Exposure Bracketing (bracketing met automatische belichting). 1 Selecteer [Bel.comp./AEB]. Selecteer op het tabblad [z3] de optie [Bel.comp./AEB] en druk op <0>. het AEB-bereik in.
h Bracketing met automatische belichting (AEB)N Tijdens bracketing met automatische belichting knippert in de zoeker en op het LCD-paneel. Als de transportmodus staat ingesteld op of , moet u de ontspanknop driemaal indrukken voor elke opname. Wanneer , of is ingesteld en u de ontspanknop volledig ingedrukt houdt, worden drie continuopnamen gemaakt, waarna de camera automatisch stopt met het maken van opnamen.
A AE-vergrendelingN Gebruik AE-vergrendeling wanneer het gebied waarop u wilt scherpstellen afwijkt van het lichtmetingsgebied, of wanneer u meerdere foto's wilt nemen met dezelfde belichtingsinstelling. Druk op de knop om de belichting te vergrendelen, maak een nieuwe compositie en maak de opname. Dit heet AE-vergrendeling. Belichtingsvergrendeling is geschikt voor bijvoorbeeld onderwerpen met tegenlicht. 1 Stel scherp op het onderwerp. Druk de ontspanknop half in.
F: Bulb-belichting In deze modus blijft de sluiter open zolang u de ontspanknop volledig ingedrukt houdt. Zodra u de ontspanknop loslaat, gaat de sluiter dicht. Dit heet bulb-belichting. Gebruik de instelling voor bulb-belichting voor nachtopnamen, opnamen van vuurwerk, de sterrenkundige objecten en andere opnamen waarvoor een lange belichting is vereist. 1 Stel het programmakeuzewiel in op . het gewenste diafragma in.
w: HDR-opnamen (High Dynamic Range)N Details in de hoge lichten en in de schaduwen worden behouden, zodat er een groot dynamisch bereik wordt behaald, ook bij zeer contrastrijke scènes. HDR-opnamen zijn effectief bij het fotograferen van landschappen en stillevens. Bij het maken van HDR-opnamen worden voor elke foto drie opnamen met verschillende belichtingstijden (standaardbelichting, onderbelichting en overbelichting) vastgelegd. Deze worden vervolgens automatisch samengevoegd.
w: HDR-opnamen (High Dynamic Range)N [Continue HDR] in. 3 Stel Selecteer [1 opname] of [Elke opname] en druk vervolgens op <0>. Met [1 opname ] wordt het maken van HDR-opnamen automatisch geannuleerd nadat de opname is gemaakt. Met [Elke opname] blijft u HDRopnamen maken tot de instelling in stap 2 wordt ingesteld op [HDR uitsch.]. [Beeld aut. uitl.] in. 4 Stel Selecteer [Inschakelen] voor het maken van opnamen vanuit de hand. Selecteer [Uitschakelen] wanneer u een statief gebruikt en druk op <0>.
w: HDR-opnamen (High Dynamic Range)N Als u een bewegend onderwerp fotografeert, kan de beweging van het onderwerp nabeelden achterlaten en kan het gebied om het onderwerp heen donker worden. Om bewegingsonscherpte te voorkomen, kan de ISO-snelheid hoger worden ingesteld dan gebruikelijk. Als ISO vergroten is geselecteerd, kunnen geen HDR-opnamen worden gemaakt. (HDR-opnamen zijn mogelijk binnen het bereik van ISO 100 - 12800.) Als u HDR-opnamen maakt terwijl [Beeld aut. uitl.
P Meervoudige belichtingN U kunt twee tot negen opnamen met verschillende belichtingen laten samenvoegen tot één opname. Als u in de Live view-modus (pag. 215) opnamen met meervoudige belichting maakt, kunt u zien hoe de afzonderlijke opnamen met verschillende belichtingen worden samengevoegd tijdens het fotograferen. 1 Selecteer [Meerdere opnames]. Selecteer op het tabblad [z4] de optie [Meerdere opnames] en druk vervolgens op <0>. [Meerdere opnamen] in.
P Meervoudige belichtingN [Meerdere opn] in. 3 Stel Selecteer de gewenste methode voor de meervoudige belichting en druk op <0>. Additief Iedere afzonderlijke belichting wordt cumulatief toegevoegd. Op basis van het [Aantal opnames] moet u een negatieve belichtingscompensatie instellen. Raadpleeg de onderstaande richtlijnen voor het instellen van een negatieve belichtingscompensatie.
P Meervoudige belichtingN [Doorg. meerd.opn.] in. 5 Stel Selecteer [1 opname] of [Continu] en druk vervolgens op <0>. Met [1 opname ] wordt het maken van opnamen met meervoudige belichting automatisch geannuleerd nadat de opname is gemaakt. Met [Continu] blijft u opnamen met meervoudige belichting maken tot de instelling in stap 2 wordt ingesteld op [Uitschakelen]. de eerste opname. 6 Maak De opname wordt weergegeven. Aantal resterende opnamen Het pictogram
knippert.
P Meervoudige belichtingN Alleen de samengevoegde opname met meervoudige belichting wordt opgeslagen. De opnamen die zijn gemaakt in stappen 6 en 7 voor de opname met meervoudige belichting, worden niet opgeslagen. Bij meervoudige belichting geldt: hoe meer belichtingen er plaatsvinden, hoe groter de kans is op ruis, afwijkende kleuren en strepen in de opnamen. Aangezien er bij hogere ISO-snelheden meer ruis optreedt, wordt aanbevolen opnamen te maken met een lage ISO-snelheid.
P Meervoudige belichtingN Opnamen met meervoudige belichting samenvoegen met een opname die al op de kaart is opgeslagen U kunt een opname die is vastgelegd op de kaart selecteren als de eerste afzonderlijke opname. Het origineel van de geselecteerde opname blijft intact. U kunt alleen 1-opnamen selecteren. U kunt geen 41/61of JPEG-opnamen selecteren. 1 Selecteer [Select. bld voor meerdere opn.]. Selecteer [Select. bld voor meerdere opn.] en druk vervolgens op <0>.
P Meervoudige belichtingN U kunt bij het maken van opnamen met meervoudige belichting ook een 1-opname selecteren als eerste afzonderlijke opname. Als u [Hef sel. op] selecteert, wordt de geselecteerde opname geannuleerd. Meervoudige belichting controleren en verwijderen tijdens het fotograferen U kunt voordat u het ingestelde aantal opnamen hebt gemaakt op de knop drukken om de tot dan toe samengevoegde opname met meervoudige belichting te bekijken.
P Meervoudige belichtingN Veelgestelde vragen Zijn er beperkingen ten aanzien van de opnamekwaliteit? Alle instellingen voor opnamekwaliteit kunnen worden geselecteerd voor JPEG-opnamen. Als 41 of 61 wordt ingesteld, wordt de samengevoegde opname met meervoudige belichting een 1-opname. Instelling voor opnamekwaliteit Samengevoegde opname met meervoudige belichting JPEG JPEG 1 1 41/61 1 1+JPEG 1+JPEG 41/61+JPEG 1+JPEG Kan ik opnamen samenvoegen die al op de kaart staan? Met [Select.
2 Spiegel opklappenN Hoewel het gebruik van de zelfontspanner of afstandsbediening bewegingsonscherpte kan voorkomen, kan het bij gebruik van een superteleobjectief of het maken van closeups (macrofotografie) ook helpen om de spiegel op te klappen en zo te voorkomen dat de camera trilt vanwege de opklappende spiegel. 1 Stel [Spiegel opklappen] in op [Inschakelen]. Selecteer op het tabblad [z2] de optie [Spiegel opklappen] en druk vervolgens op <0>. Selecteer [Inschakelen] en druk vervolgens op <0>.
De oculairdop gebruiken Als u de zelfontspanner, bulb of afstandsbediening gebruikt en niet door de zoeker kijkt, kan het zijn dat er licht in de zoeker valt waardoor de opname er donker uitziet. Om dit te voorkomen, gebruikt u de oculairdop (pag. 27) die aan de draagriem van de camera is bevestigd. U hoeft de oculairdop niet te bevestigen voor Live view-opnamen en movie-opnamen. 1 Verwijder de oogschelp. Duw de onderkant van de oogschelp omhoog om deze te verwijderen. de oculairdop.
F Een afstandsbediening gebruiken U kunt afstandsbediening RS-60E3 (afzonderlijk verkrijgbaar) op de camera aansluiten en gebruiken om opnamen te maken (pag. 416). Raadpleeg de instructiehandleiding van de afstandsbediening voor gedetailleerde instructies. 1 Open het aansluitingenklepje. de stekker aan op de 2 Sluit aansluiting voor de afstandsbediening.
R Opnamen maken met de afstandsbediening de zelfontspanner. 4 Selecteer Kijk naar het LCD-paneel en draai aan het instelwiel <6> om of te selecteren. op de verzendknop van de 5 Druk afstandsbediening. Sensor van afstandsbediening Richt de afstandsbediening op de sensor voor de afstandsbediening op de camera en druk op de verzendknop. Het lampje van de zelfontspanner begint te branden en de opname wordt gemaakt.
6 Opnamen maken met de flitser In dit hoofdstuk wordt uitgelegd hoe u de ingebouwde flitser en externe Speedlites (EX-serie, afzonderlijk verkrijgbaar) gebruikt, hoe u de flitserinstellingen in het menu opgeeft en hoe u de ingebouwde flitser kunt gebruiken voor opnamen met draadloze flitsers. De flitser kan niet worden gebruikt in combinatie met movie-opnamen. (Deze werkt dan niet.
D De ingebouwde flitser gebruiken In de creatieve modi drukt u op de knop om de ingebouwde flitser omhoog te klappen. Als u de flitser wilt inklappen, duwt u de flitser met uw vingers naar beneden. In de basismodi (behalve de modi <7> <3> <5> en ), komt de ingebouwde flitser bij weinig licht of tegenlicht omhoog om automatisch te flitsen. In de modi <2> <4> kunt u kiezen of u de flitser wel of niet wilt gebruiken.
D De ingebouwde flitser gebruiken Effectief bereik van ingebouwde flitser ISO-snelheid [bij benadering in meters] EF-S 18-55mm f/3.5-5.6 IS STM EF-S 18-135mm f/3.5-5.6 IS STM EF-S 18-200mm f/3.5-5.6 IS Groothoek: f/3.5 Tele: f/5.6 100 1-3.4 1-2.1 200 1-4.8 1-3.0 400 1-6.9 1-4.3 800 1.2-9.7 1-6.1 1600 1.7-13.7 1.1-8.6 3200 2.4-19.4 1.5-12.1 2.1-17.1 6400 3.4-27.4 12800 4.8-38.8 3.0-24.2 H (25600) 6.9-54.9 4.3-34.
D De ingebouwde flitser gebruiken 3 Rode-ogencorrectie gebruiken Het rode-ogeneffect kan worden geminimaliseerd of voorkomen als u bij flitsfoto's de rode-ogencorrectielamp gebruikt. Rode-ogencorrectie kan in iedere opnamemodus worden ingesteld, behalve in <7> <3> <5> en . 1 Selecteer [R.ogen Aan/Uit]. Selecteer op tabblad [z2] de optie [R.ogen Aan/Uit] en druk vervolgens op <0>. [Inschakelen]. 2 Selecteer Selecteer [Inschakelen] en druk vervolgens op <0>.
D De ingebouwde flitser gebruiken [y]. 2 Selecteer Druk op de toetsen en om [y*] te selecteren en druk vervolgens op <0>. Het scherm voor de flitsbelichtingscompensatie wordt weergegeven. de waarde voor de 3 Stel belichtingscompensatie in. Draai het instelwiel <5> of <6> naar rechts om de flitsbelichting helderder te maken (meer flitslicht). Of draai het instelwiel <5> of <6> naar links om de flitsbelichting donkerder te maken (minder flitslicht).
D De ingebouwde flitser gebruiken A FE-vergrendelingN Met FE-vergrendeling (Flash Exposure, flitsbelichting) meet en vergrendelt u de juiste flitsbelichting voor het gewenste gedeelte van het onderwerp in het kader. 1 Druk op de knop . De ingebouwde flitser wordt omhoog geklapt. Druk de ontspanknop half in en kijk in de zoeker of het pictogram brandt. 2 Stel scherp op het onderwerp. op de knop .
D Een externe Speedlite gebruiken EOS-Speedlites uit de EX-serie Flitsfotografie met een Speedlite uit de EX-serie (afzonderlijk verkrijgbaar) is net zo eenvoudig als met de ingebouwde flitser. Raadpleeg de instructiehandleiding van de Speedlite uit de EX-serie voor gedetailleerde instructies. Deze camera is een camera van het type A en daarom geschikt voor alle functies van Speedlites uit de EX-serie.
D Een externe Speedlite gebruiken Canon Speedlites die niet tot de EX-serie behoren Wanneer Speedlites uit de EZ-, E-, EG-, ML- en TL-serie worden ingesteld op de automatische A-TTL- of TTL-flitsmodus, werkt de flitser alleen op volledig vermogen. Stel de opnamemodus van de camera in op (handmatige belichting) of (AE met diafragmavoorkeuze) en pas de diafragma-instelling aan voordat u de opname maakt.
3 De flitser instellenN Bij gebruik van de ingebouwde flitser of een Speedlite uit de EX-serie die compatibel is met de flitsfunctie-instellingen, kunt u het menuscherm van de camera gebruiken om de functies en persoonlijke voorkeuzen van de Speedlite in te stellen. Als u een externe Speedlite gebruikt, bevestigt u deze op de camera en schakelt u de Speedlite in voordat u begint met deze instellingen.
3 De flitser instellenN Flitssynchronisatiesnelheid in AV-modus U kunt de flitssynchronisatiesnelheid voor flitsfotografie instellen in de modus AE met diafragmavoork. (f). : Automatisch De flitssynchronisatiesnelheid wordt automatisch ingesteld binnen een bereik van 1/250 en 30 seconden afhankelijk van de lichtomstandigheden. Ook snelle synchronisatie kan worden gebruikt. : 1/250-1/60 sec. auto Voorkomt dat er een lange sluitertijd wordt ingesteld bij weinig licht.
3 De flitser instellenN Functie-instellingen ingebouwde flitser Flitsmodus Stel deze optie normaliter in op [E-TTL II]. Hierdoor kan er met de ingebouwde flitser met automatische belichting worden gefotografeerd. Als u de flitssterkte handmatig wilt instellen, selecteert u [Manual Flash]. Selecteer [2flitsoutput] en stel voordat u gaat fotograferen de flitssterkte in tussen 1/1 en 1/128 (in stappen van 1/3-stop). Sluiter sync.
3 De flitser instellenN 2 Flitsbelichtingscompensatie Dezelfde instelling als bij stap 3 van 'Flitsbelichtingscompensatie' op pagina 190 kan worden gebruikt. Draadloze functies Met draadloze-flitsfotografie (via optische transmissie) kunt u met de ingebouwde flitser een externe Speedlite aansturen. Zie 'Draadloze flitser gebruiken' op pagina 203.
3 De flitser instellenN Functie-instellingen externe flitser De schermweergave en instelopties kunnen verschillen, afhankelijk van het model externe Speedlite, de actuele flitsmodus, de persoonlijke voorkeuze-instellingen voor de Speedlite, enzovoort. Zie de instructiehandleiding van de Speedlite voor meer informatie over flitsfuncties van de Speedlite.
3 De flitser instellenN Draadloze functies Het is mogelijk om via radio- of optische transmissie draadloos (meerdere keren) te flitsen. Raadpleeg voor meer informatie over draadloos flitsen de instructiehandleiding van een Speedlite die met deze functie compatibel is. In-/uitzoomen flitser (flitsbereik) Omdat Speedlites een flitskop hebben die kan zoomen, kunt u het flitsbereik instellen.
3 De flitser instellenN Flitsbelichtingscompensatie Dezelfde instelling als bij stap 3 van 'Flitsbelichtingscompensatie' op pagina 190 kan worden gebruikt. Raadpleeg de instructiehandleiding van de Speedlite voor meer informatie. Flitsbelichtingsbracketing Terwijl de flitssterkte automatisch wordt gewijzigd, worden drie foto's gemaakt. Raadpleeg de instructiehandleiding van een Speedlite die compatibel is met flitsbelichtingsbracketing voor details.
3 De flitser instellenN Persoonlijke voorkeuze-instellingen voor Speedlites Raadpleeg de instructiehandleiding van de externe Speedlite voor meer informatie over de persoonlijke voorkeuze-instellingen van de Speedlite. 1 Selecteer [C.Fn-inst. externe flitser]. Selecteer [C.Fn-inst. externe flitser] en druk op <0>. de gewenste functie in. 2 Stel Druk op de knop om het nummer te selecteren en druk vervolgens op <0>. Selecteer de instelling en druk vervolgens op <0>.
Draadloze flitser gebruikenN De ingebouwde flitser op de camera kan functioneren als een mastereenheid voor Canon Speedlites die beschikken over een draadloze-slavefunctie en zo de Speedlite(s) draadloos laten flitsen. Lees meer over draadloze-flitsfotografie (optische transmissie) in de instructiehandleiding van de Speedlite. Instellen en plaatsen van slave Raadpleeg de instructiehandleiding van uw Speedlite (slave) en stel de slave als volgt in.
Draadloze flitser gebruikenN *1: Als de Speedlite niet over een instelfunctie voor het transmissiekanaal beschikt, kan de camera met elk kanaal functioneren. *2: In kleine ruimten werkt de slave mogelijk zelfs als de draadloze sensor niet op de camera is gericht. De draadloze signalen van de camera kunnen worden weerkaatst door de wanden en door de slave worden ontvangen. Bij Speedlites uit de EX-serie met vaste flitskop en draadloze sensor moet u eerst controleren of deze flitst.
Draadloze flitser gebruikenN Configuraties voor draadloze-flitsfotografie In de onderstaande tabel ziet u de mogelijke configuraties voor draadlozeflitsfotografie. Kies de configuratie die geschikt is voor het onderwerp, de opnameomstandigheden en het aantal externe Speedlites dat u gebruikt. Externe Speedlite Aantal IngeA:B-flits- bouwde Pagina verhouding flitser Eén - Eén - Meerdere - - pag. 206 Gebruikt pag. 208 - pag. 209 VolautoMeerdere Ingesteld pag.
