Instructiehandleiding Instructiehandleidingen (PDF-bestanden) en software kunnen worden gedownload vanaf de website van Canon (pag. 4, 445). www.canon.
Inleiding De EOS 200D is een digitale spiegelreflexcamera met een uiterst nauwkeurige CMOS-sensor van effectief ongeveer 24,2 megapixel, DIGIC 7, snelle en uiterst nauwkeurige 9-punts AF, continue opnamen met ongeveer 5,0 frames per seconde, Live View-opnamen en movieopnamen in Full HD (Full High-Definition) en Wi-Fi/NFC/Bluetoothfunctie (draadloze communicatie). Lees voordat u begint met opnamen maken het volgende Lees eerst de Veiligheidsmaatregelen (pag.
Controlelijst onderdelen Controleer voordat u begint of alle onderstaande onderdelen van de camera aanwezig zijn. Neem contact op met uw dealer als er iets ontbreekt. Camera (met oogschelp en cameradop) Riem Accu LP-E17 Acculader LC-E17E* (met beschermdeksel) * Bij de acculader LC-E17E wordt een netsnoer geleverd. Bij de camera is geen cd-rom met software, interfacekabel of HDMI-kabel geleverd. De instructiehandleidingen worden op de volgende pagina vermeld.
Instructiehandleidingen Verkorte handleiding U vindt meer gedetailleerde instructiehandleidingen (PDF-bestanden) op de website van Canon. De instructiehandleidingen (PDF-bestanden) downloaden en bekijken 1 Download de instructiehandleidingen (PDF-bestanden). Maak verbinding met internet en ga naar de volgende Canon-website. www.canon.com/icpd Selecteer het land of de regio van uw verblijfplaats en download de instructiehandleidingen.
Instructiehandleidingen Instructiehandleidingen (PDF-bestanden) kunt u ook downloaden met gebruik van de QR-code. www.canon.com/icpd Voor het lezen van de QR-code is software nodig. Selecteer het land of de regio van uw verblijfplaats en download de instructiehandleidingen. U kunt de QR-code ook weergeven onder [54: Handleiding/software URL].
Verkorte handleiding 1 Plaats de accu (pag. 38). 2 Plaats de kaart (pag. 38). 3 Laad na aankoop de accu om deze te kunnen gebruiken (pag. 36). Plaats de kaart in de kaartsleuf met de etiketzijde naar de achterzijde van de camera gericht. Witte markering Rode markering Bevestig de lens (pag. 48). Plaats de witte of rode bevestigingsmarkering op de lens op gelijke hoogte met de bevestigingsmarkering van dezelfde kleur op de camera om de lens te bevestigen.
Verkorte handleiding 6 Klap het LCD-scherm uit (pag. 41). 7 Stel scherp op het onderwerp (pag. 51). 8 Maak de opname (pag. 51). 9 Bekijk de opname. Zie pagina 44 wanneer de schermen met datum/tijd/zone-instelling op het LCD-scherm worden weergegeven. Kijk door de zoeker en richt het midden van de zoeker op het onderwerp. Druk de ontspanknop half in; de camera stelt vervolgens scherp op het onderwerp. De ingebouwde flitser komt tevoorschijn indien nodig.
Compatibele geheugenkaarten De volgende kaarten kunnen met de camera worden gebruikt, ongeacht de capaciteit. Als de kaart nieuw is of eerder is geformatteerd (geïnitialiseerd) met een andere camera of computer, moet u de kaart met deze camera formatteren (pag. 68). SD-/SDHC*-/SDXC*-geheugenkaarten * UHS-I-kaarten worden ondersteund.
