Operation Manual
56
Stel de opnamekwaliteit in zodat deze overeenkomt met de gewenste beeldgrootte
voor afdrukken, etc. In de Basisgebruik-modi kunnen alleen de volgende
instellingen voor opnamekwaliteit worden ingesteld:
73
,
83
,
74
,
84
,
76
,
86
. Dit zijn allemaal JPEG-afbeeldingen. In de modi
1
/
D
moet
de opname worden bewerkt met de meegeleverde software. (pag. 58)
1
Selecteer [Kwaliteit].
Selecteer op het tabblad [
1
] de optie
[
Kwaliteit
] en druk vervolgens op <
0
>.
X Het scherm voor de opnamekwaliteit
wordt weergegeven.
2
Selecteer de opnamekwaliteit.
Draai het instelwiel <
5
> om de
opnamekwaliteit te selecteren en druk
vervolgens op <
0
>.
"**** x ****" in de rechterbovenhoek
geeft het aantal opgenomen pixels en
[***] het resterend aantal opnamen
aan (maximaal 999).
Stel de opnamekwaliteit achtereenvolgens
in voor de Basisgebruik-modi en de
Creatief gebruik-modi.
Wanneer u gelijktijdige opnamen maakt, worden bij
1+73
,
D+73
en andere RAW+JPEG-
afbeeldingen zowel de RAW- als de JPEG-afbeeldingen opgeslagen in dezelfde map onder hetzelfde bestandsnummer.
3
De opnamekwaliteit instellen
Handleiding bij instellingen voor opnamekwaliteit
Kwaliteit Pixels Afdrukgrootte
73 (Groot/Fijn)
JPEG
Circa 10,1 megapixels A3 of groter
83 (Groot/Normaal)
74 (Middel/Fijn)
Circa 5,3 megapixels A4 - A5
84 (Middel/Normaal)
76 (Klein/Fijn)
Circa 2,5 megapixels A5 of kleiner
86 (Klein/Normaal)
1 (RAW) Circa 10,1 megapixels A3 of groter
D(Klein RAW) Circa 2,5 megapixels A5 of kleiner