Draadloze flitser gebruikenN Volautomatisch opnamen maken met één externe Speedlite Dit zijn de basisinstellingen voor volautomatisch draadloos flitsen met één externe Speedlite. Stap 1 t/ 3 en stap 6 en 7 zijn van toepassing op alle opnamen met draadloos flitsen. Deze stappen worden daarom overgeslagen in de overige draadloze-flitserinstellingen die op de pagina's hierna worden beschreven.
Draadloze flitser gebruikenN [Flitsmodus: E-TTL II] in. 4 Stel Stel [Flitsmodus] in op [E-TTL II]. [Draadloze func.:0] in. 5 Stel Stel [Draadloze func.] in op [0]. [Kanaal] in. 6 Stel Stel het kanaal (1-4) in op hetzelfde als dat van de slave. [Flitsgroep:Alle1] in. 7 Stel Stel [Flitsgroep] in op [Alle1]. de opname. 8 Maak Stel de camera in en maak de opname zoals u zou doen bij normale flitsopnamen. Als u draadloos flitsen wilt uitschakelen, stelt u [Draadloze func.] in op [Uitschakelen].
Draadloze flitser gebruikenN Volautomatisch opnamen maken met één externe Speedlite en de ingebouwde flitser Dit is een beschrijving van volautomatisch fotograferen met één externe Speedlite en de ingebouwde flitser. U kunt de flitsverhouding tussen de externe Speedlite en de ingebouwde flitser wijzigen om de manier waarop schaduwen op het onderwerp vallen aan te passen. 1 Stel [Draadloze func.] in op [0:3]. Stel bij stap 5 op pagina 207 [Draadloze func.] in op [0:3].
Draadloze flitser gebruikenN Volautomatisch opnamen maken met meerdere externe Speedlites Het is mogelijk om meerdere Speedlite-slaves als één flitseenheid te behandelen of te verdelen over slavegroepen waarvoor een flitsverhouding kan worden ingesteld. De basisinstellingen worden hieronder weergegeven. Door de instelling voor [Flitsgroep] te veranderen, kunt u opnamen maken met verschillende draadloze flitsinstellingen en meerdere Speedlites. Basisinstellingen: Flitsmodus : E-TTL II Draadloze func.
Draadloze flitser gebruikenN [1 (A:B)] Meerdere slaves in meerdere groepen A B 1 Verdeel de slaves in groep A en groep B en pas de flitsverhouding aan om het gewenste verlichtingseffect te verkrijgen. Raadpleeg de instructiehandleiding van de Speedlite en stel één slave in op flitsgroep A en de andere slave op flitsgroep B. Plaats de Speedlites zoals in de afbeelding wordt weergegeven. Stel [Flitsgroep] in op [1 (A:B)]. de gewenste flitsverhouding 2 Stel in en maak de opname.
Draadloze flitser gebruikenN Volautomatisch fotograferen met de ingebouwde flitser en meerdere externe Speedlites De ingebouwde flitser kan ook worden toegevoegd aan het draadloze flitssysteem zoals beschreven op pagina 209 - 210. De basisinstellingen worden hieronder weergegeven. Door de instelling voor [Flitsgroep] te veranderen, kunt u fotograferen met verschillende draadlozeflitsinstellingen van meerdere Speedlites, aangevuld door de ingebouwde flitser.
Draadloze flitser gebruikenN Creatief draadloos flitsen Flitsbelichtingscompensatie Als [Flitsmodus] is ingesteld op [E-TTL II], kan de flitsbelichtingscompensatie worden ingesteld. Welke instellingen voor de flitsbelichtingscompensatie kunnen worden ingesteld (zie hieronder), is afhankelijk van de instellingen voor [Draadloze func.] en [Flitsgroep]. Flitsbelichtingscompensatie De flitsbelichtingscompensatie wordt toegepast op de ingebouwde flitser en alle externe Speedlites. 2 bel.comp.
Draadloze flitser gebruikenN De flitssterkte handmatig instellen voor draadloos flitsen Als [Flitsmodus] is ingesteld op [Manual Flash], kan de flitssterkte handmatig worden ingesteld. Welke flitsoutputinstellingen kunnen worden ingesteld ([1 flitsoutput], [Fl.verm. gr. A] enz.), is afhankelijk van de instelling voor [Draadloze func.] (zie hieronder). Draadloze func.: 0 Flitsgroep: Alle1 De handmatig ingestelde flitssterkte wordt op alle externe Speedlites toegepast.
7 Opnamen maken met het LCDscherm (Live view-opnamen) U kunt opnamen maken terwijl het beeld op het LCD-scherm van de camera wordt weergegeven. Dit heet 'Live view-opnamen'. U kunt Live view-opnamen inschakelen door de schakelaar voor Live view-/movie-opname op te zetten. Wanneer u de camera in de hand houdt en opnamen maakt terwijl u op het LCD-scherm kijkt, kan het bewegen van de camera onscherpe opnamen tot gevolg hebben. U wordt aangeraden een statief te gebruiken.
A Opnamen maken met het LCD-scherm 1 Zet de schakelaar voor Live view-/ movie-opnamen op . het Live view-beeld weer. 2 Geef Druk op de knop <0>. Het Live view-beeld wordt op het LCD-scherm weergegeven. In het Live view-beeld wordt het helderheidsniveau van de daadwerkelijk te maken opname nauwkeurig benaderd. scherp op het onderwerp. 3 Stel Wanneer u de ontspanknop half indrukt, stelt de camera scherp met de actuele AF-methode (pag. 233). de opname. 4 Maak Druk de ontspanknop helemaal in.
A Opnamen maken met het LCD-scherm Live view-opname inschakelen Stel [A1: Live view-opname.] in op [Inschakelen]. Maximumaantal Live view-opnamen Temperatuur Kamertemperatuur (23 °C) Lage temperaturen (0 °C) Geen flits Circa 230 opnamen Circa 210 opnamen 50% flits Circa 210 opnamen Circa 200 opnamen De bovenstaande cijfers zijn gebaseerd op een volledig opgeladen LP-E6accu en de testcriteria van de CIPA (Camera & Imaging Products Association).
A Opnamen maken met het LCD-scherm Informatiedisplay Telkens als u op de knop drukt, wordt het informatiedisplay vernieuwd.
A Opnamen maken met het LCD-scherm Houd de camera niet lange tijd in dezelfde positie vast. Ook al voelt de camera niet heet aan, toch kan langdurig contact met hetzelfde lichaamsdeel een rode huid, blaren of eerstegraads brandwonden veroorzaken. Het gebruik van een statief wordt aanbevolen voor mensen met circulatieproblemen of een zeer gevoelige huid, of wanneer de camera wordt gebruikt op zeer warme plekken. Het histogram kan worden weergegeven wanneer [A1: Bel.simulatie: Inschakelen] (pag.
A Opnamen maken met het LCD-scherm Scènepictogrammen In de opnamemodus detecteert de camera het type scène en wordt alles automatisch ingesteld. Het gedetecteerde type scène wordt linksboven op het scherm weergegeven. Bij bepaalde scènes of opnameomstandigheden komt het weergegeven pictogram mogelijk niet overeen met de daadwerkelijke scène.
A Opnamen maken met het LCD-scherm *5: Wordt weergegeven met een van de onderstaande objectieven: • EF-S 18-55mm f/3.5-5.6 IS II • EF-S 55-250mm f/4-5.6 IS II • EF 300mm f/2.8L IS II USM • EF 400mm f/2.8L IS II USM • Image Stabilizer (beeldstabilisatie)-objectieven die in 2012 of later op de markt zijn gebracht. *4+*5:Als de omstandigheden van zowel *4 als *5 van toepassing zijn, zal de sluitertijd toenemen.
Instellingen voor de opnamefunctie Instellingen f / R / i / q / B Wanneer de Live view-opname wordt weergegeven en u op de knop , , of drukt, wordt het scherm met instellingen weergegeven op het LCD-scherm en kunt u aan het instelwiel <6> of <5> draaien om de desbetreffende opnamefunctie in te stellen. Wanneer de Quick-modus is ingesteld, kunt u op de knop drukken om de AF-gebiedsselectiemodus te selecteren.
Instellingen voor de opnamefunctie Q Sneltoetsen In de creatieve modi kunt u het volgende instellen: AF-methode, Transportmodus, Meetmethode, Opnamekwaliteit, Witbalans, Beeldstijl, Auto Lighting Optimizer (Auto optimalisatie helderheid) en Creatieve filters. In de basismodi (met uitzondering van en ) kunt u de functies die vetgedrukt zijn en de instellingen die in de tabel op pagina 91 worden vermeld, instellen. Druk op de knop . (7) De instelbare functies worden weergegeven.
U Opnamen maken met filtereffecten Tijdens de weergave van het Live view-beeld kunt u, nog voordat u de opname maakt, een filtereffect toepassen (Korrelig Z/W, Softfocus, Fisheye-effect, Effect kunst opvallend, Aquareleffect, Speelgoedcamera-effect en Miniatuureffect) en het effect ervan bekijken. Deze filtereffecten worden Creatieve filters genoemd. Wanneer u de opname maakt, wordt alleen het beeld met het toegepaste creatieve filter opgeslagen.
U Opnamen maken met filtereffecten het filtereffect aan. 5 Pas Druk op de knop (behalve voor Miniatuureffect). Druk op de toets om het filter aan te passen en druk vervolgens op <0>. Voor het Miniatuureffect drukt u op <0> en vervolgens op de knop om het witte kader te verplaatsen naar het gebied dat scherp moet zijn. de opname. 6 Maak De opname wordt gemaakt met het desbetreffende filter toegepast.
U Opnamen maken met filtereffecten Kenmerken van creatieve filters Korrelig Z/W Hiermee ontstaat een korrelige zwart-witfoto. U kunt het zwartwiteffect wijzigen door het contrast aan te passen. Softfocus Geeft het beeld een zachte uitstraling. U kunt de zachtheid van het beeld wijzigen door de scherpte aan te passen. Fisheye-effect Geeft het effect van een fisheye-objectief. De opname krijgt een tonvormige vervorming.
U Opnamen maken met filtereffecten Speelgoedcamera-effect Hiermee worden de hoeken van de foto donkerder en wordt een kleurtoon toegepast, waardoor het lijkt alsof de foto met een speelgoedcamera is gemaakt. U kunt de kleurzweem wijzigen door de kleurtoon aan te passen. Miniatuureffect Creëert een kijkdooseffect. U kunt aanpassen waar de opname scherp moet zijn.
3 Menufunctie-instellingen A1 Wanneer de schakelaar voor Live view-/ movie-opnamen is ingesteld op , wordt het menu met Live view-opties weergegeven op het tabblad [A1] en [A2]. In de basismodi worden bepaalde items op het tabblad [A2] niet weergegeven en worden op het tabblad [A1] bepaalde opties niet weergegeven. De instelbare functies in dit menuscherm zijn alleen van toepassing bij Live view-opnamen. Ze gelden niet voor opnamen met de zoeker (de instellingen worden dan uitgeschakeld).
3 Menufunctie-instellingen Touch Shutter Door eenvoudigweg op het LCD-scherm te tikken, kunt u scherpstellen en automatisch een opname maken. Zie pagina 245 voor meer informatie. Rasterweergave Met [3x3 l] of [6x4 m] kunt u rasterlijnen weergeven om u te helpen de camera verticaal of horizontaal recht te houden. Met [3x3+diag n] wordt het raster met diagonale lijnen weergegeven om u te helpen de intersecties over het onderwerp uit te lijnen voor een betere balans in de compositie.
3 Menufunctie-instellingen Opnamekwaliteiten met een sterretje komen niet helemaal met de desbetreffende beeldverhouding overeen. Het opnamegebied dat wordt weergegeven voor de aspect ratio met een sterretje, kan iets afwijken van het opgenomen gebied. Controleer de opnamen op het LCD-scherm wanneer u de opnamen maakt. Als u een andere camera gebruikt voor het direct afdrukken van opnamen die met deze camera zijn gemaakt in de beeldverhouding 1:1, worden de opnamen mogelijk niet goed afgedrukt.
3 Menufunctie-instellingen A2N Stille LV-opnameN • Modus 1 Het geluid van de camera is zachter dan bij normale opname. Het is ook mogelijk om continu opnamen te maken. Indien is ingesteld, kunt u opnamen maken met een maximale snelheid voor continue opname van circa 7 bps. • Modus 2 Wanneer u de ontspanknop helemaal indrukt, wordt er slechts één opname gemaakt. Als u de ontspanknop ingedrukt houdt, kan de camera verder niet worden bediend.
3 Menufunctie-instellingen MeettimerN U kunt wijzigen hoe lang de belichtingsinstelling wordt weergegeven (duur van de belichtingsvergrendeling). Als u een van de volgende handelingen verricht, worden Live viewopnamen beëindigd. Als u weer wilt beginnen met Live view-opnamen, drukt u op de knop <0>. • [z4: Stofwisdata], [54: Sensorreiniging], [54: Wis alle camerainstellingen] of [54:z firmwarever.] selecteren. • De opnamemodus instellen (bijvoorbeeld Basismodi ↔ Creatieve modi).
Scherpstellen met AF (AF-methode) Wijzigingen in AF-snelheid afhankelijk van de AF-methode Als de AF-methode is ingesteld op [u+volgen], [FlexiZone - Multi] of [FlexiZone - Single] voor Live view-opnamen of movie-opnamen, schakelt de AF-methode (faseverschildetectie met de beeldsensor of contrastdetectie) automatisch, afhankelijk van het objectief dat wordt gebruikt en de functies die zijn geselecteerd, zoals movie digital zoom of vergrote weergave.
Scherpstellen met AF (AF-methode) een AF-punt. 2 Selecteer Wanneer er een gezicht wordt herkend, wordt het kader
weergegeven over het gezicht waarop zal worden scherpgesteld. Wanneer meerdere gezichten worden herkend, wordt weergegeven. Gebruik de pijltjestoetsen <9> om het kader te verplaatsen naar het gezicht waarop u wilt scherpstellen. U kunt ook op het LCD-scherm tikken om het gezicht of onderwerp te selecteren. Indien het onderwerp niet een gezicht is, wordt < > weergegeven.
Scherpstellen met AF (AF-methode) Als het gezicht van het onderwerp erg onscherp is, is gezichtsherkenning niet mogelijk. U kunt dit voorkomen door de instelling [Continue AF] op [Inschakelen] te zetten. Het is mogelijk dat een ander object dan een menselijk gezicht als gezicht wordt herkend. Gezichtsherkenning werkt niet wanneer het gezicht een erg klein of erg groot deel van het beeld beslaat, te helder of te donker is of gedeeltelijk is verborgen.
Scherpstellen met AF (AF-methode) FlexiZone - Multi:o U kunt maximaal 31 AF-punten gebruiken voor het scherpstellen op een groot gebied (automatische selectie). Dit grote gebied kan ook in 9 zones worden opgedeeld voor scherpstellen (zoneselectie). 1 Geef het Live view-beeld weer. Druk op de knop <0>. Het Live view-beeld wordt op het LCD-scherm weergegeven. AF-kader het AF-punt.N 2 Selecteer Door op <0> of de knop te drukken, schakelt u tussen automatische selectie en zoneselectie.
Scherpstellen met AF (AF-methode) scherp op het onderwerp. 3 Stel Richt het AF-punt op het onderwerp en druk de ontspanknop half in. Als de scherpstelling is bereikt, wordt het AF-punt groen en klinkt er een pieptoon. Als de scherpstelling niet wordt bereikt, wordt het AF-kader oranje. de opname. 4 Maak Controleer de scherpstelling en belichting en druk de ontspanknop helemaal in om de opname te maken (pag. 216).
Scherpstellen met AF (AF-methode) FlexiZone - Single: d De camera stelt met één AF-punt scherp. Dit is handig wanneer u op een specifiek onderwerp wilt scherpstellen. het Live view-beeld weer. 1 Geef Druk op de knop <0>. AF-punt Het Live view-beeld wordt op het LCD-scherm weergegeven. Het AF-punt < > wordt weergegeven. Bij movie-opnamen wordt het AF-punt groter weergegeven als [Servo AF voor film] is ingesteld op [Inschakelen]. het AF-punt.
Scherpstellen met AF (AF-methode) de opname. 4 Maak Controleer de scherpstelling en belichting en druk de ontspanknop helemaal in om de opname te maken (pag. 216).
Scherpstellen met AF (AF-methode) Opmerkingen bij u+volgen / FlexiZone - Multi / FlexiZone - Single AF-gebruik Zelfs als er al is scherpgesteld, wordt er nogmaals scherpgesteld wanneer u de ontspanknop half indrukt. Tijdens en na de automatische scherpstelling kan de helderheid van de opname veranderen. Als de lichtbron tijdens de weergave van het Live view-beeld verandert, kan het beeldscherm flikkeren en kan er mogelijk moeilijk worden scherpgesteld.
Scherpstellen met AF (AF-methode) Opnameomstandigheden waarin moeilijk kan worden scherpgesteld Onderwerpen met weinig contrast, zoals een blauwe lucht en effen, platte oppervlakken of wanneer lichte tinten of schaduwpartijen niet zichtbaar zijn. Onderwerpen bij weinig licht. Strepen en andere patronen met alleen een horizontaal contrast. Onderwerpen met zich herhalende patronen (vensters in een wolkenkrabber, toetsenborden, enzovoort). Dunne lijnen en contouren van het onderwerp.
Scherpstellen met AF (AF-methode) Als er bij de opnameomstandigheden op de vorige pagina niet kan worden scherpgesteld, zet u de scherpstelmodusknop op het objectief op en stelt u handmatig scherp. Als u wilt scherpstellen op een onderwerp dat zich meer naar de rand van het beeld bevindt, richt u het middelste AF-punt of de middelste AFzone op het onderwerp, stelt u scherp, draait u het objectief weer bij voor de oorspronkelijke compositie en maakt u de opname.
Scherpstellen met AF (AF-methode) Quick-modus: f De speciale AF-sensor wordt gebruikt om in de modus 1-beeld AF (pag. 100) op dezelfde manier scherp te stellen als bij het maken van opnamen door de zoeker. Hoewel u snel kunt scherpstellen op het gewenste gebied, wordt het Live view-beeld tijdens het automatisch scherpstellen even onderbroken. In AF-gebiedselectiemodi anders dan Aut. selectie: 19-pt AF, kunt u het AF-punt handmatig instellen.