Hoofdstukken Inleiding 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 2 Aan de slag en basis camerahandelingen 35 Basisfuncties voor het maken en weergeven van opnamen 71 De AF- en transportmodi instellen 113 Opname-instellingen 127 Geavanceerde functies voor fotografische effecten 161 Opnamen maken met de flitser 181 Opnamen maken met het LCD-scherm (Live View-opnamen) 195 Movie-opnamen 233 Handige functies 281 Opnamen weergeven 309 Opnamen nabewerken 355 De camera aanpassen aan uw voorkeuren 3
Inhoud op doel Opname Automatisch opnamen maken pag. 71-109 (Basismodus) Continue opnamen maken pag. 123 (i Continue opname) Een opname van uzelf maken in een groep pag. 125 (j Zelfontspanner) De actie bevriezen De actie onscherp maken pag. 164 (s AE met sluitertijdvoorkeuze) De achtergrond onscherp maken pag. 78 (C Creative Auto) De achtergrond scherp houden pag. 166 (f AE met diafragmavoorkeuze) De helderheid van de opname aanpassen (belichting) pag.
Beeldkwaliteit Opnamen maken met beeldeffecten pag. 135 (Beeldstijl) die bij het onderwerp passen Een opname groot afdrukken pag. 128 (73, 83, 1) Veel opnamen maken pag. 128 (7a, 8a, b) AF (scherpstellen) Het scherpstelpunt wijzigen pag. 119 (S AF-puntselectie) Opnamen maken van een bewegend onderwerp pag. 90, 91, 116 (AI Servo AF) Weergave De opnamen bekijken op de camera pag. 110 (xWeergave) Snel opnamen zoeken pag. 310 (H Indexweergave) pag.
Functie-index Voeding Accu • Opladen • Plaatsen/verwijderen • Accuniveau • Accugegevens controleren Gewoon stopcontact Automatisch uitschakelen Uitleg pag. 36 pag. 38 pag. 43 pag. 380 pag. 381 pag. 42 Kaarten Plaatsen/verwijderen pag. 38 Formatteren pag. 68 Ontspan sluiter zonder kaart pag. 287 Lens Bevestigen/verwijderen pag. 48 In- en uitzoomen pag. 49 Basisinstellingen Dioptrische aanpassing pag. 50 Taal pag. 47 Datum/tijd/zone pag. 44 Pieptoon pag.
Functie-index Opname Opnamemodus ISO-snelheid Bulb Meetmethode Spiegel opklappen Afstandsbediening Movie-opname pag. 30 pag. 132 pag. 171 pag. 172 pag. 179 pag. 382 Belichtingsaanpassingen Belichtingscorrectie Belichtingscorrectie met M+ISO Auto AEB AE-vergrendeling pag. 174 pag. 170 pag. 176 pag. 178 Movie-opname pag. 233 AF-methode pag. 214 Movie-opnameformaat pag. 245 Servo AF voor movies pag. 273 Geluidsopname pag. 271 Handmatige belichting pag.
Functie-index Opnamen bewerken Creatieve filters Formaat wijzigen Bijsnijden pag. 356 pag. 359 pag. 361 Aanpassen Persoonlijke voorkeuze (C.Fn) My Menu pag. 364 pag. 373 Software Verkorte softwarehandleiding Software-instructiehandleiding pag. 444 pag.
Symbolen en afspraken die in deze handleiding worden gebruikt Pictogrammen in deze handleiding <6> : Het Hoofdinstelwiel. : Duidt respectievelijk op omhoog, omlaag, links en rechts op de pijltjestoetsen. <0> : De Instelknop. 0/9/7/8 : Hiermee wordt aangeduid dat elke functie, nadat u de knop heeft losgelaten, respectievelijk 4, 6, 10 of 16 seconden actief blijft.
Inhoudsopgave Inleiding 2 Controlelijst onderdelen.................................................................... 3 Instructiehandleidingen .................................................................... 4 Verkorte handleiding......................................................................... 6 Compatibele geheugenkaarten ........................................................ 8 Hoofdstukken ...................................................................................
Inhoudsopgave 2 Basisfuncties voor het maken en weergeven van opnamen 71 A Volautomatisch opnamen maken (Scene Intelligent Auto)....... 72 A Volautomatische technieken (Scene Intelligent Auto) .............. 75 7 Fotograferen als de flitser niet kan worden gebruikt ................. 77 C Creative Auto-opnamen............................................................ 78 8: Modus Speciale scène ..........................................................85 2 Portretfoto's maken .............................