Scherpstellen met AF (AF-methode) De AF-puntselectie (of zoneselectie) verschuift in de richting waarin u <9> duwt. Als u op <0> drukt, wordt het middelste AF-punt (of middelste zone) geselecteerd. U kunt ook de instelwielen <6> en <5> gebruiken om het AF-punt te selecteren. scherp op het onderwerp. 3 Stel Richt het AF-punt op het onderwerp en druk de ontspanknop half in. Het Live view-beeld wordt uitgeschakeld, de reflexspiegel wordt neergeklapt en er wordt automatisch scherpgesteld.
x Opnamen maken met de Touch Shutter Door eenvoudigweg op het LCD-scherm te tikken, kunt u scherpstellen en automatisch een opname maken. Dit werkt in alle opnamemodi. 1 Geef het Live view-beeld weer. Druk op de knop <0>. Het Live view-beeld wordt op het LCD-scherm weergegeven. de Touch Shutter in. 2 Schakel Tik op [y] linksonder op het scherm. Elke keer dat u op het pictogram tikt, schakelt u tussen [y] en [x].
x Opnamen maken met de Touch Shutter Ook als , of is ingesteld, worden er in de enkelbeeldmodus opnamen gemaakt. Touch Shutter werkt niet in de vergrote weergave. Wanneer [V Ontspanknop half ingedrukt] is ingesteld op [Start meten] of [AE-vergr. (bij ingedrukte knop)] onder [8 C.Fn III-4: Aangepaste bediening], is automatisch scherpstellen niet mogelijk. U kunt ook Touch Shutter inschakelen met [A1: Touch Shutter].
MF: Handmatige scherpstelling U kunt de opname vergroten en nauwkeurig scherpstellen met handmatig scherpstellen. 1 Zet de focusinstellingsknop op het objectief op . Draai aan de scherpstelring van het objectief om ruw scherp te stellen. het vergrotingskader weer. 2 Geef Druk op de knop . Het vergrotingskader wordt weergegeven. U kunt ook op [u] tikken op het scherm om het beeld te vergroten. Vergrotingskader het vergrotingskader.
MF: Handmatige scherpstelling handmatig scherp. 5 Stel Draai terwijl u naar de vergrote opname kijkt aan de scherpstelring van het objectief om scherp te stellen. Nadat u hebt scherpgesteld, drukt u op de knop om naar de normale weergave terug te keren. de opname. 6 Maak Controleer de scherpstelling en belichting en druk de ontspanknop helemaal in om de opname te maken (pag. 216).
Aandachtspunten bij het maken van Live view-opnamen Beeldkwaliteit Wanneer u opnamen maakt bij hoge ISO-snelheden, kan er ruis (zoals lichte puntjes en strepen) op de opname zichtbaar zijn. Opnamen bij hoge temperaturen kunnen ruis en afwijkende kleuren in de opname tot gevolg hebben. Als u langere tijd achtereen met Live view werkt, kan de interne temperatuur van de camera oplopen, waardoor de opnamekwaliteit mogelijk afneemt. Schakel Live view-opnamen altijd uit wanneer u geen opnamen maakt.
Aandachtspunten bij het maken van Live view-opnamen Live view-beeld Bij weinig of juist heel fel licht wordt in het Live view-beeld mogelijk niet de helderheid van de daadwerkelijke opname weergegeven. Ook wanneer er een lage ISO-snelheid is ingesteld, kan er ruis zichtbaar zijn op het weergegeven Live view-beeld bij weinig licht. Maar wanneer u de opname maakt, bevat de opgeslagen opname minimale ruis. (De beeldkwaliteit van het Live view-beeld is anders dan die van de opgeslagen opname.
8 Movie-opnamen U kunt movie-opnamen inschakelen door de schakelaar voor Live view-/ movie-opnamen op te zetten. De opname-indeling voor movies is MOV. Voor kaarten waarop movies kunnen worden opgeslagen, raadpleegt u pagina 3. Wanneer u de camera in de hand houdt en movies opneemt, kan het bewegen van de camera leiden tot onscherpe opnamen. U wordt aangeraden een statief te gebruiken. Zie pagina 76 voor het maken van opnamen uit de hand.
k Movie-opnamen Opnamen maken met automatische belichting Wanneer de opnamemodus niet is ingesteld op , schakelt de camera over naar automatische belichting die past bij de lichtomstandigheden van de situatie. de opnamemodus in op een 1 Stel andere modus dan . de schakelaar voor Live view-/ 2 Stel movie-opnamen in op . De reflexspiegel maakt een geluid en de opname verschijnt op het LCDscherm. scherp op het onderwerp.
k Movie-opnamen In de basismodi zijn de opnameresultaten dezelfde als in de modus . Het scènepictogram voor de scène die door de camera wordt gedetecteerd, wordt linksboven in het scherm weergegeven (pag. 255). In de opnamemodi , en zijn de instellingen dezelfde als in de modus . Instelbare menufuncties verschillen tussen basismodi en creatieve modi (pag. 415). In creatieve modi kunt u op de knop (pag. 170) drukken om de belichting te vergrendelen (AE-vergrendeling).
k Movie-opnamen ISO-snelheid in de basismodi De ISO-snelheid wordt automatisch ingesteld op een waarde tussen ISO 100 en ISO 6400. ISO-snelheid in de modi d, s, f en F De ISO-snelheid wordt automatisch ingesteld op een waarde tussen ISO 100 en ISO 6400. Als u bij [z3: ISO-snelheidsinst.] bij [ISO-snelh.bereik] de instelling [Maximum] instelt op [12800/H] (pag. 123), wordt de maximale ISO-snelheid voor automatische instelling van de ISO-snelheid verhoogd tot H (gelijk aan ISO 12800).
k Movie-opnamen Scènepictogrammen Tijdens het maken van movie-opnamen in de basismodi wordt er een pictogram weergegeven voor de scène die door de camera is gedetecteerd en worden de opname-instellingen dienovereenkomstig aangepast. Bij bepaalde scènes of opnameomstandigheden komt het weergegeven pictogram mogelijk niet overeen met de daadwerkelijke scène.
k Movie-opnamen Opnamen maken met handmatige belichting U kunt de sluitertijd, het diafragma en de ISO-snelheid voor movieopnamen handmatig instellen. Het handmatig instellen van de belichting voor movie-opnamen is bedoeld voor geavanceerde gebruikers. het programmakeuzewiel in 1 Stel op . de schakelaar voor Live view-/ 2 Stel movie-opnamen in op . de ISO-snelheid in. 3 Stel Druk op de knop . Het scherm ISO-snelheid wordt geopend op het LCD-scherm.
k Movie-opnamen ISO-snelheid tijdens opnamen met handmatige belichting Als u [Auto] (A) selecteert, wordt de ISO-snelheid automatisch ingesteld op een waarde tussen ISO 100 en ISO 6400. Als u bij [z3: ISO-snelheidsinst.] bij [ISO-snelh.bereik] de instelling [Maximum] instelt op [12800/H] (pag. 123), wordt de maximale ISO-snelheid verhoogd en wordt de ISO-snelheid automatisch ingesteld tussen ISO 100 en H (gelijk aan ISO 12800).
k Movie-opnamen Informatiedisplay Telkens als u op de knop drukt, wordt het informatiedisplay vernieuwd.
k Movie-opnamen Opmerkingen over movie-opnamen Houd de camera niet lange tijd in dezelfde positie vast. Ook al voelt de camera niet heet aan, toch kan langdurig contact met hetzelfde lichaamsdeel een rode huid, blaren of eerstegraads brandwonden veroorzaken. Het gebruik van een statief wordt aanbevolen voor mensen met circulatieproblemen of een zeer gevoelige huid, of wanneer de camera wordt gebruikt op zeer warme plekken.
k Movie-opnamen Opmerkingen over movie-opnamen U kunt de afstandsbediening RC-6 (afzonderlijk verkrijgbaar, pag. 184) gebruiken om de movie-opname te starten en te stoppen indien de transportmodus is ingesteld op of . Stel de tijdschakelaar in op <2> (vertraging van 2 seconden) en druk vervolgens op de verzendknop. Als u de schakelaar hebt ingesteld op (onmiddellijk opnemen), wordt het maken van foto's ingeschakeld.
k Movie-opnamen Foto's maken Tijdens het maken van movie-opnamen kunt u nog altijd foto's maken door de ontspanknop volledig in te drukken. Foto's nemen tijdens movie-opnamen Als u tijdens movie-opnamen een foto maakt, staat de movieopname gedurende circa 1 seconde stil. De gemaakte foto wordt op de kaart opgeslagen en de movieopname wordt automatisch hervat wanneer de Live view-opname wordt weergegeven. De movie en foto worden op de kaart opgeslagen als afzonderlijke bestanden.
k Movie-opnamen AEB kan niet worden gebruikt. Zelfs wanneer er een flitser wordt gebruikt, zal deze niet flitsen. Het is mogelijk om continu foto's te maken tijdens movie-opname. Maar de vastgelegde opnamen worden niet weergegeven op het scherm. Movie-opname kan worden stopgezet afhankelijk van de opnamekwaliteit van de foto's, het aantal opnamen tijdens movieopname, prestatie van de kaart, enzovoort.
Instellingen voor de opnamefunctie Instellingen voor f / R / i Wanneer de movie-opname op het LCD-scherm wordt weergegeven en u op de knop of drukt, wordt het scherm met instellingen weergegeven op het LCD-scherm en kunt u aan het instelwiel <6> of <5> draaien om de desbetreffende opnamefunctie in te stellen. Tijdens opnamen met handmatige belichting (pag. 256) kunt u op de knop drukken om de ISO-snelheid in te stellen. De meetmethode kan niet worden ingesteld.
Instellingen voor de opnamefunctie Q Sneltoetsen In de creatieve modi kunt u het volgende instellen: AF-methode, Transportmodus, Movie-opnameformaat, Digitale zoom, Witbalans, Beeldstijl, Auto Lighting Optimizer (Auto optimalisatie helderheid) en Videosnapshot. In de basismodi kunnen alleen de vetgedrukte functies worden ingesteld. 1 Druk op de knop . (7) De instelbare functies worden weergegeven. een functie en stel deze in. 2 Selecteer Druk op de knop om een functie te selecteren.
3 Het movie-opnameformaat instellen Met [Z2: Movie-opn.formaat] kunt u het beeldformaat, framesnelheid per seconde en de compressiemethode instellen. De framesnelheid wisselt automatisch, afhankelijk van de instelling voor [53: Videosysteem]. Beeld formaat A [1920x1080] : Full HD-opnamekwaliteit (Full High-Definition). De beeldverhouding is 16:9. B [1280x720] : HD-opnamekwaliteit (High-Definition). De beeldverhouding is 16:9. C [640x480] : SD-opnamekwaliteit (Standard Definition).
3 Het movie-opnameformaat instellen Totale opnameduur voor movie en bestandsgrootte per minuut Movieopnameformaat A B Totale opnameduur (bij benadering) Kaart van 4 GB Kaart van 8 GB Kaart van 16 GB Bestandsgrootte (bij benadering) 654 X 16 minuten 32 min. 1 uur 4 min. 235 MB/min. 654 W 5 minuten 11 min. 22 min. 685 MB/min. 87 X 18 minuten 37 minuten 1 uur 14 minuten 205 MB/min. 87 W 6 minuten 12 minuten 25 minuten 610 MB/min.
3 Movie digital zoom gebruiken Als het movieformaat is ingesteld op [1920x1080] (Full HD) kunt u opnamen maken met circa 3x tot 10x digitale zoom. 1 Selecteer [Digitale zoom]. Selecteer op het tabblad [Z2] de optie [Digitale zoom] en druk vervolgens op <0>. [Ca. 3-10x zoom]. 2 Selecteer Selecteer [Ca. 3-10x zoom] en druk op <0>. Druk op de knop om het menu af te sluiten en naar de movieopnamen terug te keren. digitale zoom. 3 Gebruik Druk op de knop . De digitalezoombalk verschijnt.
3 De geluidsopname instellen U kunt movies opnemen terwijl u geluid opneemt met de ingebouwde stereomicrofoon of een in de handel verkrijgbare stereomicrofoon. U kunt het geluidsopnameniveau naar wens instellen. Stel de geluidsopname in met [Z2: Geluidsopname]. Geluidsopname/Geluidsopnameniveau [Automatisch] : Het geluidsopnameniveau wordt automatisch aangepast. Automatische niveauregeling functioneert automatisch in reactie op het geluidsniveau. [Handmatig] : Voor gevorderde gebruikers.
3 De geluidsopname instellen De microfoon gebruiken De ingebouwde microfoon neemt geluid in stereo op. Opname in stereogeluid is ook mogelijk door een externe stereomicrofoon (in de winkel verkrijgbaar) die is uitgerust met een ministereostekker (φ3,5 mm) aan te sluiten op de IN-aansluiting voor externe microfoons op de camera (pag. 20). De instellingen voor [Geluidsopname] die in de basismodi beschikbaar zijn, zijn [Aan] en [Uit].
3 De tijdcode instellen De tijdcode is een tijdreferentie die automatisch wordt opgenomen om de videobeelden en het geluid te synchroniseren tijdens movie-opname. De tijdcode wordt altijd opgenomen en wel met de volgende eenheden: uren, minuten, seconden en frames. De tijdcode wordt voornamelijk gebruikt tijdens het bewerken van de movie. U stelt de tijdcode in met [Z2: Tijdcode]. Count up [Tijdens opn.] :De tijdcode telt altijd alleen maar op terwijl u een movie opneemt.
3 De tijdcode instellen Movie opn. teller U kunt selecteren wat u wilt weergeven op het movie-opnamescherm. [Opn. tijd] : Geeft de verstreken tijd aan vanaf het begin van de movie-opname. [Tijdcode] : Geeft de tijdcode aan tijdens de movie-opname. Movie afs. teller U kunt selecteren wat u wilt weergeven op het movieweergavescherm. [Opn. tijd] : Geeft de opnametijd en weergavetijd weer tijdens de movieweergave. [Tijdcode] : Geeft de tijdcode weer tijdens de movieweergave.
3 De tijdcode instellen Drop frame Indien de instelling voor framesnelheid is ingesteld op 6(29,97 fps) of 8(59,94 fps), veroorzaakt het frame-aantal van de tijdcode een afwijking tussen de werkelijke tijd en de tijdcode. Deze afwijking kan automatisch worden gecorrigeerd. Deze correctiefunctie heet 'drop frame'. [Inschakelen] : De afwijking wordt automatisch gecorrigeerd door tijdcodenummers over te slaan (DF: Drop frame). [Uitschakelen] : De afwijking wordt niet gecorrigeerd (NDF: Non-drop frame).
3 Menufunctie-instellingen Z1 Wanneer de schakelaar voor Live viewopnamen/movie-opnamen is ingesteld op , worden de tabbladen [Z1] en [Z2] voor movie-opname weergegeven. AF-methode De AF-methoden werken hetzelfde als beschreven op pagina 233 242. U kunt [u+volgen], [FlexiZone - Multi] of [FlexiZone - Single] selecteren. Voor movie-opnamen kan [Quick-modus] niet worden ingesteld. Servo AF voor film Tijdens het maken van een movie wordt de camera continu scherpgesteld op het onderwerp.
3 Menufunctie-instellingen • Als u de scherpstelling op een specifiek punt wilt houden of als u niet wilt dat het geluid van het objectief wordt opgenomen, kunt u Servo AF voor film als volgt tijdelijk stoppen. Wanneer u Servo AF voor film stopt, wordt het AF-punt grijs weergegeven. Wanneer u dezelfde stappen hieronder uitvoert, wordt Servo AF voor film hervat. • Tik op het pictogram [ ] linksonder op het scherm. • Druk op de knop . • Als bij [8C.
3 Menufunctie-instellingen Stille LV-opnameN Deze functie is van toepassing op het maken van foto's. Zie pagina 231 voor meer informatie. MeettimerN U kunt wijzigen hoe lang de belichtingsinstelling wordt weergegeven (duur van de belichtingsvergrendeling).
3 Menufunctie-instellingen Z2 Rasterweergave Met [3x3 l] of [6x4 m] kunt u rasterlijnen weergeven om u te helpen de camera verticaal of horizontaal recht te houden. Met [3x3+diag n] wordt het raster met diagonale lijnen weergegeven om u te helpen de intersecties over het onderwerp uit te lijnen voor een betere balans in de compositie. Movie-opnameformaat U kunt het movie-opnameformaat (beeldformaat, framesnelheid en compressiemethode) instellen. Zie pagina 265 voor meer informatie.
3 Videofoto's maken Een videofoto of videosnapshot is een korte movieclip van circa 2, 4 of 8 seconden. Een reeks videosnapshots kan aan elkaar worden geregen en zo een videofotoalbum vormen met hoogtepunten van een reisje, een evenement, enzovoort. Een videofotoalbum kan ook worden afgespeeld met achtergrondmuziek (pag. 284 en 309). Het concept van een videofotoalbum Videofoto 1 Videofoto 2 Videofoto x Videofotoalbum De opnameduur voor videofoto's instellen 1 Selecteer [Videosnapshot].
3 Videofoto's maken [Albuminstellingen]. 3 Selecteer Selecteer [Albuminstellingen] en druk vervolgens op <0>. [Nieuw album maken]. 4 Selecteer Selecteer [Nieuw album maken] en druk vervolgens op <0>. de duur van de 5 Selecteer snapshot (snapshotlengte). Druk op <0> en om de duur van de videosnapshot te selecteren. Druk vervolgens op <0>. [OK]. 6 Selecteer Selecteer [OK] en druk vervolgens op Opnameduur 278 <0>. Druk op de knop om het menu af te sluiten.
3 Videofoto's maken Een videofotoalbum maken de eerste videofoto. 7 Maak Druk op de knop <0> en maak de opname. De blauwe balk die de opnameduur aangeeft, loopt langzaam terug. Nadat de ingestelde opnameduur is verstreken, stopt de opname automatisch. Het bevestigingsvenster wordt weergegeven (pag. 280). de opname op als 8 Sla videofotoalbum. Selecteer [J Sla op als album] en druk vervolgens op <0>. De movieclip wordt opgeslagen als de eerste videofoto van het videofotoalbum.
3 Videofoto's maken Opties in stap 8 en 9 Functie Omschrijving JSla op als album (stap 8) De movieclip wordt opgeslagen als de eerste videofoto van het videofotoalbum. JVoeg toe aan album (stap 9) De zojuist opgenomen videosnapshot wordt toegevoegd aan het album dat vlak daarvoor is opgenomen. W Sla op als nieuw album (stap 9) Er wordt een nieuw videofotoalbum gemaakt en de movieclip wordt opgeslagen als de eerste videofoto.
3 Videofoto's maken Handelingen bij [Speel videofoto af] Functie Beschrijving van weergave 7 Afspelen Door op <0> te drukken, kunt u de zojuist opgenomen videofoto afspelen of pauzeren. 5 Eerste beeld Hiermee wordt de eerste scène van de eerste videofoto in het album weergegeven. Overslaan achteruit* Telkens als u op <0> drukt, springt de videofoto enkele seconden achteruit. 3 Vorig beeld Elke keer dat u op <0> drukt, wordt het vorige beeld weergegeven.
3 Videofoto's maken Toevoegen aan een bestaand album 1 Selecteer [Aan bestaand album toevoegen]. Voer stap 4 op pagina 278 uit om [Aan bestaand album toevoegen] te selecteren en druk vervolgens op <0>. een bestaand album. 2 Selecteer Draai aan het instelwiel <5> om een bestaand album te selecteren en druk vervolgens op <0>. Selecteer [OK] en druk vervolgens op <0>. Bepaalde videofoto-instellingen worden aangepast aan de instellingen van het bestaande album.
3 Videofoto's maken Waarschuwingen voor het maken van videofoto's U kunt aan een album alleen videofoto's met dezelfde lengte (circa 2, 4 of 8 toevoegen. Als u tijdens het maken van videofoto's een van de volgende handelingen uitvoert, wordt er een nieuw album gemaakt voor de volgende videofoto's. • Het [Movie-opn.formaat] wijzingen. • De instelling [Geluidsopname] wijzigen van [Automatisch] of [Handmatig] in [Uitschakelen] of van [Uitschakelen] in [Automatisch] of [Handmatig]. • De firmware bijwerken.
3 Videofoto's maken Een album afspelen Een videofotoalbum kan op dezelfde manier worden afgespeeld als een normale movie (pag. 308). 1 Speel de movie af. Druk op de knop om een opname weer te geven. het album. 2 Selecteer In de weergave van één opname geeft het pictogram [ ] linksboven op het scherm aan dat het een videosnapshotalbum betreft. Draai aan het instelwiel <5> om een album te selecteren. het album af. 3 Speel Druk op <0>.
3 Videofoto's maken Een album bewerken Nadat u de opname hebt gemaakt, kunt u de videofoto's in het album opnieuw ordenen, verwijderen of afspelen. 1 Selecteer [X]. Selecteer op het movieweergavepaneel [X] (Bewerken) en druk vervolgens op <0>. Het bewerkingsscherm wordt weergegeven. een bewerking. 2 Selecteer Selecteer een bewerkingsoptie en druk op <0>. Functie Omschrijving Druk op de knop om de videofoto die u wilt verplaatsen, te selecteren en druk vervolgens op Snapshot verplaatsen <0>.
3 Videofoto's maken de bewerkte movie op. 3 Sla Druk op de knop om terug te keren naar het bewerkingspaneel onder aan het scherm. Selecteer [W] (Opslaan) en druk vervolgens op <0>. Het scherm Opslaan wordt weergegeven. Om het bestand als een nieuwe movie op te slaan, selecteert u [Nieuw bestand]. Als u het bestand wilt opslaan en het originele moviebestand wilt overschrijven, selecteert u [Overschrijven] en drukt u vervolgens op <0>.
Aandachtspunten voor movie-opnamen Witte en rode waarschuwingspictogrammen voor interne temperatuur Als de interne temperatuur van de camera oploopt vanwege langdurige movie-opnamen of bij een hoge omgevingstemperatuur, verschijnt er een witte of een rode . Het witte pictogram geeft aan dat de beeldkwaliteit van foto's zal verslechteren. Stop met het maken van foto's en laat de camera afkoelen voordat u het fotograferen hervat.
Aandachtspunten voor movie-opnamen Opname- en beeldkwaliteit Als u een kaart met een lage schrijfsnelheid gebruikt, wordt tijdens movie-opnamen rechts in het scherm mogelijk een indicator met vijf niveaus weergegeven. Deze geeft aan hoeveel gegevens nog niet naar de kaart zijn geschreven (beschikbare capaciteit van het interne buffergeheugen). Hoe langzamer de kaart, hoe sneller de indicator stijgt. Als de indicator vol raakt, wordt de movie-opname automatisch Indicator gestopt.
9 Opnamen weergeven Dit hoofdstuk bevat informatie over hoe u foto's en movies kunt weergeven en wissen, opnamen kunt weergeven op een tv-scherm en over andere aan weergave gerelateerde functies. Opnamen die zijn gemaakt en opgeslagen met een ander toestel Mogelijk geeft de camera opnamen die met een andere camera zijn vastgelegd of met een computer zijn bewerkt, of waarvan de bestandsnaam is gewijzigd niet goed weer.
x Opnamen weergeven Weergave van één opname 1 Geef de opname weer. Druk op de knop . De laatstgemaakte of laatstbekeken opname wordt weergegeven. een opname. 2 Selecteer Als u de opnamen in omgekeerde volgorde wilt weergeven, draait u het instelwiel <5> linksom. Wilt u de opnamen in chronologische volgorde weergeven, dan draait u het instelwiel rechtsom. Telkens als u op de knop drukt, wordt het weergaveformaat gewijzigd.
x Opnamen weergeven de opnameweergave. 3 Beëindig Druk op de knop om de opnameweergave te beëindigen en om meteen weer opnamen te kunnen maken. 3 Rasterweergave Bij de weergave van één opname, kunt u een weergaveraster over de opname heen leggen. Bij [33: Weergaveraster] kunt u [3x3 l], [6x4 m] of [3x3+diag n] selecteren. Deze functie is handig om de verticale en horizontale kanteling en de compositie van de opname te controleren. Tijdens de movieweergave wordt het raster niet weergegeven.
B: Weergave met opname-informatie Voorbeeld van een foto gemaakt in een creatieve modus AF-fijnafstelling Belichtingscorrectiewaarde Waarde flitsbelichtingscompensatie/ HDR-modus/Ruisonderdruking bij meerdere opnamen Beveilig beelden Classificatie Mapnummer bestandsnummer Diafragma Histogram (Helderheid/RGB) Sluitertijd Meetmethode Beeldstijl/Instellingen Opnamemodus/ Meerdere opnamen ISO-snelheid Lichte tonen prioriteit Witbalans Kleurruimte Opnamedatum en -tijd Opnamekwaliteit Nummer van de opna
B: Weergave met opname-informatie Voorbeeld van een foto gemaakt in een basismodus Sfeer en sfeereffecten Opnamemodus Licht of scène * Bij opnamen die zijn gemaakt in een basismodus kan het zijn dat de weergegeven informatie verschilt, afhankelijk van de opnamemodus. * Bij opnamen die in de modus zijn gemaakt, wordt [Achtergrond wazig] weergegeven.
B: Weergave met opname-informatie Overbelichtingswaarschuwing Wanneer [33: Overbel. waarsch.] is ingesteld op [Inschakelen], knipperen de overbelichte gedeelten. Voor meer detail in de overbelichte, knipperende gedeelten stelt u de belichtingscompensatie in op een negatieve waarde en maakt u de foto opnieuw. AF-puntweergave Wanneer [33: AF-punt weerg.] is ingesteld op [Inschakelen], wordt het AF-punt waarop is scherpgesteld rood.
B: Weergave met opname-informatie Histogram Het helderheidshistogram toont de verdeling van het belichtingsniveau en de algehele helderheid. Het RGB-histogram is geschikt voor controle van de kleurverzadiging en -gradatie. De histogramweergave kan worden gewisseld met [33: Histogram]. Weergave van [Helderheid] Voorbeeldhistogrammen Dit histogram toont in grafiekvorm de verdeling van het helderheidsniveau van de opname.
x Snel opnamen zoeken H Meerdere opnamen weergeven op één scherm (indexweergave) Zoek snel naar opnamen met de indexweergave waarbij 4 of 9 opnamen op 1 scherm worden weergegeven. 1 Schakel over naar de indexweergave. Druk tijdens het weergeven van opnamen op de knop . Er verschijnt een index van 4 opnamen. De geselecteerde opname wordt gemarkeerd met een oranje rand. Druk nogmaals op de knop als u wilt overschakelen naar een weergave met 9 opnamen.
x Snel opnamen zoeken I Door opnamen navigeren (opnamesprong) In de weergave van één opname kunt u aan het instelwiel <6> draaien om snel vooruit of achteruit door de opnamen te bladeren, al naar gelang de ingestelde sprongmethode. 1 Selecteer [Spring met 6]. Selecteer [Spring met 6] op het tabblad [32] en druk vervolgens op <0>. de sprongmethode. 2 Selecteer Draai aan het instelwiel <5> om de sprongmethode te selecteren en druk op <0>.
u/y Vergrote weergave Opnamen kunnen op het LCD-scherm circa 1,5 tot 10 maal worden uitvergroot. 1 Vergroot het beeld. Druk tijdens opnameweergave op de knop . De opname wordt vergroot. Als u de knop ingedrukt houdt, wordt de opname verder vergroot tot de maximale vergroting is bereikt. Druk op de knop om de vergroting te reduceren. Als u de knop ingedrukt houdt, wordt de vergroting verder verkleind totdat het normale formaat van de opname is bereikt.
d Opnamen weergeven via het aanraakscherm Het LCD-scherm is een aanraakgevoelig paneel dat u met uw vingers kunt bedienen om zo de weergaveopties te gebruiken. Druk eerst op de knop om de opnamen weer te geven. Door opnamen bladeren Veeg met één vinger. Raak in de weergave van één opname het LCD-scherm aan met één vinger. U kunt naar de vorige of volgende opname bladeren door met uw vinger naar links of rechts te vegen.
d Opnamen weergeven via het aanraakscherm Opname verkleinen (indexweergave) Druk twee vingers tegen elkaar aan. Raak het scherm aan met twee uitgespreide vingers en breng uw vingers vervolgens samen op het scherm. Elke keer dat u uw vingers samenbrengt, verandert het scherm van de weergave van 1 opname naar een indexweergave met 4 opnamen en een indexweergave met 9 opnamen. Als u uw vingers uitspreidt, verandert de weergave in de omgekeerde volgorde.
b De opname roteren U kunt de weergegeven opname in de gewenste positie draaien. 1 Selecteer [Beeld roteren]. Selecteer [Beeld roteren] op het tabblad [31] en druk vervolgens op <0>. een opname. 2 Selecteer Draai aan het instelwiel <5> om de opname te selecteren die u wilt draaien. U kunt ook een opname selecteren in de indexweergave (pag. 296). de opname. 3 Draai Elke keer dat u op <0> drukt, wordt de opname als volgt naar rechts gedraaid: 90° 9 270° 9 0°.
3 Classificaties instellen U kunt opnamen en movies classificeren met een van vijf classificaties: l/m/n/o/p. Deze functie heet classificatie. 1 Selecteer [Classificatie]. Selecteer [Classificatie] op het tabblad [32] en druk vervolgens op <0>. een opname. 2 Selecteer Draai aan het instelwiel <5> om de opname of movie te selecteren die u wilt classificeren. Druk op de knop voor de weergave van drie opnamen. Als u wilt terugkeren naar de weergave van een enkele opname, drukt u op de knop .
3 Classificaties instellen Het totale aantal opnamen met een bepaalde classificatie dat kan worden weergegeven, is 999. Indien er meer dan 999 opnamen zijn met een bepaalde classificatie, wordt er [###] weergegeven voor die classificatie. Het voordeel van classificaties Met [32: Spring met 6] kunt u alleen opnamen met een bepaalde classificatie weergeven. Met [32: Diavoorstelling] kunt u alleen opnamen met een bepaalde classificatie afspelen.
Q Snelinstellingen voor weergave U kunt tijdens de weergave van één opname op de knop drukken om de volgende opties in te stellen: [J: Beveilig beelden], [b: Beeld roteren], [9: Classificatie], [U: Creatieve filters], [S: Wijzig formaat] (alleen JPEG-beelden), [ : Overbel. waarsch.], [ : AF-puntweergave], [e: Spring met 6], [k: Wi-Fi*]. Voor movies kunnen alleen de functies die hierboven vetgedrukt worden weergegeven worden ingesteld.
Q Snelinstellingen voor weergave Stel [51: Auto. roteren] in op [AanzD] om een opname te draaien. Als [51: Auto. roteren] is ingesteld op [AanD] of [Uit], wordt de instelling [b Beeld roteren] toegevoegd aan de opname, maar zal de camera de opname niet draaien voor weergave. Wanneer u op de knop drukt tijdens de indexweergave, wordt er overgeschakeld op de weergave van één opname en verschijnt het scherm Sneltoetsen. Druk nogmaals op de knop om terug te keren naar de indexweergave.
k Genieten van movies U kunt movies op de volgende drie manieren afspelen: Afspelen op een televisie (pag. 316 en 319) Gebruik de meegeleverde AV-kabel of een HDMI-kabel HTC-100 (afzonderlijk verkrijgbaar) of de stereo AV-kabel AVCDC400ST (afzonderlijk verkrijgbaar) om de camera op een tv aan te sluiten. U kunt de movies en foto's dan op de tv bekijken.
k Genieten van movies Afspelen en bewerken op een computer (pag. 458) De moviebestanden op de kaart kunnen worden overgezet naar een computer en worden afgespeeld of bewerkt met ImageBrowser EX (meegeleverde software). Om een movie vloeiend af te spelen op een computer, hebt u een computer met een grote capaciteit nodig. Raadpleeg het pdf-bestand ImageBrowser EX Gebruikershandleiding voor meer informatie over de hardwarevereisten voor de computer voor ImageBrowser EX.
k Movies afspelen 1 Geef de opname weer. Druk op de knop om een opname weer te geven. een movie. 2 Selecteer Draai aan het instelwiel <5> om de movie te selecteren die u wilt afspelen. Bij de weergave van één opname geeft het pictogram linksboven op het scherm aan dat het een movie betreft. Als de movie een videofoto is, wordt < > weergegeven. In de indexweergave geeft de perforatie links van een miniatuur aan dat het een movie is.
k Movies afspelen Movieweergavepaneel Bewerking Beschrijving van weergave 7 Afspelen Door op <0> te drukken, kunt u schakelen tussen weergeven en stoppen. 8 Vertraagd Pas de vertragingssnelheid aan door op de knop te drukken. De vertragingssnelheid wordt rechtsboven op het scherm weergegeven. 5 Eerste beeld Hiermee wordt het eerste beeld van de movie weergegeven. 3 Vorig beeld Elke keer dat u op <0> drukt, wordt het vorige beeld weergegeven.
X De eerste en laatste beelden van een movie bewerken Afspelen via het aanraakscherm Tik op [7] in het midden van het scherm. De movie wordt afgespeeld. Als u het movieweergavepaneel wilt weergeven, tikt u op linksboven in het scherm. Als u de movie tijdens weergave wilt pauzeren, tikt u op het scherm. Het movieweergavepaneel wordt ook weergegeven.
X De eerste en laatste beelden van een movie bewerken de bewerkte movie. 3 Controleer Selecteer [7] en druk op <0> om de bewerkte movie af te spelen. Ga terug naar stap 2 om de bewerking te wijzigen. Als u de bewerking wilt annuleren, drukt u op de knop en selecteert u [OK] op het bevestigingsscherm. de bewerkte movie op. 4 Sla Selecteer [W] en druk vervolgens op <0>. Het scherm Opslaan wordt weergegeven. Om het bestand als een nieuwe movie op te slaan, selecteert u [Nieuw bestand].
3 Diavoorstelling (automatische weergave) U kunt de opnamen op de kaart weergeven als een automatische diavoorstelling. 1 Aantal weer te geven opnamen Selecteer [Diavoorstelling]. Selecteer [Diavoorstelling] op het tabblad [32] en druk vervolgens op <0>. de opnamen die u wilt 2 Selecteer afspelen. Druk op de knop om de gewenste optie te selecteren en druk vervolgens op <0>.
3 Diavoorstelling (automatische weergave) Optie Beschrijving van weergave jAlle bldn Alle foto's en movies op de geheugenkaart worden weergegeven. iDatum De foto's en movies die zijn vastgelegd op de geselecteerde opnamedatum, worden weergegeven. nMap De foto's en movies in de geselecteerde map worden weergegeven. kMovies Alleen de movies op de geheugenkaart worden weergegeven. zFoto's Alleen de foto's op de geheugenkaart worden weergegeven.
3 Diavoorstelling (automatische weergave) [Overgangseffect] [Achtergrondmuziek] de diavoorstelling. 4 Start Druk op de knop om [Start] te selecteren en druk vervolgens op <0>. Nadat de tekst [Laden van beeld...] is weergegeven, begint de diavoorstelling. de diavoorstelling. 5 Beëindig Als u de diavoorstelling wilt afsluiten en wilt terugkeren naar het instellingenscherm, drukt u op de knop . Als u de diavoorstelling wilt pauzeren, drukt u op <0>.
3 Diavoorstelling (automatische weergave) De achtergrondmuziek selecteren Nadat u met EOS Utility (meegeleverde software) achtergrondmuziek naar de kaart hebt gekopieerd, kunt u de diavoorstelling met een achtergrondmuziekje afspelen. 1 Selecteer [Achtergrondmuziek]. Stel [Achtergrondmuziek] in op [Aan] en druk dan op <0>. Als de kaart geen achtergrondmuziek bevat, kunt u stap 2 niet uitvoeren. de achtergrondmuziek.
Opnamen op een televisie bekijken U kunt foto's en movies ook weergeven op een tv. Opnamen bekijken op een HD-tv (High-Definition) (aangesloten met behulp van HDMI) Hiervoor hebt u de HDMI-kabel HTC-100 (afzonderlijk verkrijgbaar) nodig. 1 Sluit de HDMI-kabel aan op de camera. Sluit de stekker met het -logo naar de voorzijde van de camera gericht aan op de -aansluiting. de HDMI-kabel aan op de tv. 2 Sluit Sluit de HDMI-kabel aan op de HDMI IN-poort van de tv.
Opnamen op een televisie bekijken op de knop . 5 Druk De opname wordt op het tv-scherm weergegeven. (Het LCD-scherm van de camera blijft leeg.) De opnamen worden automatisch weergegeven met de optimale resolutie van de tv. U kunt het weergaveformaat wijzigen door op de knop te drukken. Zie pagina 308 als u movies wilt weergeven. Het is niet mogelijk om de beelden gelijktijdig weer te geven via de - en -aansluiting. Sluit geen andere apparaten aan op de -aansluiting van de camera.