Inhoudsopgave 4 Opname-instellingen 127 De opnamekwaliteit instellen........................................................ 128 g: De ISO-snelheid instellen voor foto's................................... 132 A Een beeldstijl selecteren ...................................................... 135 A Een beeldstijl aanpassen ..................................................... 138 A Een beeldstijl vastleggen......................................................
Inhoudsopgave 7 Opnamen maken met het LCD-scherm (Live View-opnamen) 195 A Opnamen maken met het LCD-scherm ..................................196 Instellingen voor de opnamefunctie .............................................. 203 U Opnamen maken met Creatieve filtereffecten......................... 205 Menufunctie-instellingen ...............................................................209 De AF-bediening (automatische scherpstelling) wijzigen ............. 211 Scherpstellen met AF (AF-methode) .....
Inhoudsopgave De tijd voor automatisch uitschakelen instellen ......................... 288 De helderheid van het LCD-scherm aanpassen........................ 289 Een map maken en selecteren .................................................. 290 Methoden voor bestandsnummering ......................................... 292 Copyrightinformatie instellen ..................................................... 295 Instellen van automatische rotatie staande beelden..................
Inhoudsopgave 11 Opnamen nabewerken 355 U Creatieve filtereffecten toepassen........................................... 356 S Het formaat van JPEG-beelden wijzigen ................................ 359 N JPEG-beelden bijsnijden ......................................................... 361 12 De camera aanpassen aan uw voorkeuren 363 Persoonlijke voorkeuzen instellen.................................................364 Persoonlijke voorkeuze-instellingen..............................................
Veiligheidsmaatregelen De volgende voorzorgsmaatregelen zijn getroffen om schade of letsel aan uzelf en anderen te voorkomen. Zorg ervoor dat u deze voorzorgsmaatregelen goed begrijpt en volg ze op voordat u het product gaat gebruiken. Als u storingen, problemen of schade aan het product detecteert, neemt u contact op met het dichtstbijzijnde Canon Service Center of de dealer bij wie u het product heeft gekocht. Waarschuwingen: Volg de onderstaande waarschuwingen.
Veiligheidsmaatregelen Wanneer de camera of de accessoires niet in gebruik zijn, verwijder de accu dan en haal de stekker en verbindingskabels uit de apparatuur voordat u deze opbergt. Zo voorkomt u elektrische schokken, oververhitting, brand en corrosie. Gebruik de apparatuur niet in de buurt van ontvlambaar gas. Zo voorkomt u een explosie of brand. Als u de apparatuur laat vallen en de behuizing zodanig beschadigd raakt dat de interne onderdelen bloot komen te liggen, raak deze dan niet aan.
Veiligheidsmaatregelen Aandachtspunten: Neem de onderstaande aandachtspunten in acht. Als u dit niet doet, kan dat leiden tot fysiek letsel of schade aan eigendommen. Zorg dat u het product niet gebruikt of laat liggen op een plaats waar de temperatuur hoog is, zoals in een auto die in de zon staat. Het product kan dan heet worden en brandwonden veroorzaken. Als u dit wel doet, kan de accu ook gaan lekken of exploderen. Hierdoor nemen de prestaties af of gaat het product minder lang mee.
Tips en waarschuwingen voor het gebruik Omgaan met de camera Deze camera is een precisie-instrument. Laat de camera niet vallen en stel deze niet bloot aan fysieke schokken. De camera is niet waterdicht en kan niet onder water worden gebruikt. Neem direct contact op met het dichtstbijzijnde Canon Service Center als u de camera per ongeluk in het water laat vallen. Droog de camera af met een schone, droge doek als er waterspatten op zijn gekomen.
Tips en waarschuwingen voor het gebruik Gebruik de camera niet als zich hierop condens heeft gevormd. Zo voorkomt u beschadiging van de camera. Als zich condens heeft gevormd, verwijdert u de lens, de kaart en de accu uit de camera. Wacht tot de condens is verdampt voordat u de camera gebruikt. Verwijder de accu en berg de camera op een koele, droge en goed geventileerde plaats op als u de camera gedurende langere tijd niet gaat gebruiken.
Tips en waarschuwingen voor het gebruik Kaarten Let op het volgende om de kaart en vastgelegde gegevens te beschermen: Laat de kaart niet vallen of nat worden en buig de kaart niet. Oefen geen druk op de kaart uit en stel deze niet bloot aan fysieke schokken en trillingen. Raak de elektronische contactpunten van de kaart nooit met uw vingers of een metalen voorwerp aan. Plak geen stickers of iets anders op de kaart.
Nomenclatuur Ingebouwde flitser/AF-hulplicht (pag. 182/117) Markering EF-objectiefvatting (pag. 48) Programmakeuzewiel (pag. 30) Markering EF-S-objectiefvatting (pag. 48) Contact voor flitssynchronisatie Aan-uitschakelaar (pag. 42) Flitsschoen (pag. 187) Flitsknop (pag. 182) Knop voor ISOsnelheid (pag. 132) Wi-Fi-lampje Display-knop (pag. 70) Wi-Fi-knop <6> Hoofdinstelwiel Luidspreker (pag. 326) Scherpstelvlakmarkering (pag. 92) Ontspanknop (pag.
Nomenclatuur HDMI mini OUT-aansluiting (pag. 333) Digitale aansluiting (pag. 447) Knop voor Live View-opnamen/ movie-opnamen (pag. 196/234) Knop voor dioptrische aanpassing (pag. 50) Zoekeroculair Knop voor AE-vergrendeling/ FE-vergrendeling/ Index/verkleinen (pag. 178/185/310/313) Oogschelp (pag. 386) Knop voor AF-puntselectie/ vergroten (pag. 119/313) Infoknop (pag. 110, 199 en 240) Menuknop (pag. 60) LCD-scherm/ Touchscreen (pag.
Nomenclatuur Programmakeuzewiel Het programmakeuzewiel bevat de Basismodi en Creatieve modi. Basismodi U hoeft alleen maar de ontspanknop in te drukken. De camera stelt alles in en zorgt dat de instellingen zijn afgestemd op het onderwerp of de scène. A : Scene Intelligent Auto (pag. 72) 7 : Flitser uit (pag. 77) C : Creative Auto (pag. 78) 8: Speciale scène (pag. 85) 2 Portret (pag. 87) P q Groepsfoto (pag. 88) x Kaarslicht (pag. 94) Voedsel (pag. 93) 3 Landschap (pag. 89) 6 Nachtportret (pag.
Nomenclatuur Creatieve modi Met deze modi is het eenvoudiger om verschillende onderwerpen naar wens vast te leggen. d s f a : AE-programma (pag. 162) : AE met sluitertijdvoorkeuze (pag. 164) : AE met diafragmavoorkeuze (pag. 166) : Handmatige belichting (pag.
Nomenclatuur Scherm Snel instellen (Voorbeeld in de modus met [s: Opnamescherm: Standaard] ingesteld (pag. 58)) Sluitertijd Indicator belichtingsniveau Belichtingscorrectiewaarde (pag. 174) AEB-bereik (pag. 176) Diafragma z Instelwielwijzer Auto Lighting Optimizer (Auto optimalisatie helderheid) (pag. 149) ISO-snelheid (pag. 132) Opnamemodus Lichte tonen prioriteit (pag. 367) Beeldstijl (pag. 135) Flitsbelichtingscorrectie (pag. 184) AF-bediening (pag. 114) Handmatige scherpstelling (pag.
Nomenclatuur Weergave met zoekerinformatie Spotmetingscirkel (pag. 172) Matglas <•> Indicator voor AF-puntactivatie AF-punt (pag. 119) Waarschuwingspictogram (pag. 369) AE-vergrendeling (pag. 178) AEB actief (pag. 176) Flitser gereed (pag. 182, 187) Waarschuwing voor onjuiste FE-vergrendeling Snelle synchronisatie (pag. 193) FE-vergrendeling (pag. 185) / FEB actief Flitsbelichtingscorrectie (pag. 184) ISOsnelheidsindicator (pag.