Opnamen op een televisie bekijken de camera aan op een tv. 2 Sluit Gebruik een HDMI-kabel om de camera aan te sluiten op de tv. De invoer van de tv wordt automatisch overgeschakeld op de HDMI-poort waarop de camera is aangesloten. op de knop op de camera. 3 Druk Op de tv wordt een opname weergegeven. U kunt de afstandsbediening van de tv gebruiken om opnamen af te spelen. een opname. 4 Selecteer Richt de afstandsbediening op de tv en druk op de knop / om een opname te selecteren.
Opnamen op een televisie bekijken Opnamen bekijken op een gewone tv (via een AV-kabel) Hiervoor is Stereo-AV-kabel AVC-DC400ST nodig (afzonderlijk verkrijgbaar). 1 Sluit de AV-kabel aan op de camera. Sluit de stekker met het logo naar de achterzijde van de camera gericht aan op de -aansluiting. de AV-kabel aan op de tv. 2 Sluit Sluit de AV-kabel aan op de video IN- (rood) (wit) AUDIO (geel) VIDEO aansluiting en de audio IN-aansluiting van de tv.
K Opnamen beveiligen Door opnamen te beveiligen, voorkomt u dat deze per ongeluk worden verwijderd. 3 Een afzonderlijke opname beveiligen 1 Selecteer [Beveilig beelden]. Selecteer [Beveilig beelden] op het tabblad [31] en druk vervolgens op <0>. [Selecteer beelden]. 2 Selecteer Selecteer [Selecteer beelden] en druk vervolgens op <0>. Er wordt een opname weergegeven. Wisbeveiligingspictogram de opname.
K Opnamen beveiligen 3 Alle opnamen in een map of op een kaart beveiligen U kunt alle opnamen in een map of op een geheugenkaart tegelijk beveiligen. Wanneer u [Alle beelden in map] of [Alle beelden op kaart] selecteert in [31: Beveilig beelden], worden alle opnamen in de map of op de kaart beveiligd. Om de opnamebeveiliging te annuleren, selecteert u [Wis bev. beelden in map] of [Wis bev. alle beelden op kaart]. Als u de kaart formatteert (pag. 57), worden ook beveiligde opnamen verwijderd.
L Opnamen wissen U kunt overbodige opnamen één voor één of in een batch selecteren en wissen. Beveiligde opnamen (pag. 320) worden niet gewist. Als een opname eenmaal is gewist, kan deze niet meer worden teruggehaald. Wis een opname pas als u zeker weet dat u deze niet meer nodig hebt. Beveilig belangrijke opnamen om te voorkomen dat deze per ongeluk worden gewist. Als u een RAW+JPEG-afbeelding verwijdert, wordt zowel de RAW- als de JPEG-afbeelding verwijderd.
L Opnamen wissen [Selecteer en wis beelden]. 2 Selecteer Selecteer [Selecteer en wis beelden] en druk vervolgens op <0>. Er wordt een opname weergegeven. Druk op de knop voor de weergave van drie opnamen. Als u wilt terugkeren naar de weergave van een enkele opname, drukt u op de knop . de opnamen die u wilt 3 Selecteer wissen. Draai aan het instelwiel <5> om de gewenste opname te kiezen en druk vervolgens op <0>. Er wordt linksboven in het scherm een vinkje weergegeven.
De instellingen voor het weergeven van opnamen wijzigen 3 De helderheid van het LCD-scherm aanpassen U kunt de helderheid van het LCD-scherm aanpassen, zodat het gemakkelijker te lezen is. 1 Selecteer [LCD-helderheid]. Selecteer op het tabblad [52] de optie [LCD-helderheid] en druk vervolgens op <0>. aan. 2 PasKijkdenaarhelderheid het diagram met grijswaarden en druk op de knop en vervolgens op <0>.
De instellingen voor het weergeven van opnamen wijzigen 3 Verticale opnamen automatisch roteren Verticale opnamen worden automatisch geroteerd, zodat ze verticaal in plaats van horizontaal op het LCD-scherm van de camera of op de computer worden weergegeven. U kunt de instelling voor deze functie wijzigen. 1 Selecteer [Auto. roteren]. Selecteer op het tabblad [51] de optie [Auto. roteren] en druk vervolgens op <0>. de optie Auto. roteren in. 2 Stel Selecteer de gewenste instelling en druk op <0>.
10 Opnamen naverwerken U kunt RAW-opnamen met de camera verwerken, het formaat van JPEG-opnamen wijzigen (verkleinen) en creatieve filters toepassen. Het pictogram M rechts boven de paginatitel geeft aan dat de functie alleen in de creatieve modi (d/ s/ f/ a/ F) beschikbaar is. De camera kan mogelijk geen opnamen verwerken die zijn gemaakt met een andere camera.
R RAW-opnamen met de camera verwerkenN U kunt 1-bestanden verwerken met de camera en ze opslaan als JPEG-bestanden. Ook al verandert het RAW-bestand zelf niet, u kunt het RAW-bestand toch verwerken voor verschillende omstandigheden om er vervolgens diverse JPEG-bestanden van te maken. 41- en 61-bestanden kunnen niet met de camera worden verwerkt. Gebruik Digital Photo Professional (meegeleverde software, pag. 457) om die bestanden te verwerken. 1 Selecteer [RAW-beeldverwerking].
R RAW-opnamen met de camera verwerkenN Het instellingenscherm weergeven Druk op <0> om het instellingenscherm weer te geven. Draai aan het instelwiel <5> of <6> om de instelling te wijzigen. Om de wijziging door te voeren en terug te keren naar het scherm van stap 3, drukt u op <0>. de opname op. 4 Sla Selecteer [W] (Opslaan) en druk vervolgens op <0>. Selecteer [OK] om de opname op te slaan. Controleer de bestemmingsmap en het nummer van het bestand en selecteer [OK].
R RAW-opnamen met de camera verwerkenN RAW-beeldverwerkingsopties Helderheid aanpassen U kunt de helderheid van de opname aanpassen met maximaal ±1 stop in stappen van 1/3-stop. Het effect van de instelling is zichtbaar in de weergegeven opname. Beeldstijl (pag. 126) U kunt de beeldstijl selecteren. Druk op de knop om de beeldstijl te selecteren. Om parameters zoals scherpte in te stellen, drukt u op om het instellingenscherm weer te geven.
R RAW-opnamen met de camera verwerkenN Kleurruimte (pag. 155) U kunt sRGB of Adobe RGB selecteren. Omdat het LCD-scherm van de camera niet compatibel is met Adobe RGB, zal de opname er niet heel anders uitzien, ongeacht de kleurruimte die is ingesteld. Correctie helderheid randen (pag. 146) Indien [Inschakelen] is ingesteld, wordt het gecorrigeerde beeld weergegeven. Als het effect niet goed te zien is, vergroot u het beeld (pag. 329) en bekijkt u de hoeken van het beeld.
R RAW-opnamen met de camera verwerkenN Correctie helderheid randen, vervormingscorrectie en chromatische correctie Om correctie helderheid randen, vervormingscorrectie en chromatische correctie uit te voeren met de camera, dienen de gegevens van het objectief dat wordt gebruikt voor de opname, te worden geregistreerd in de camera. Als de objectiefgegevens niet zijn geregistreerd in de camera, gebruikt u EOS Utility (meegeleverde software, pag. 457) om de objectiefgegevens te registreren.
S Het formaat van JPEG-opnamen wijzigen U kunt het formaat van een opname wijzigen om het aantal pixels te reduceren en u kunt de opname vervolgens als nieuw bestand opslaan. Het is alleen bij JPEG 3/4/a/b-opnamen mogelijk om het formaat te wijzigen. Het formaat van JPEG c- en RAW-opnamen kan niet worden gewijzigd. 1 Selecteer [Wijzig formaat]. Selecteer [Wijzig formaat] op het tabblad [32] en druk vervolgens op <0>. Er wordt een opname weergegeven. een opname.
S Het formaat van JPEG-opnamen wijzigen Opties voor wijziging formaat op basis van het originele beeldformaat Beschikbare instellingen voor wijziging formaat Origineel beeldformaat 3 4 a b c k k k k k k k k k 4 a k b Beeldformaten Het beeldformaat dat wordt weergegeven bij stap 3 op de voorgaande pagina, zoals [***M ****x****], heeft een beeldverhouding van 3:2. Het beeldformaat volgens de beeldverhoudingen wordt weergegeven in de onderstaande tabel.
U Creatieve filters toepassen U kunt de volgende creatieve filters toepassen op een opname en deze opslaan als een nieuw bestand: Korrelig Z/W, Softfocus, Fisheye-effect, Effect kunst opvallend, Aquareleffect, Speelgoedcamera-effect en Miniatuureffect. 1 Selecteer [Creatieve filters]. Selecteer op het tabblad [x1] de optie [Creatieve filters] en druk vervolgens op <0>. Er wordt een opname weergegeven. een opname.
U Creatieve filters toepassen de opname op. 5 Sla Selecteer [OK] om de opname op te slaan. Controleer de bestemmingsmap en het nummer van het bestand en selecteer [OK]. Als u het filter op nog een opname wilt toepassen, herhaalt u stap 2 t/m 5. Als u wilt terugkeren naar het menu, drukt u op de knop . Wanneer u 1+JPEG-opnamen maakt, wordt het creatieve filter toegepast op de 1-opname en wordt de opname opgeslagen als JPEG-bestand.
U Creatieve filters toepassen Fisheye-effect Geeft het effect van een fisheye-objectief. De opname krijgt een tonvormige vervorming. Afhankelijk van het niveau van dit filtereffect, verandert het bijgesneden gedeelte langs de rand van de opname. Aangezien dit filtereffect er tevens voor zorgt dat het midden van het beeld wordt vergroot, kan de ogenschijnlijke resolutie in het midden slechter zijn afhankelijk van het aantal opgenomen pixels.
11 Sensorreiniging De voorzijde van de beeldsensor (low-pass-filter) beschikt over een zelfreinigende sensor die automatisch stof verwijdert. Ook kunnen stofwisdata aan de opname worden toegevoegd, zodat achtergebleven stofdeeltjes automatisch kunnen worden verwijderd met Digital Photo Professional (meegeleverde software, pag. 457).
f Automatische sensorreiniging Als u de aan-uitschakelaar op <1> of <2> zet, verwijdert de zelfreinigende sensor automatisch het stof van de voorzijde van de sensor. Normaal gesproken is de reinigingseenheid actief zonder dat u daar iets van merkt. U kunt de sensorreiniging echter op ieder gewenst moment activeren of uitschakelen. De sensor nu reinigen 1 Selecteer [Sensorreiniging]. Selecteer [Sensorreiniging] op het tabblad [54] en druk vervolgens op <0>. [Reinig nuf].
3 Stofwisdata toevoegenN De zelfreinigende sensor zal er gewoonlijk voor zorgen dat er nauwelijks stof zichtbaar is op opnamen. Als er echter zichtbaar stof achterblijft, kunt u stofwisdata aan de opname toevoegen om naderhand stofvlekken te verwijderen. Digital Photo Professional (meegeleverde software, pag. 457) gebruikt de stofwisdata om stofvlekken automatisch te verwijderen. Voorbereiding Zorg voor een effen wit object, zoals een vel papier.
3 Stofwisdata toevoegenN een effen wit object. 3 Fotografeer Vul de zoeker op een afstand van 20-30 cm met een effen wit object zonder patroon en maak een opname. De foto wordt in de diafragmavoorkeuzemodus gemaakt bij een diafragma van f/22. Aangezien de opname niet wordt opgeslagen, kunnen de gegevens nog altijd worden opgehaald, ook al is er geen kaart in de camera geplaatst. Nadat de foto is gemaakt, verzamelt de camera de stofwisdata.
3 Handmatige sensorreinigingN Stof dat na de automatische sensorreiniging is achtergebleven, kunt u handmatig verwijderen met een in de handel verkrijgbaar blaasbuisje of een vergelijkbaar hulpmiddel. Haal het objectief van de camera voordat u de sensor gaat reinigen. Het oppervlak van de beeldsensor is zeer kwetsbaar. Wij raden u aan om fysieke reiniging van de sensor bij een Canon Service Center te laten uitvoeren. 1 Selecteer [Sensorreiniging].
3 Handmatige sensorreinigingN Tijdens het reinigen van de sensor mag u geen van de onderstaande handelingen verrichten. Als de stroom wordt onderbroken, gaat de sluiter dicht en kunnen de sluitergordijnen of de beeldsensor beschadigd raken. • De aan-uitschakelaar op <2> zetten. • De batterij verwijderen/plaatsen. Het oppervlak van de beeldsensor is zeer kwetsbaar. Reinig de sensor voorzichtig. Gebruik een gewoon blaasbuisje zonder borsteltje.
12 Opnamen afdrukken Afdrukken (pag. 348) U kunt de camera rechtstreeks aansluiten op een printer en de opnamen op de kaart afdrukken. De camera is compatibel met 'wPictBridge', de standaard voor rechtstreeks afdrukken. U kunt ook een draadloos LAN gebruiken om opnamen naar een PictBridge (draadloos LAN)-printer te verzenden om af te drukken. Raadpleeg de Instructiehandleiding Wi-Fi functie voor meer informatie. Digital Print Order Format (DPOF) (pag.
Het afdrukken voorbereiden De procedure voor rechtstreeks afdrukken kan volledig worden uitgevoerd via het LCD-scherm van de camera. De camera op een printer aansluiten 1 Zet de aan-uitschakelaar van de camera op <2>. de printer. 2 Installeer Raadpleeg de instructiehandleiding van de printer voor meer informatie. de camera aan op de printer. 3 Sluit Gebruik de interfacekabel die bij de camera is geleverd.
Het afdrukken voorbereiden wPictBridge de opname weer. 6 Geef Druk op de knop . De opname wordt weergegeven en het pictogram linksboven op het scherm geeft aan dat de camera op een printer is aangesloten. Controleer of de printer over een PictBridge-aansluiting beschikt. U kunt movies niet afdrukken. De camera kan niet worden gebruikt met printers die alleen compatibel zijn met CP Direct of Bubble Jet Direct. Gebruik alleen de meegeleverde interfacekabel.
w Afdrukken De schermweergave en instellingsopties kunnen per printer verschillen. Sommige instellingen zijn mogelijk niet beschikbaar. Raadpleeg de instructiehandleiding van de printer voor meer informatie. Pictogram aangesloten 1 Selecteer de opname die u wilt afdrukken. Controleer of linksboven in het LCDscherm het pictogram wordt weergegeven. Draai aan het instelwiel <5> om de opname te selecteren die u wilt afdrukken. op <0>. 2 Druk Het scherm met afdrukinstellingen wordt weergegeven.
w Afdrukken Q Het papierformaat instellen Selecteer het formaat van het papier dat in de printer is geplaatst en druk vervolgens op <0>. Het scherm met papiersoorten wordt weergegeven. Y De papiersoort instellen Selecteer het type papier dat in de printer is geplaatst en druk vervolgens op <0>. Het scherm voor de pagina-indeling wordt weergegeven. U De pagina-indeling instellen Selecteer de pagina-indeling en druk vervolgens op <0>. Het scherm met afdrukinstellingen verschijnt weer.
w Afdrukken de afdrukeffecten in. 4 Stel Stel ze indien nodig in. Ga naar stap 5 als u geen afdrukeffecten wilt instellen. De schermweergave kan per printer verschillen. Selecteer de optie en druk vervolgens op <0>. Selecteer het gewenste afdrukeffect en druk vervolgens op <0>. Als de pictogrammen en helder worden weergegeven, kunt u ook het afdrukeffect aanpassen (pag. 352). Afdrukeffect Omschrijving EAan De opname wordt afgedrukt met de standaardkleuren van de printer.
w Afdrukken het afdrukken van de datum 5 Stel en het bestandsnummer in. Stel ze indien nodig in. Selecteer en druk vervolgens op <0>. Stel de afdrukinstellingen naar wens in en druk vervolgens op <0>. het aantal exemplaren in. 6 Stel Stel de zomertijd in als dit nodig is. Selecteer en druk vervolgens op <0>. Stel het aantal exemplaren in en druk vervolgens op <0>. met afdrukken. 7 Begin Selecteer [Print] en druk vervolgens op <0>.
w Afdrukken e Afdrukeffecten aanpassen Selecteer het afdrukeffect zoals beschreven bij stap 4 op pagina 350. Wanneer het pictogram duidelijk wordt weergegeven naast , kunt u op de knop drukken. Vervolgens kunt u het afdrukeffect aanpassen. De selectie die u bij stap 4 hebt gemaakt, bepaalt wat u kunt aanpassen en wat er wordt weergegeven. Helderheid Hier stelt u de helderheid van de opname in. Levels aanp.
w Afdrukken De opname bijsnijden Kantelcorrectie U kunt de opname bijsnijden en alleen een vergrote versie van het bijgesneden gedeelte afdrukken, net alsof de compositie opnieuw is bepaald. Stel het bijsnijden in vlak voordat u de opname afdrukt. Als u de afdrukinstellingen wijzigt nadat u het bijsnijden hebt ingesteld, moet u het bijsnijden wellicht opnieuw instellen voordat u kunt afdrukken. 1 Selecteer [Afstellen] in het scherm met afdrukinstellingen. 2 Stel de grootte, positie en beeldverhouding in.
w Afdrukken Afhankelijk van de printer is het mogelijk dat het bijgesneden gedeelte van de opname niet wordt afgedrukt zoals u hebt opgegeven. De afgedrukte foto wordt korreliger naarmate u het bijsnijdkader verkleint. Controleer de opname tijdens het bijsnijden op het LCD-scherm van de camera. Op een tv-scherm wordt het bijsnijdkader mogelijk niet correct weergegeven.
W Digital Print Order Format (DPOF) U kunt het afdruktype instellen en instellen of de datum en het bestandsnummer moeten worden afgedrukt. De afdrukinstellingen worden toegepast op alle opnamen die zijn geselecteerd om te worden afgedrukt. (Ze kunnen niet voor elke opname afzonderlijk worden ingesteld.) De afdrukopties instellen 1 Selecteer [Printopties]. Selecteer [Printopties] op het tabblad [31] en druk vervolgens op <0>. [Stel in]. 2 Selecteer Selecteer [Stel in] en druk vervolgens op <0>.
W Digital Print Order Format (DPOF) K Afdruktype Datum File No. Standaard Er wordt één opname afgedrukt per vel. L Index Er worden meerdere miniatuurafbeeldingen afgedrukt per vel. K L Beide Er worden zowel standaard- als indexafdrukken gemaakt. Aan Uit Aan Uit Bij [Aan] wordt de datum van de opname afgedrukt. Bij [Aan] wordt het bestandsnummer van de opname afgedrukt. de instelling. 4 Verlaat Druk op de knop . Het scherm met afdrukopties verschijnt weer.