Nomenclatuur Acculader LC-E17E Oplader voor accu LP-E17 (pag. 36).
1 Aan de slag en basis camerahandelingen In dit hoofdstuk worden de voorbereidende stappen voor het maken van opnamen en de basis camerahandelingen beschreven. De nekriem bevestigen Haal het uiteinde van de riem van onderaf door het oog van het bevestigingspunt van de draagriem. Haal het uiteinde daarna door de gesp van de riem zoals afgebeeld in de illustratie. Trek de riem strak en zorg ervoor dat deze goed vastzit in de gesp. De oculairafsluiting is ook aan de riem bevestigd (pag. 386).
De accu opladen 1 Verwijder het beschermdeksel. Verwijder het beschermdeksel van de accu. de accu. 2 Plaats Plaats de accu op de juiste manier in de lader zoals afgebeeld in de illustratie. Om de accu te verwijderen, herhaalt u de bovenstaande procedure in omgekeerde volgorde. de accu op. 3 Laad Sluit het netsnoer aan op de lader en steek de stekker in het stopcontact. Het opladen begint automatisch en het oplaadlampje wordt oranje.
De accu opladen Tips voor het gebruik van de accu en acculader Bij aankoop is de accu niet volledig opgeladen. Laad de accu vóór gebruik op. Het verdient aanbeveling om de accu op te laden op de dag dat u deze gaat gebruiken of een dag ervoor. Zelfs wanneer de camera is opgeborgen, raakt een opgeladen accu geleidelijk aan leeg. Verwijder de accu na het opladen en haal de acculader uit het stopcontact. Verwijder de accu wanneer u de camera niet gebruikt.
De accu en kaart plaatsen en verwijderen Plaats een volledig opgeladen accu LP-E17 in de camera. In de camera kan een SD-, een SDHC- of een SDXC-geheugenkaart worden gebruikt (afzonderlijk verkrijgbaar). Ook UHS-I Speed Class SDHC- en SDXCgeheugenkaarten zijn geschikt. De opnamen worden opgeslagen op de kaart. Zorg ervoor dat het schrijfbeveiligingsschuifje van de kaart omhoog staat zodat schrijven/wissen mogelijk is. De accu en de kaart plaatsen 1 Open het klepje.
De accu en kaart plaatsen en verwijderen Let erop dat u het klepje van de kaartsleuf en het accucompartiment bij het openen niet verder naar achteren drukt. Het scharnier zou anders kunnen breken. Het maximum aantal opnamen varieert, afhankelijk van de resterende capaciteit van de kaart, de instelling voor de opnamekwaliteit, de ISO-snelheid, enzovoort. Door [z1: Ontspan sluiter zonder kaart] in te stellen op [Uitschakelen], voorkomt u dat u vergeet een kaart te plaatsen (pag. 287).
De accu en kaart plaatsen en verwijderen Wanneer de lees-/schrijfindicator brandt of knippert, betekent dit dat opnamen op de kaart worden gelezen, opgeslagen of gewist, of dat gegevens worden overgedragen. Maak het kaartsleuf-/ accucompartimentklepje niet open. Voer ook niet de volgende handelingen uit wanneer de lees-/ schrijfindicator brandt of knippert. De opnamegegevens, kaart of camera kunnen anders beschadigd raken. • De kaart verwijderen. • De accu verwijderen.
Het LCD-scherm gebruiken Nadat u het LCD-scherm heeft uitgeklapt, kunt u menufuncties instellen, Live View-opnamen gebruiken, movies opnemen of foto's en movies weergeven. U kunt de richting en hoek van het LCD-scherm wijzigen. 1 Klap het LCD-scherm uit. het LCD-scherm. 2 Draai Wanneer het LCD-scherm is 180° 90° 175° uitgeklapt, kunt u het scherm naar boven, naar beneden of meer dan 180° draaien zodat het naar het onderwerp toe is gericht. De hoek is slechts bij benadering aangegeven.