W Digital Print Order Format (DPOF) Afdrukopties opgeven Sel.beeld Selecteer een voor een opnamen en voeg ze aan de afdruktaak toe. Druk op de knop voor de weergave van drie opnamen. Als u wilt terugkeren naar de weergave van een enkele opname, drukt u op de knop . Druk op de knop om de afdruktaak op de kaart op te slaan.
W Voor DPOF geselecteerde opnamen rechtstreeks afdrukken Met een PictBridge-printer kunt u opnamen eenvoudig met DPOF afdrukken. 1 Bereid het afdrukken voor. Zie pagina 346. Volg de procedure 'De camera op een printer aansluiten' tot stap 5. 2 Selecteer [Printopties] op het tabblad [31]. 3 Selecteer [Print]. [Print] wordt alleen weergegeven als de camera op een printer is aangesloten en afdrukken mogelijk is. 4 Stel de optie [Papier inst.] in (pag. 348). Stel de afdrukeffecten (pag.
p Opnamen selecteren voor een fotoboek Wanneer u opnamen selecteert om te gebruiken in fotoboeken (maximaal 998 opnamen) en EOS Utility (meegeleverde software) gebruikt om ze over te brengen naar een computer, worden de geselecteerde opnamen naar een speciale map gekopieerd. Deze functie is handig als u online fotoboeken wilt bestellen. Eén opname tegelijk opgeven 1 Selecteer [Fotoboek instellen]. Selecteer op het tabblad [x1] de optie [Fotoboek instellen] en druk vervolgens op <0>.
p Opnamen selecteren voor een fotoboek Alle opnamen in een map of op een kaart opgeven U kunt alle opnamen in een map of op een geheugenkaart tegelijk opgeven. Als [x1: Fotoboek instellen] is ingesteld op [Alle beelden in map] of [Alle beelden op kaart], worden alle opnamen in de map of op de kaart opgegeven. Als u de selectie van de opname wilt annuleren, selecteert u [Verwijder alles in de map] of [Verwijder alles op de kaart].
13 De camera aanpassen aan uw voorkeuren U kunt verschillende camerafuncties aanpassen aan uw opnamevoorkeuren met behulp van persoonlijke voorkeuzen. U kunt de huidige camera-instellingen ook opslaan onder de standen van het programmakeuzewiel. De functies die worden uitgelegd in dit hoofdstuk werken alleen in de creatieve modi.
3 Persoonlijke voorkeuzen instellenN 1 Selecteer [8]. de groep. 2 Selecteer Selecteer een van de persoonlijke voorkeuze-instellingen C.Fn I, II of III en druk vervolgens op <0>. Nummer van persoonlijke voorkeuze het nummer van de 3 Selecteer persoonlijke voorkeuze. Druk op de knop om het nummer van de persoonlijke voorkeuze te selecteren en druk vervolgens op <0>. de instelling. 4 Wijzig Selecteer de gewenste instelling (nummer) en druk op <0>.
3 Persoonlijke voorkeuzenN A LVopnamen C.Fn I: Belichting k Movieopnamen 1 Belichtingsniveauverhogingen pag. 365 k k 2 ISO-stappen pag. 365 k In a 3 Bracketing automatisch annuleren pag. 365 k 4 Bracketingvolgorde pag. 366 k 5 Aantal bracketed opnamen pag. 366 k (Foto met witbalansbracketing (WB-BKT)) 6 Veiligheidsshift pag. 367 k C.Fn II: Automatische scherpstelling 1 Trackinggevoeligheid pag. 368 2 Versnelde/vertraagde tracking pag.
3 Persoonlijke voorkeuzenN C.Fn III: Bediening/overig 1 Wielrichting bij tv/AV pag. 375 k k 2 Multifunctievergrendeling pag. 375 k k 3 Waarschuwingen z in zoeker pag. 376 4 Aangepaste bediening pag.
3 Persoonlijke voorkeuze-instellingenN C.Fn I: Belichting C.Fn I -1 Belichtingsniveauverhogingen 0: 1/3-stop 1: 1/2-stop Hier stelt u verhogingen in stappen van 1/2 stop in voor de sluitertijd, het diafragma, AEB, de flitsbelichtingscompensatie, enzovoort. Deze instelling is effectief als u de belichting wilt regelen in grotere stappen dan 1/3 stop. Met instelling 1 wordt de belichtingsinstelling als volgt weergegeven in de zoeker en op het LCD-scherm. C.Fn I -2 ISO-stappen 0: 1/3-stop 1: 1-stop C.
3 Persoonlijke voorkeuze-instellingenN C.Fn I -4 Bracketingvolgorde De volgorde van de opnamereeks voor AEB en WB-BKT kan worden gewijzigd. 0: 09-9+ 1: -909+ 2: +909Witbalans bracketing Richting b/a Richting m/g 0 : standaardwitbalans 0 : standaardwitbalans – : meer blauw – : meer magenta + : meer amber + : meer groen AEB 0 : standaardbelichting – : verminderde belichting + : verhoogde belichting C.
3 Persoonlijke voorkeuze-instellingenN C.Fn I -6 Veiligheidsshift 0: Deactiveren 1: Sluitertijd/diafragma Dit werkt in de modi AE met sluitervoork. (s) en AE met diafragmavoork. (f). Als de helderheid van het onderwerp verandert en de standaardbelichting niet binnen het bereik van de automatische belichting valt, wordt de handmatig opgegeven instelling automatisch door de camera gewijzigd zodat een standaardbelichting kan worden gebruikt.
3 Persoonlijke voorkeuze-instellingenN C.Fn II: Automatische scherpstelling C.Fn II -1 Trackinggevoeligheid Bepaalt de gevoeligheid bij het volgen van het onderwerp tijdens AI Servo AF wanneer een obstakel de AF-punten nadert of wanneer de AF-punten zich van het onderwerp vandaan bewegen. 0: Een standaardinstelling die geschikt is voor de meeste onderwerpen. Geschikt voor normale, bewegende onderwerpen.
3 Persoonlijke voorkeuze-instellingenN C.Fn II -2 Versnelde/vertraagde tracking Dit bepaalt de gevoeligheid voor het volgen van bewegende onderwerpen die plotseling enorm kunnen versnellen of vertragen, bijvoorbeeld als gevolg van abrupt starten of stoppen, enz. 0: Geschikt voor onderwerpen die zich met een vaste snelheid verplaatsen. +2 / +1: Dit is effectief voor onderwerpen die plotselinge bewegingen maken, plotseling versnellen of vaart minderen of plotseling stoppen.
3 Persoonlijke voorkeuze-instellingenN C.Fn II -4 AI servo 2e beeldvoorkeur U kunt de eigenschappen instellen voor de automatische scherpstelling en de ontspantiming tijdens het maken van continuopnamen na de eerste opname met AI Servo AF. Gelijke voorkeur: Er wordt aan het scherpstellen en continue-opnamesnelheid gelijke prioriteit gegeven. Bij weinig licht of met onderwerpen met weinig contrast kan de opnamesnelheid afnemen.
3 Persoonlijke voorkeuze-instellingenN C.Fn II -5 AF-hulplicht Hiermee wordt het AF-hulplicht van de ingebouwde flitser of externe Speedlite inof uitgeschakeld. 0: Inschakelen Het AF-hulplicht wordt indien nodig ingeschakeld. 1: Deactiveren Het AF-hulplicht wordt niet ingeschakeld. Dit voorkomt dat het AF-hulplicht anderen stoort. 2: Alleen externe flitser Het AF-hulplicht wordt indien nodig ingeschakeld, maar alleen als er een externe Speedlight wordt gebruikt.
3 Persoonlijke voorkeuze-instellingenN C.Fn II -7 Selecteer AF-gebiedselectiemodus U kunt de selecteerbare AF-gebiedselectiemodi beperken tot uw opnamevoorkeuren. Selecteer de modus die u wilt gebruiken, druk op <0> om er een bij te zetten en selecteer [OK]. : Handmatige selectie: 1 pt AF U kunt één AF-punt selecteren. : Handmatige selectie: Zone-AF De 19 AF-punten worden in vijf zones verdeeld om op scherp te stellen. : Aut. selectie: 19-pt AF Alle AF-punten worden gebruikt om scherp te stellen.
3 Persoonlijke voorkeuze-instellingenN C.Fn II -9 AF-punt op basis van richting U kunt de AF-gebiedselectiemodus en het handmatig geselecteerde AF-punt afzonderlijk instellen voor verticaal en horizontaal fotograferen. 0: Gelijk voor verticaal/horizontaal Voor zowel verticaal als horizontaal fotograferen worden dezelfde AFgebiedselectiemodus en hetzelfde handmatig geselecteerde AF-punt (of dezelfde handmatig geselecteerde zone) gebruikt.
3 Persoonlijke voorkeuze-instellingenN C.Fn II -11 AF-punt weergeven tijdens focus U kunt instellen of u het AF-punt (of de AF-punten) in de volgende gevallen wilt weergeven: 1. wanneer u het AF-punt (of de AF-punten) selecteert, 2. wanneer de camera gereed is voor het maken van opnamen (voor de automatische scherpstelling), 3. tijdens de automatische scherpstelling, en 4. als de scherpstelling is bereikt. 0: Geselecteerd (constant) De geselecteerde AF-punten worden altijd weergegeven.
3 Persoonlijke voorkeuze-instellingenN C.Fn II -13 AF-fijnafstelling Fijnafstelling van het scherpstelpunt bij automatische scherpstelling is mogelijk voor opnamen met de zoeker en Live view-opnamen in de Quick-modus. Zie pagina 377 voor meer informatie. C.Fn III: Bediening/overig C.Fn III -1 Wielrichting bij Tv/Av 0: Normaal 1: Omgekeerde richting U kunt de richting omkeren waarin u het instelwiel moet draaien om de sluitertijd en het diafragma in te stellen.
3 Persoonlijke voorkeuze-instellingenN C.Fn III -3 Waarschuwingen z in zoeker Wanneer een van de volgende functies is ingesteld, wordt het pictogram rechtsonder in de zoeker (pag. 23) weergegeven. Wanneer dit is ingesteld, wordt het pictogram ook weergegeven voor opname-instellingen (pag. 49). Selecteer de functie waarvoor u het waarschuwingspictogram wilt weergeven, druk op <0> om er een bij te zetten en selecteer [OK].
8: Fijnafstelling van het scherpstelpunt bij automatische scherpstelling Fijnafstelling van het scherpstelpunt bij automatische scherpstelling is mogelijk voor opnamen met de zoeker en Live view-opnamen in de Quickmodus. Dit wordt 'AF-fijnafstelling' genoemd. Lees voordat u aanpassingen doorvoert 'Opmerkingen bij AF-fijnafstelling' op pagina 382. Gewoonlijk is deze aanpassing niet nodig. Voer deze aanpassing alleen uit als het nodig is.
8: Fijnafstelling van het scherpstelpunt bij automatische scherpstelling de aanpassing. 5 Maak Druk op de knop om de aanpassing door te voeren. Het instelbare bereik is ±20 stappen. Door een instelling in de richting van "-: " te kiezen, brengt u het scherpstelpunt meer naar voren ten opzichte van het standaardscherpstelpunt. Door een instelling in de richting van "+: " te kiezen, brengt u het scherpstelpunt meer naar achteren ten opzichte van het standaardscherpstelpunt.
8: Fijnafstelling van het scherpstelpunt bij automatische scherpstelling 2: Per lens afstellen U kunt de aanpassing voor ieder objectief doorvoeren en de aanpassing in de camera registreren. U kunt voor maximaal 40 objectieven aanpassingen registreren. Wanneer u automatisch scherpstelt met een objectief waarvan de aanpassing is geregistreerd, zal het scherpstelpunt door de aanpassing altijd zijn bijgesteld.
8: Fijnafstelling van het scherpstelpunt bij automatische scherpstelling Voer het serienummer in. Druk op de knop om de gewenste cijfer te selecteren en druk vervolgens op <0> om weer te geven. Druk op de knop om het getal in te voeren en druk vervolgens op <0>. Nadat u alle cijfers hebt ingevoerd, selecteert u [OK] en drukt u vervolgens op <0>.
8: Fijnafstelling van het scherpstelpunt bij automatische scherpstelling Objectief met een vaste brandpuntsafstand de aanpassing. 4 Maak Druk voor een zoomobjectief op de Zoomlens knop en selecteer de groothoekstand (W) of de telestand (T). Druk op <0> zodat het vak verdwijnt u de aanpassing kunt doorvoeren. Druk op de knop om de gewenste aanpassing te doen en druk vervolgens op <0>. Het instelbare bereik is ±20 stappen.
8: Fijnafstelling van het scherpstelpunt bij automatische scherpstelling Wanneer u opnamen maakt met het middenbereik (brandpuntsafstand) van een zoomlens, wordt het scherpstelpunt bij automatische scherpstelling gecorrigeerd ten opzichte van de aanpassingen die zijn gemaakt voor de groothoek- en telestand. Zelfs wanneer alleen de groothoek- of telestand is aangepast, wordt automatisch een correctie doorgevoerd voor het middenbereik.
8: Aangepaste bediening U kunt veelgebruikte functies naar wens toewijzen aan cameraknoppen of instelwielen. 1 Selecteer [C.Fn III: Bediening/ overig]. Selecteer op het tabblad [8] [C.Fn III: Bediening/overig] en druk op <0>. [4: Aangepaste 2 Selecteer bediening]. Selecteer [4: Aangepaste bediening] te selecteren en druk op <0>. Het scherm Aangepaste bediening wordt weergegeven. een knop of instelwiel. 3 Selecteer Selecteer een knop of instelwiel en druk vervolgens <0>.
8: Aangepaste bediening Toewijsbare functies voor knoppen/wielen op de camera Functie Pagina k Meten en AF-start AF AF-stop 386 ONE SHOT z AI SERVO k k k k k k k k k k k k k k Directe AF-puntselectie Start meten AE-vergrendeling/FE-vergrendeling 386 k Belichtingsvergrendeling k AE-vergrendeling (bij ingedrukte knop) Belichting AE-vergrendeling (vasthouden) Flitsbelichtingsvergrendeling ISO-snelheid instellen (knop vasthouden, 387 draaien) Sluitertijdinstel.
8: Aangepaste bediening * k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k * De AF-stopknop ( k ) is alleen aanwezig op IS-superteleobjectieven.
8: Aangepaste bediening : Meten en AF-start Wanneer u op de knop drukt die aan deze functie is toegewezen, worden de meting en de AF uitgevoerd. : AF-stop De AF stopt wanneer u de knop die aan deze functie is toegewezen ingedrukt houdt. Dit is handig wanneer u de focus wilt vergrendelen tijdens AI Servo AF. : ONE SHOT z AI SERVO U kunt het AF-gebruik wisselen. Wanneer u in de modus 1-beeld AF de knop ingedrukt houdt waaraan deze functie is toegewezen, schakelt de camera over naar de modus AI Servo AF.
8: Aangepaste bediening : Belichtingsvergrendeling Wanneer u op de knop drukt die aan deze functie is toegewezen, kunt u de belichting tijdens de meting vergrendelen (AE-vergrendeling). Dit is handig wanneer u de opname op meerdere gebieden wilt scherpstellen en meten of een aantal opnamen wilt maken met dezelfde belichtingsinstelling. : AE-vergrendeling (bij ingedrukte knop) De belichting wordt vergrendeld (AE-vergrendeling) wanneer u de ontspanknop indrukt.
8: Aangepaste bediening : Flitsbelichtingscompensatie Druk op <0> om het scherm voor het instellen van de flitsbelichtingscompensatie (pag. 190) op het LCD-scherm weer te geven. : Beeldkwaliteit Druk op <0> om het instellingenscherm voor beeldkwaliteit (pag. 116) op het LCD-scherm weer te geven. : Beeldstijl Druk op <0> om het scherm voor het selecteren van een beeldstijl (pag. 126) op het LCD-scherm weer te geven.
3 My Menu vastleggenN Op het tabblad My Menu kunt u tot zes menuopties en persoonlijke voorkeuzen vastleggen waarvan u de instellingen regelmatig wijzigt. 1 Selecteer [My Menu instellingen]. Selecteer op het tabblad [9] de optie [My Menu instellingen] en druk vervolgens op <0>. [Register in My Menu]. 2 Selecteer Selecteer [Register in My Menu] en druk op <0>. de gewenste items vast. 3 Leg Selecteer het item en druk vervolgens op <0>. Selecteer [OK] en druk op <0> om het item vast te leggen.
w: Aangepaste opnamemodi instellenN U kunt de huidige camera-instellingen, zoals de opnamemodus, menufuncties en persoonlijke voorkeuzen als aangepaste opnamemodus onder de stand van het programmakeuzewiel instellen. 1 Selecteer [Aangep. opnamemodus (C-modus)]. Selecteer [Aangep. opnamemodus (C-modus)] op het tabblad [54] en druk vervolgens op <0>. [Registreer instellingen]. 2 Selecteer Selecteer [Registreer instellingen] en druk vervolgens op <0>. de aangepaste 3 Registreer opnamemodus.
w: Aangepaste opnamemodi instellenN Vastgelegde instellingen Instellingen voor de opnamefunctie Opnamemodus, sluitertijd, diafragma, ISO-snelheid, belichtingscompensatie, flitsbelichtingscompensatie, AF-gebruik, AF-punt, transportmodus en meetmethode.
w: Aangepaste opnamemodi instellenN C.Fn I: Belichting Belichtingsniveauverhogingen, ISO-stappen, Bracketing automatisch annuleren, Bracketingvolgorde, Aantal bracketed opnamen, Veiligheidsshift C.Fn II: Automatische scherpstelling Trackinggevoeligheid, Versnelling/vertraging tracking, Selectiemethode AF-gebied, AI servo 1e beeldvoorkeur, AI servo 2e beeldvoorkeur, AF-hulplicht, Obj.
14 Referentie Dit hoofdstuk biedt referentie voor camerafuncties, systeemaccessoires, enzovoort. Certificaatlogo Als u [54: Certificaatlogo weergeven] selecteert en op <0> drukt, wordt een aantal logo's van cameracertificaten weergegeven. Andere certificaatlogo's zijn te vinden in deze instructiehandleiding, op de camerabehuizing en op de verpakking van de camera.
B-knopfuncties Als u op de knop drukt wanneer de camera gereed is om opnamen te maken, kunt u [Geeft camera-inst. weer], [Digitale horizon] (pag. 65) en [Geeft opname-inst. weer] (pag. 395) weergeven. Op het tabblad [53] kunt u met [Weergaveopties z-knop] aangeven welke opties moeten worden weergegeven wanneer u op de knop drukt. Selecteer de gewenste optie en druk op <0> om er een bij te zetten. Nadat u de selectie hebt gemaakt, selecteert u [OK] en drukt u vervolgens op <0>.
B-knopfuncties Instellingen voor de opnamefunctie Witbalanscorrectie Sluitertijd Opnamemodus Indicator belichtingsniveau Beeldstijl AF-gebruik Pictogram Sneltoetsen Batterijniveau Witbalans AF-puntselectie Eye-Fi-overdrachtstatus Status GPS-ontvangst Transportmodus Wi-Fi-overdrachtsstatus Diafragma Belichtingsvergrendeling Flitsbelichtingscompensatie ISO-snelheid Lichte tonen prioriteit WIFI-voorziening Aangepaste bediening Opnamekwaliteit Maximumaantal opnamen Max.
3 De batterijgegevens controleren U kunt de status van de batterij controleren op het LCD-scherm. Elke LP-E6/ LP-E6N-accu heeft een uniek serienummer en u kunt meerdere accu's registreren in de camera. Wanneer u deze functie gebruikt, kunt u de resterende capaciteit en de gebruiksgeschiedenis van de geregistreerde accu controleren. Selecteer [Accu-info]. Selecteer [Accu-info] op het tabblad [54] en druk vervolgens op <0>. Het scherm met de batterijgegevens wordt weergegeven.
3 De batterijgegevens controleren De batterij registreren in de camera U kunt maximaal zes LP-E6/LP-E6N-accu's registreren in de camera. Als u meerdere accu's wilt registreren in de camera, voert u voor elke accu de onderstaande procedure uit. 1 Druk op de knop . Druk, terwijl het scherm Accu-info wordt weergegeven, op de knop . Het scherm met de batterijgeschiedenis wordt weergegeven. Als de batterij nog niet is geregistreerd, wordt deze grijs weergegeven. [Registreer].
3 De batterijgegevens controleren Een etiket met het serienummer op de batterij plakken Het is handig om de serienummers op alle geregistreerde accu's LP-E6/LP-E6N te vermelden. Dit kunt u doen met behulp van in de winkel verkrijgbare etiketten. 1 Serienummer Schrijf het serienummer op een etiket. Schrijf het serienummer op het scherm met de batterijgeschiedenis over op een etiket van ongeveer 25 x 15 mm. 7c40 0300 de batterij uit de camera en 2 Haal plak het etiket op de batterij.
3 De batterijgegevens controleren De resterende capaciteit van een geregistreerde accu controleren U kunt nagaan wat de resterende capaciteit van een accu is (zelfs wanneer deze zich niet in de camera bevindt) en wanneer de accu voor het laatst is gebruikt. Serienummer Datum laatste gebruik Resterende capaciteit Zoek het serienummer op. Zoek het etiket met het gewenste serienummer en kijk bij hetzelfde serienummer op het scherm met de batterijgeschiedenis.
Een gewoon stopcontact gebruiken Met de AC-adapterset ACK-E6 (afzonderlijk verkrijgbaar) kunt u de camera op een gewoon stopcontact aansluiten, zodat u zich geen zorgen hoeft te maken over het resterende batterijniveau. 1 Sluit de stekker van de DC-koppeling aan. Plaats de stekker van de DC-koppeling in de aansluiting op de AC-adapter. het netsnoer aan. 2 Sluit Sluit het netsnoer aan zoals afgebeeld in de illustratie. Verwijder na gebruik van de camera het netsnoer uit het stopcontact.
H Eye-Fi-kaarten gebruiken Met een in de handel verkrijgbare en reeds geconfigureerde Eye-Fi-kaart kunt u opnamen via een draadloos netwerk automatisch naar een pc overbrengen of naar een online service uploaden. De opnameoverdracht is een functie van de Eye-Fi-kaart.
H Eye-Fi-kaarten gebruiken de verbindingsinformatie 4 Geef weer. Selecteer [Verbindingsinfo] en druk vervolgens op <0>. de instelling 5 Controleer [Toegangspunt SSID:]. Controleer of een toegangspunt wordt weergegeven voor [Toegangspunt SSID:]. U kunt ook het MAC-adres en de firmwareversie van de Eye-Fi-kaart controleren. Druk op de knop om het menu af te sluiten. de opname.
H Eye-Fi-kaarten gebruiken Aandachtspunten bij het gebruik van Eye-Fi-kaarten Als [53: Wi-Fi] is ingesteld op [Inschakelen], is opnameoverdracht met een Eye-Fi-kaart niet mogelijk. Als ' ' wordt weergegeven, is er een fout opgetreden bij het ophalen van de kaartinformatie. Schakel de camera uit en weer in. Zelfs als [Eye-Fi trans.] is ingesteld op [Uit], zendt de kaart wellicht nog steeds een signaal uit.
Tabel met beschikbare functies volgens opnamemodus Foto-opnamen o: automatisch ingesteld k: door gebruiker in te stellen : niet in te stellen/uitgeschakeld Basismodi Functie A 7 C Creatieve modi 8 2 3 4 5 6 F G d sf a F Alle selecteerbare instellingen k k k k k k k k k *1 k *1 k k k k k voor beeldkwaliteit Automatisch ingesteld/Auto ISO o o o o o o o o ISOsnelheid Handmatig o Automatisch ingesteld/Automatisch o o o o o o o o Handmatige selectie o Beeldstijl Sfeeropnamen Licht-/scèneopnamen Crea
Tabel met beschikbare functies volgens opnamemodus Basismodi Functie A 7 C Creatieve modi 8 2 3 4 5 6 F G d sf a F o*3 o*3 *4 o*3 *4 o o*3 o k k Continue AF*2 k k k k k k k k k k k Meervlaks meting o o o o o o o o o o k Meetmethode Selectie meet-methode k Programmakeuze k Belichtingsvergrendeling k Belichting Belichtingscompensatie k AEB k Scherptediepte-controle k Enkelbeeld k k k k k k k k k k k AF-hulplicht AF o*3 AF-fijnafstelling Continue opname met hoge snelheid Continue opname met lage snel
Tabel met beschikbare functies volgens opnamemodus Movie-opnamen o: automatisch ingesteld k: door gebruiker in te stellen : niet in te stellen/uitgeschakeld Movie Functie y Alle selecteerbare instellingen k voor beeldkwaliteit (movie) Alle selecteerbare instellingen voor beeldkwaliteit (foto's) Digitale zoom k Videosnapshots k Automatisch ingesteld/ o ISOAuto ISO snelheid Handmatig Automatisch o Beeldstijl ingesteld/Automatisch Handmatige selectie Automatisch Vooraf ingesteld Handmatig Witbalans Instell
Tabel met beschikbare functies volgens opnamemodus Movie Functie y AF Foto's A 7 C 8 d s f F k a z*1 M y k M u+volgen k k k k k k k k k k k k FlexiZone - Multi k k k k k k k k k k k k FlexiZone - Single k k k k k k k k k k k k Handmatige scherpstelling (MF) k k k k k k k k k k k k Servo AF voor film k k k k k k k k k k k k Meetmethode o o o o o o o o o o o o Programmakeuze Belichtingsvergrendeling Belichting Belichtingscompensatie k k k k *3 k k k k k *3 k AEB Scherptediepte-cont
Menu-instellingen Opnamen met de zoeker en Live view-opnamen z: Opname 1 (rood) Beeldkwaliteit Pagina 1* / 41* / 61* 73/83/74/84/7a/8a/b/c 116 Raster in zoeker Uitschakelen / Inschakelen 64 Zoekerniveau Verbergen / Weergeven 66 Pieptoon Inschakelen / Aanr. op / Uitschakelen 59 Ontspan sluiter zonder Inschakelen / Uitschakelen kaart 32 Kijktijd 60 Uit / 2 sec. / 4 sec. / 8 sec. / Vastzetten * Kan niet worden geselecteerd in de modus of .
Menu-instellingen z: Opname 3 (rood) Pagina Bel.comp./AEB Tussenstappen van 1/3 stops, ongeveer 5 stops (AEB ongeveer 3 stops) 167 168 ISO-snelheidsinstelling ISO-snelheid / ISO-snelheidsbereik / Auto ISObereik / Minimale sluitertijd 120 Auto Lighting Optimizer Deactiveren / Zwak / Standaard / Hoog (Auto optimalisatie UIT met M of Bulb helderheid) Witbalans Q/W/E/R/Y/U/D/O/ P (circa 2500 - 10000) Handmatige witbalans, De witbalans handmatig instellen 140 134 135 WB Shift/Bkt.
Menu-instellingen A1: Live view-opnamen 1 (rood) Pagina Live view-opname. Inschak. / Uitschak.
Menu-instellingen 3: Weergave 2 (blauw) Pagina Wijzig formaat Het aantal pixels van de opname reduceren 333 Classificatie [OFF] / l / m / n / o / p 302 Diavoorstelling Beschrijving van weergave / Weergaveduur / 312 Herhalen / Overgangseffect / Achtergrondmuziek Spring met 6 1 beeld / 10 beelden / 100 beelden / Datum / Map / Movies / Foto's / Classificatie 297 3: Weergave 3 (blauw) Overbelichtingswaarschuwing Uitschakelen / Inschakelen 294 AF-puntweergave Uitschakelen / Inschakelen 294 We
Menu-instellingen 5: Instellingen 1 (geel) Pagina Selecteer map Een map maken en selecteren 149 File No. Continu / Auto. reset / Handm. reset 151 Auto. roteren Aan zD / Aan D / Uit 325 Kaart formatteren Gegevens op de kaart initialiseren en wissen 57 Eye-Fi-instellingen Weergegeven wanneer een in de handel verkrijgbare Eye-Fi-kaart is geplaatst. 401 5: Instellingen 2 (geel) Uitschakelen 1 min. / 2 min. / 4 min. / 8 min. / 15 min. / 30 min.
Menu-instellingen 5: Instellingen 3 (geel) Pagina Videosysteem NTSC / PAL 265 319 Uitleg Inschakelen / Uitschakelen 69 Aanraakbediening Standaard / Gevoelig / Uitschakelen 56 Geeft camera-instellingen weer / Digitale Weergaveopties z-knop horizon / Geeft opname-instellingen weer Wi-Fi Uitschakelen / Inschakelen WIFI-voorziening Opnamen overbrengen tussen camera's / Verbinding maken met smartphone / Afstandsbediening (EOS Utility) / Afdrukken op Wi-Fi-printer / Uploaden naar webservice / Opnam
Menu-instellingen 5: Instellingen 4 (geel) Auto. reiniging: Inschak. / Uitschak.
Menu-instellingen Movie-opnamen Z1: Movie 1 (rood) Pagina AF-methode u+volgen / FlexiZone - Multi / FlexiZone - Single 273 Servo AF voor film Inschakelen / Uitschakelen 273 Stille LV-opname Modus 1 / Modus 2 / Uitschakelen 275 Meettimer 4 sec. / 16 sec. / 30 sec. / 1 min. / 10 min. / 30 min. 275 Rasterweergave Uit / 3x3 l / 6x4 m / 3x3+diagonaal n 276 Movie-opnameformaat 1920x1080 (6 / 5 / 4) (W / X) 1280x720 (8 / 7) (W / X) 640x480 (6 / 5) (X) 265 Digitale zoom Uitschakelen / Ca.
Systeemschema ST-E2 ST-E3-RT 270EX II 90EX 320EX 430EX II 600EX-RT/ Macro Ring Lite Macro Twin Lite MR-14EX II MT-24EX 600EX Standaardaccessoires Oogschelp Eb Oculairverlengstuk EP-EX15 Rubberframe Eb Brede draagriem Dioptrische aanpassingslenzen E-serie Hoekzoeker C Accu LP-E6*1 Batterijoplader LC-E6 of LC-E6E AC-adapter DC-koppeling AC-E6 DR-E6 AC-adapterset ACK-E6 Batterijgreep BG-E14 Laadkabel voor in de auto CB-570 Acculader voor in de auto CBC-E6 Batterijmagazijn Batterijmagazijn BGM-E
Systeemschema GPS-ontvanger GP-E2 Afstandsbediening RC-6 Afstandsbediening RS-60E3 EF-objectieven EF-S-objectieven Externe microfoon HDMI-kabel HTC-100 (2,9 m) Stereo-AV-kabel AVC-DC400ST (1,3 m) Tv/video EOS Solution Disk Met PictBridge compatibele printer Interfacekabel (1,3 m) Interfacekabel IFC-200U/IFC-500U (1,9 m/4,7 m) USB-poort SD-/SDHC-/SDXCgeheugenkaart Kaartlezer Kaartsleuf Computer *1: batterij LP-E6N kan ook worden gebruikt. * Alle opgegeven kabellengten zijn bij benadering.
Problemen oplossen Raadpleeg bij problemen met de camera eerst dit gedeelte Problemen oplossen. Als u het probleem hiermee niet kunt oplossen, neem dan contact op met uw dealer of Canon Service Center. Stroomgerelateerde problemen De accu laadt niet op. Indien de resterende capaciteit van de batterij 94% of hoger is, wordt de batterij niet opgeladen (pag. 396). Laad alleen echte Canon-accu's op van het type LP-E6/LP-E6N. Het lampje van de oplader knippert snel.
Problemen oplossen De lees-/schrijfindicator blijft knipperen, zelfs wanneer de aan-uitschakelaar op <2> staat. Als het apparaat wordt uitgeschakeld wanneer er een opname op de kaart wordt opgeslagen, blijft de lees-/schrijfindicator aan of blijft deze een paar seconden knipperen. Wanneer de opname is voltooid, wordt de camera automatisch uitgeschakeld. De batterij raakt snel leeg. Gebruik een volledig opgeladen accu (pag. 28). Mogelijk presteert de batterij niet meer helemaal naar behoren.
Problemen oplossen Opnamegerelateerde problemen Het objectief kan niet worden bevestigd. De camera kan niet worden gebruikt in combinatie met EF-M-objectieven (pag. 40). De zoeker is donker. Plaats een opgeladen accu in de camera (pag. 28). Er kunnen geen opnamen worden gemaakt of opgeslagen. Controleer of de kaart correct is geplaatst (pag. 31). Schuif het schrijfbeveiligingsschuifje van de kaart naar de stand voor schrijven/wissen (pag. 31).
Problemen oplossen De opname is niet scherp. Stel de focusinstellingsknop op het objectief in op (pag. 40). Druk voorzichtig op de ontspanknop om bewegingsonscherpte te voorkomen (pag. 44 en 45). Als het objectief een Image Stabilizer (beeldstabilisatie) heeft, stelt u de IS-schakelaar in op <1>. Bij weinig licht kan de sluitertijd toenemen. Gebruik een kortere sluitertijd (pag. 160), stel een hogere ISO-snelheid in (pag. 120), gebruik een flitser (pag. 188 en 193) of gebruik een statief.
Problemen oplossen ISO 100 kan niet worden ingesteld. De ISO-snelheid kan niet worden verhoogd. Als [z4: Lichte tonen prioriteit] is ingesteld op [Uitschakelen], kan ISO 100/125/160 worden ingesteld (pag. 145). Als [z4: Lichte tonen prioriteit] is ingesteld op [Inschakelen], is het instelbereik voor de ISO-snelheid ISO 200-22800 (of maximaal ISO 6400 voor movie-opnamen). Zelfs als u het instelbereik voor de ISO-snelheid instelt bij [ISO-snelh.bereik], kunt u geen verhoogde ISO-snelheden (H) instellen.
Problemen oplossen De ingebouwde flitser klapt vanzelf uit. In opnamemodi ( <2> <4> <6>) met de standaardinstelling (Autom. flits) klapt de ingebouwde flitser indien nodig automatisch omhoog. De ingebouwde flitser werkt niet. Als u continu en met slechts korte tussenpozen opnamen maakt met de ingebouwde flitser, kan de flitser mogelijk tijdelijk niet worden gebruikt om de flitsereenheid te beschermen. De externe flitser flitst niet.
Problemen oplossen De sluiter maakt bij Live view-opnamen twee opnamegeluiden. Als u de flitser gebruikt, maakt de sluiter bij iedere opname twee geluiden (pag. 217). Tijdens Live view- en movie-opnamen wordt er een wit < of rood pictogram weergegeven. > Dit geeft aan dat de interne temperatuur van de camera te hoog is. Als het witte pictogram < > wordt weergegeven, kan de beeldkwaliteit van foto's afnemen.
Problemen oplossen De handmatig ingestelde ISO-snelheid verandert wanneer u overschakelt op de moviemodus. Als u movie-opnamen maakt terwijl [Maximum: H (25600)] is ingesteld voor [ISO-snelh.bereik] en de ISO-snelheid is ingesteld op “H” (25600), wordt de ISO-snelheid veranderd in “H” (12800) (tijdens movie-opnamen met handmatige belichting). Ook als u terugschakelt naar fotograferen, wordt de ISO-snelheid niet teruggezet naar de oorspronkelijke instelling.
Problemen oplossen Wi-Fi Wi-Fi kan niet worden ingesteld.* Als de camera via een interfacekabel met een printer, computer, GPS-ontvanger of ander apparaat is verbonden, kan Wi-Fi niet worden ingesteld ([53: Wi-Fi] wordt dan grijs weergegeven). Koppel de interfacekabel los en stel de Wi-Fi-functie in. Raadpleeg de Instructiehandleiding Wi-Fi functie voor meer informatie. * De EOS 70D (N) bevat geen Wi-Fi-voorziening.
Problemen oplossen Problemen met weergave op het scherm Het menuscherm geeft weinig tabbladen en opties weer. In de basismodi worden bepaalde tabbladen en menuopties niet weergegeven. Stel de opnamemodus in op een creatieve modus (pag. 52). Het eerste teken van de bestandsnaam is een onderstrepingsteken ('_'). Stel de kleurruimte in op sRGB. Als Adobe RGB is ingesteld, is het eerste teken een onderstrepingsteken (pag. 155). De bestandsnaam begint met 'MVI_'. Het is een moviebestand (pag. 152).