De camera inschakelen Als na het aanzetten van de camera het scherm met datum/tijd/ zone wordt weergegeven, raadpleegt u pagina 44 voor het instellen van de datum, tijd en tijdzone. : De camera wordt ingeschakeld. U kunt movies opnemen (pag. 234). <1> : De camera wordt ingeschakeld. U kunt foto's maken. <2> : De camera is uitgeschakeld en werkt niet. Zet de aan-uitschakelaar op deze positie wanneer u de camera niet gebruikt.
De camera inschakelen z Indicator accuniveau Wanneer de camera wordt ingeschakeld, heeft het accuniveau een van de volgende vier niveaus. z : De accu is vol. x : Het accuniveau is laag, maar de camera kan nog worden gebruikt. c : De accu is bijna leeg. (Knippert) n : Laad de accu op.
3 De datum, tijd en zone instellen Wanneer de camera voor het eerst wordt ingeschakeld of als de datum/ tijd/zone-instellingen zijn gereset, wordt het instelscherm datum/tijd/ zone weergegeven. Volg de stappen hieronder om eerst de tijdzone in te stellen. Stel de tijdzone in waarin u zich op dit moment bevindt. Als u op reis gaat, hoeft u alleen maar de tijdzone in te stellen op de tijdzone van uw bestemming. De camera past de datum en tijd automatisch aan.
3 De datum, tijd en zone instellen Druk nogmaals op <0>. Druk op de pijltjestoetsen en om de tijdzone te selecteren en druk vervolgens op <0>. Als de gewenste tijdzone niet wordt vermeld, drukt u op de knop en gaat u naar de volgende stap om deze in te stellen (met het tijdsverschil ten opzichte van de UTC-tijd). U stelt het tijdsverschil ten opzichte van UTC in door op de pijltjestoetsen en te drukken en een parameter (+/ -/uur/minuut) te selecteren voor [Tijdverschil].
3 De datum, tijd en zone instellen de zomertijd in. 5 Stel Stel dit naar wens in. Druk op de pijltjestoetsen en om [Y] te selecteren. Druk op <0> zodat wordt weergegeven. Druk op de pijltjestoetsen en om [Z] te selecteren en druk vervolgens op <0>. Wanneer de zomertijd is ingesteld op [Z], wordt de tijd die u in stap 4 heeft ingesteld één uur vooruit gezet. Als [Y] wordt ingesteld, wordt de zomertijd uitgeschakeld en wordt de tijd één uur teruggezet. de instelling.
3 De interfacetaal selecteren 1 Geef de hoofdtabbladen weer. Druk op de knop om de hoofdtabbladen weer te geven. op het tabblad [52] de 2 Selecteer optie [TaalK]. Druk op de pijltjestoetsen en om het tabblad [5] te selecteren en druk vervolgens op <0>. Druk op de pijltjestoetsen en om het tabblad [52] te selecteren. Druk op de pijltjestoetsen en om de [TaalK] te selecteren en vervolgens druk op <0>. de gewenste taal in.
Een lens bevestigen en verwijderen De camera is compatibel met alle Canon EF- en EF-S-lenzen. Houd er rekening mee dat u de EF-M-objectieven niet kunt gebruiken. Een lens bevestigen 1 Witte markering Verwijder de doppen. Verwijder de achterste lensdop en de cameradop door ze los te draaien in de richting die door de pijlen wordt aangegeven. de lens. 2 Bevestig Plaats de witte of rode markering op de lens op gelijke hoogte met de markering van dezelfde kleur op de camera.
Een lens bevestigen en verwijderen In- en uitzoomen Draai de zoomring op de lens met uw vingers. Zoom in of uit voordat u scherpstelt. Wanneer u na het scherpstellen aan de zoomring draait, kan de scherpstelling verloren gaan. De lens verwijderen Druk op de lensontgrendelingsknop en draai de lens in de richting van de pijl. Draai de lens totdat dit niet meer verder kan en koppel de lens los. Bevestig de achterste lensdop op de losgekoppelde lens. Kijk niet rechtstreeks naar de zon door een lens.