Problemen oplossen De weergave op het LCD-scherm is onduidelijk. Indien het LCD-scherm vuil is, dient u een zachte doek te gebruiken om het schoon te maken. Bij lage of hoge temperaturen kan het LCD-scherm langzamer reageren of er zwart uitzien. Bij kamertemperatuur functioneert het scherm weer normaal. [Eye-Fi instellingen] wordt niet weergegeven. [Eye-Fi instellingen] wordt alleen weergeven wanneer er een Eye-Fikaart in de camera is geplaatst.
Problemen oplossen Bij het afspelen van de movie is het geluid van de camera te horen. Als u tijdens movie-opnamen aan de instelwielen draait of het objectief instelt, wordt ook het bijbehorende geluid opgenomen. Het is raadzaam om een externe microfoon (afzonderlijk verkrijgbaar) te gebruiken (pag. 269). De movie-opname bevat momenten dat deze stilstaat.
Problemen oplossen Ik kan de RAW-opname niet verwerken. 41- en 61-bestanden kunnen niet met de camera worden verwerkt. Verwerk de opname met de meegeleverde software Digital Photo Professional (pag. 457). Ik kan het beeldformaat niet aanpassen. Het beeldformaat van c JPEG-opnamen en 1/41/61opnamen kan niet met de camera worden gewijzigd (pag. 333). Problemen met sensorreiniging De sluiter maakt een geluid tijdens het reinigen van de sensor.
Problemen oplossen Problemen bij aansluiten op een computer Ik kan geen beelden overbrengen naar een pc. Installeer de meegeleverde software (cd-rom EOS Solution Disk) op de computer (pag. 459). Als [53: Wi-Fi] is ingesteld op [Inschakelen], kan de camera geen verbinding maken met een computer. Stel [Wi-Fi] in op [Uitschakelen] en verbind vervolgens de camera met de printer met behulp van een interfacekabel.
Foutcodes Foutnummer Als er zich een probleem met de camera voordoet, wordt er een foutbericht weergegeven. Volg de instructies op het scherm. Oorzaak en tegenmaatregelen Nummer 01 02 Foutbericht en oplossing Communicatie tussen camera en lens is foutief. Reinig lenscontacten. Maak de elektrische contactpunten op de camera en het objectief schoon, gebruik een objectief van Canon of verwijder de accu en plaats deze weer (pag. 19, 20 en 30). Geen toegang tot kaart.
Specificaties • Type Type: Opnamemedia: Digitale AF/AE-spiegelreflexcamera met ingebouwde flitser SD-geheugenkaart, SDHC-geheugenkaart*, SDXC-geheugenkaart* * Compatibel met UHS-I-kaarten. Grootte beeldsensor: Circa 22,5 x 15,0 mm Compatibele objectieven: Canon EF-objectieven (incl.
Specificaties Witbalans: Ruisreductie: Automatisch, vooraf ingesteld (Daglicht, Schaduw, Bewolkt, Kunstlicht, Wit TL licht, Flitser), Handmatig, Kleurtemp.
Specificaties • Belichting Meetmethoden: Bereik helderheid lichtmeting: Belichtingscontrole: TTL-meting met volledige diafragmaopening en 63 zones • Meervlaksmeting (koppelbaar aan elk AF-punt) • Deelmeting (circa 7,7% van de zoeker in het midden) • Spotmeting (circa 3,0% van de zoeker in het midden) • Centrum gew.
Specificaties Sluitertijden: 1/8000 en 30 seconden (totale sluitertijdenbereik; beschikbaar bereik varieert per opnamemodus), Bulb, X-synchronisatie bij 1/250 sec. • Transportsysteem Transportmodi: Continueopnamesnelheid: Max. opnamereeks: Enkelbeeld, Continue opname met hoge snelheid, Continue opname met lage snelheid, Stille enkele opname, Stille continue opname, Zelfontspanner (10 sec.)/ afstandsbediening, Zelfontspanner (2 sec.)/ afstandsbediening Continue opname met hoge snelheid : Max.
Specificaties Continue AF: Bereik helderheid scherpstelling: Meetmethoden: Bereik helderheid lichtmeting: Creatieve filters: Stille opname: Touch Shutter: Rasterweergave: Beschikbaar EV 0 - 18 (bij kamertemperatuur, ISO 100) Meervlaksmeting (315 zones), deelmeting (circa 10,3% van Live view-scherm), spotmeting (circa 2,6% van Live viewscherm), gemiddelde meting met nadruk op het midden EV 0 - 20 (bij kamertemperatuur, ISO 100) Korrelig Z/W, Softfocus, Fisheye-effect, Effect kunst opvallend, Aquareleffect
Specificaties Belichtingscontrole: Automatische belichting (AE-programma voor movies) en handmatige belichting Belichtingscompensatie: ±3 stops met tussenstappen van 1/3 stop (±5 stops bij fotografie) ISO-snelheid: Voor opnamen met automatische belichting: ISO 100 ISO 6400 automatisch ingesteld. In de creatieve modie is (aanbevolen de bovengrens uit te breiden naar H (gelijk aan ISO 12800).
Specificaties Classificatie: Movieweergave: Diavoorstelling: Achtergrondmuziek: Opnamebeveiliging: Beschikbaar Ingeschakeld (LCD-scherm, video/audio OUT, HDMI OUT), ingebouwde luidspreker Alle opnamen, op datum, op map, op movies, op foto's of op classificatie Selecteerbaar voor het weergeven van diavoorstellingen en movies Mogelijk • Naverwerking van beelden RAW-bestandsverwerking Helderheidscorrectie, Witbalans, Beeldstijl, Auto Lighting in de camera: Optimizer (Auto optimalisatie helderheid), Hoge ISO
Specificaties • Voeding Batterij: Batterijgegevens: Aantal mogelijke opnamen: (op basis van CIPAtestcriteria) Movie-opnametijd: Accu LP-E6/LP-E6N (1 stuk) * Wisselstroom via de voedingsadapterset ACK-E6. * Als batterijgreep BG-E14 is bevestigd, kunnen AA/ LR6-batterijen worden gebruikt.
Specificaties Bedrijfstemperatuur: Luchtvochtigheid tijdens gebruik: Afmetingen (B x H x D): Gewicht: 5 °C - 40 °C 85% of lager Circa 69,0 x 33,0 x 93,0 mm Circa 130 g • Batterijoplader LC-E6E Compatibele batterij: Lengte netsnoer: Oplaadtijd: Nominaal ingangsvermogen: Nominaal uitgangsvermogen: Bedrijfstemperatuur: Luchtvochtigheid tijdens gebruik: Afmetingen (B x H x D): Gewicht: Accu LP-E6/LP-E6N Circa 1 m Circa 2 uur en 30 min.
Specificaties Kortste scherpstelafstand*: Maximale vergroting: Image Stabilizer (beeldstabilisatie): Filtermaat: Lensdop: Maximale diameter x lengte: Gewicht: Zonnekap: Objectiefkoker: Op brandpuntsafstand van 18 mm: 0,39 m (Circa 372 x 248 mm weergaveoppervlak) Op brandpuntsafstand van 135 mm: 0,39 m (Circa 80 x 53 mm weergaveoppervlak) * Afstand vanaf beeldsensorvlak 0,28x (bij 135 mm) Verschuiving objectiefelementen 67 mm E-67 II Circa 76,6 x 96,0 mm Circa 480 g EW-73B (afzonderlijk verkrijgbaar) LP11
Tips en waarschuwingen voor het gebruik: EF-S 1855mm f/3.5-5.6 IS STM, EF-S 18-135mm f/3.5-5.6 IS STM De kitobjectieven hebben een stappenmotor waarmee de scherpstelling word aangestuurd. De motor stuurt de scherpstelling tevens aan wanneer er wordt in- of uitgezoomd. 1. De camera is uitgeschakeld De motor werkt niet als de camera is uitgeschakeld of als de camera is uitgeschakeld door de functie voor automatische uitschakeling. Gebruikers moeten derhalve rekening houden met de volgende punten.
Handelsmerken Adobe is een handelsmerk van Adobe Systems Incorporated. Microsoft en Windows zijn handelsmerken of geregistreerde handelsmerken van Microsoft Corporation in de VS en/of andere landen. Macintosh en Mac OS zijn handelsmerken van Apple Inc., gedeponeerd in de VS en andere landen. Het SDXC-logo is een handelsmerk van SD-3C, LLC. HDMI, het HDMI-logo en High-Definition Multimedia Interface zijn handelsmerken of gedeponeerde handelsmerken van HDMI Licensing LLC.
Veiligheidsmaatregelen Onderstaande voorzorgsmaatregelen dienen om schade of letsel bij uzelf of anderen te voorkomen. Verdiep u in de voorzorgsmaatregelen voordat u het product gebruikt en volg deze op. Als u defecten, problemen of schade aan het product opmerkt, neemt u contact op met het dichtstbijzijnde Canon Service Center of de leverancier bij wie u het product hebt gekocht. Waarschuwingen: volg onderstaande waarschuwingen. Anders kan ernstig of dodelijk letsel het gevolg zijn.
Veiligheidsmaatregelen Wanneer de camera of accessoires niet worden gebruikt, dient u de batterij te verwijderen en de stekker uit het apparaat te halen voordat u het opbergt. Zo voorkomt u elektrische schokken, warmteontwikkeling, brand en corrosie. Gebruik de apparatuur niet in de buurt van ontvlambaar gas. Zo voorkomt u een explosie of brand. Als u de apparatuur laat vallen en de behuizing zodanig beschadigd raakt dat de inwendige onderdelen bloot komen te liggen, mag u deze niet aanraken.
Veiligheidsmaatregelen Waarschuwing: volg onderstaande waarschuwingen. Anders bestaat het risico op lichamelijk letsel of schade aan eigendommen. Zorg dat u het product niet gebruikt of laat liggen in een auto die in de zon staat of in de nabijheid van een warmtebron. Het product kan heet worden en brandwonden veroorzaken. Dit kan ook leiden tot lekkage van de batterij of explosie, waardoor de prestaties afnemen of de levensduur van het product wordt verkort.
Uitsluitend bestemd voor de Europese Unie en EER (Noorwegen, IJsland en Liechtenstein) Met deze symbolen wordt aangegeven dat dit product in overeenstemming met de AEEA-richtlijn (2012/19/EU), de richtlijn 2006/66/EG betreffende batterijen en accu's en/of de plaatselijk geldende wetgeving waarin deze richtlijnen zijn geïmplementeerd, niet bij het normale huisvuil mag worden weggegooid.
15 De instructiehandleidingen op de dvd-rom weergeven/ Opnamen downloaden naar een computer In dit hoofdstuk wordt beschreven hoe u de instructiehandleidingen voor de camera en de software (op de meegeleverde dvd-rom) weergeeft op de computer en hoe u opnamen van de camera naar de computer downloadt. Ook vindt u in dit hoofdstuk een overzicht van de software die zich op de EOS Solution Disk (cd-rom) bevindt en wordt uitgelegd hoe u de software op de computer installeert.
De EOS Camera Instruction Manuals Disk (dvd-rom) weergeven EOS Camera Instruction Manuals Disk XXX De EOS Camera Instruction Manuals Disk (dvd-rom) bevat onderstaande instructiehandleidingen (pdf): CEL-XXX XXX XXXXX XXXXX XXXXX XXXXX XXXXX © CA . e EU NON IN C. 20XX. Made in th Instructiehandleiding Uitleg van de functies en bediening van de camera, waaronder de basisfuncties.
De EOS Camera Instruction Manuals Disk (dvd-rom) weergeven De EOS Camera Instruction Manuals Disk (dvd-rom) weergeven [WINDOWS] EOS Camera Instruction Manuals Disk XXX CEL-XXX XXX XXXXX XXXXX XXXXX XXXXX XXXXX © CA . e EU NON IN C. 20XX. Made in th EOS Camera Instruction Manuals Disk Kopieer de instructiehandleidingen (pdf) op de cd naar de computer. 1 Plaats de EOS Camera Instruction Manuals Disk (dvd) in het dvdromstation van de computer.
De EOS Camera Instruction Manuals Disk (dvd-rom) weergeven De EOS Camera Instruction Manuals Disk (dvd-rom) weergeven [MACINTOSH] EOS Camera Instruction Manuals Disk XXX CEL-XXX XXX XXXXX XXXXX XXXXX XXXXX XXXXX © CA . e EU NON IN C. 20XX. Made in th EOS Camera Instruction Manuals Disk Kopieer de instructiehandleidingen (pdf) op de cd naar de computer. 1 Plaats de EOS Camera Instruction Manuals Disk (dvd) in het dvdromstation van de Macintosh. 2 3 4 Dubbelklik op het pictogram van de dvd.
Opnamen downloaden naar een computer U kunt de meegeleverde software gebruiken om de opnamen op de camera naar een computer te downloaden. Dit kan op twee manieren. Downloaden door de camera op de computer aan te sluiten 1 Installeer de software (pag. 459). de meegeleverde 2 Gebruik interfacekabel om de camera op een computer aan te sluiten. Gebruik de interfacekabel die bij de camera is geleverd.
Opnamen downloaden naar een computer Opnamen downloaden met een kaartlezer U kunt een kaartlezer gebruiken om opnamen/movies naar een computer te downloaden. Installeer de software (pag. 459). 1 2 Plaats de kaart in de kaartlezer. Canon-software om de 3 Gebruik opnamen te downloaden. Gebruik Digital Photo Professional. Gebruik ImageBrowser EX. Raadpleeg de softwareinstructiehandleiding (pag. 453) voor meer informatie.
Informatie over de software EOS Solution Disk EOS Solution Disk XXX Deze cd bevat de volgende software voor EOS-camera's. CEL-XXX XXX XXXXX XXXXX XXXXX XXXXX XXXXX Windows XXX XXX Mac OS X XXX XXX © CA U. the E NON INC . 20XX. Made in De software die bij eerdere camera's is geleverd, biedt mogelijk geen ondersteuning voor foto's en moviebestanden die met deze camera worden gemaakt. Gebruik de software die bij deze camera wordt geleverd.
Informatie over de software d ImageBrowser EX Software voor het weergeven en bewerken van opnamen Maak verbinzding met internet om de software de downloaden en installeren.* U kunt door JPEG-opnamen op uw computer bladeren, deze weergeven en afdrukken. U kunt movies (MOV-bestanden) en videosnapshotalbums afspelen en moviebeelden omzetten in foto's. Aanbevolen voor personen die voor het eerst een digitale camera gebruiken en amateurfotografen.
De software installeren De software op Windows installeren Compatibele Windows 8 besturingssystemen 1 Windows 7 Windows Vista Windows XP Controleer of de camera niet op de computer is aangesloten. Sluit de camera pas op de computer aan nadat u de software hebt geïnstalleerd. Anders wordt de software niet juist geïnstalleerd. Bij het downloaden en installeren van ImageBrowser EX volgt u onderstaande stappen zoals met andere EOS-software op de EOS Solution Disk. U hebt verbinding met internet nodig.
De software installeren De software op Macintosh installeren Compatibele besturingssystemen 1 MAC OS X 10.6 - 10.8 Controleer of de camera niet op de computer is aangesloten. Sluit de camera pas op de computer aan nadat u de software hebt geïnstalleerd. Anders wordt de software niet juist geïnstalleerd. Bij het downloaden en installeren van ImageBrowser EX volgt u onderstaande stappen zoals met andere EOS-software op de EOS Solution Disk. U hebt verbinding met internet nodig.
Index Nummers 1280x720 ......................................265 19 punts AF automatische selectie..........................................103 1920x1080 ....................................265 640x480 ........................................265 A A (Automatisch/scène) ................72 Aangepaste bediening ............51, 383 Aangepaste opnamemodi .............390 Aanraakscherm.......................54, 299 AC-adapterset...............................400 Accessoires.......................................
Index Batterijgreep ...........................36, 416 DC-koppeling ............................... 400 Beeldconversiefactor ......................42 De camera-instellingen wissen ...... 61 Beeldstijl .......................126, 129, 132 Deelmeting ................................... 166 Belichtingscompensatie ................167 Demper ........................................ 268 Belichtingsniveauverhogingen ......365 Diavoorstelling.............................. 312 Belichtingssimulatie .......
Index Flitsbesturing ............................195 Flitser uit ...............................77, 80 Flitsmodus ................................199 Flitssynchronisatiesnelheid.......194 Handmatig flitsen..............199, 213 Ingebouwde flitser ....................188 Persoonlijke voorkeuze ............202 Rode-ogencorrectie ..................190 Sluitersynchronisatie (1e/2e gordijn).....200 Flitsers van een ander merk .........194 Flitsschoen..............................20, 193 Focusbevestigingslampje.
Index Kabel.................4, 316, 319, 416, 455 LOCK ............................................. 48 Kijktijd .............................................60 Luidspreker .................................. 308 Klein (opnamekwaliteit).........117, 333 M Kleurruimte ...................................155 M (Handmatige belichting) ... 164, 256 Kleurtemperatuur ..................134, 137 Macrofotografie .............................. 84 Kleurtoon ......................................
Index Movie-opnameformaat..............265 Op een televisie bekijken ..... 306, 316 Opnamen met automatische belichting ..................................252 Opnamen met handmatige belichting ..................................256 Opnametijd ...............................266 Rasterweergave .......................276 Snel instellen ............................264 Stille opname ............................275 Tijdcode ....................................270 Videofotoalbum.........................
Index Opnamesprong (door opnamen navigeren) ................297 Overbelichtingswaarschuwing.......294 Vergroting .................................298 Weergave .................................289 Wissen......................................322 Opnamen beveiligen.....................320 Opnamen maken met de afstandsbediening.........................184 Opnameniveau .............................268 Opnamerichting vastleggen ..........373 Reiniging (beeldsensor) ............... 339 Riem......................
Index Stille opname ..........................80, 111 Continue opname ...............80, 111 Enkelbeeld................................111 Stille LV-opname.......................231 Stof op opnamen voorkomen ........339 Stofwisdata....................................341 Stopcontact ...................................400 Storingen.......................................418 Synchronisatie 1e-gordijn .............200 Synchronisatie 2e-gordijn .............200 Systeemschema ...........................
CANON INC. 30-2 Shimomaruko 3-chome, Ohta-ku, Tokyo 146-8501, Japan Europa, Afrika & Midden-Oosten CANON EUROPA N.V. PO Box 2262, 1180 EG Amstelveen, Nederland Raadpleeg uw garantiekaart of ga naar www.canon-europe.com/Support voor informatie over het dichtstbijzijnde Canon-kantoor Dit product en de hieraan gekoppelde garantie worden in landen in Europa geleverd door Canon Europa N.V. De beschrijvingen in deze Instructiehandleiding zijn in oktober 2014 geactualiseerd.