Basisopnamefuncties De scherpte van de zoeker aanpassen Draai aan de knop voor dioptrische aanpassing. Draai de knop naar links of rechts zodat de AF-punten in de zoeker scherp zijn. Als het lastig is om de knop te draaien, verwijdert u de oogschelp (pag. 386). Als het beeld in de zoeker na de dioptrische aanpassing van de camera nog niet scherp is, wordt u aangeraden om gebruik te maken van de dioptrische aanpassingslenzen uit de E-serie (afzonderlijk verkrijgbaar).
Basisopnamefuncties Ontspanknop De ontspanknop heeft twee stappen. U kunt de ontspanknop half indrukken. Vervolgens kunt u de ontspanknop helemaal indrukken. Half indrukken Hiermee activeert u de automatische scherpstelling en het automatische belichtingssysteem dat de sluitertijd en het diafragma instelt. De belichtingsinstelling (sluitertijd en diafragma) wordt in de zoeker weergegeven (0). Als u de ontspanknop half indrukt, wordt het LCD-scherm uitgeschakeld (pag. 301).
3 Het schermweergaveniveau instellen U kunt naar uw voorkeur instellen hoe informatie op het scherm wordt weergegeven. Wijzig de instelling zoals gewenst. 1 Geef de hoofdtabbladen weer. Druk op de knop om de hoofdtabbladen weer te geven. het tabblad [s]. 2 Selecteer Druk op de pijltjestoetsen en om het tabblad [s] te selecteren en druk daarna op <0>. Opnamescherm U kunt [Standaard] of [Met uitleg ] (gebruiksvriendelijker) voor het Scherm Snel instellen in zoekeropname selecteren.
3 Het schermweergaveniveau instellen Voorbeeldschermen : Met uitleg : Standaard : Met uitleg : Standaard Als in de Creatieve modus [Met uitleg] is ingesteld, worden alleen de voor de ingestelde opnamemodus specifieke functies in het scherm Snel instellen weergegeven. Merk op dat items die niet kunnen worden ingesteld vanuit het scherm Snel instellen als [Met uitleg] is geselecteerd, kunnen worden ingesteld via het menuscherm (pag. 61).
3 Het schermweergaveniveau instellen Menuweergave U kunt het weergavetype selecteren uit [Standaard] of [Met uitleg]. Als u [Met uitleg] instelt, worden beschrijvingen voor het hoofdtabblad gegeven als u op de knop drukt. Als u [Standaard] instelt, gaat u rechtstreeks naar het menuscherm als u op de knop drukt. De standaardinstelling is [Met uitleg]. 1 Selecteer [Menuweergave]. 2 Selecteer het weergavetype. Hoofdtabblad Als [Met uitleg] is ingesteld, verschijnt het tabblad [9 (My Menu)] niet.
3 Het schermweergaveniveau instellen Uitleg voor Opnamemodus U kunt de beschrijving van de Opnamemodus (Modusuitleg) weergeven als u de opnamemodus wijzigt tijdens fotograferen met de zoeker. De standaardinstelling is [Inschakelen]. 1 Selecteer [Modusuitleg]. 2 Selecteer [Inschakelen]. aan het 3 Draai programmakeuzewiel. Een beschrijving van de geselecteerde opnamemodus verschijnt. op de toets . 4 Druk De rest van de beschrijving verschijnt.
3 Het schermweergaveniveau instellen Uitleg Bij gebruik van Quick Control of het instellen van menu-items kunt u een korte beschrijving van functies en opties (Uitleg) weergeven. De standaardinstelling is [Inschakelen]. 1 Selecteer [Uitleg]. 2 Selecteer [Inschakelen]. Voorbeeldschermen Scherm Snel instellen Menuscherm Uitleg De beschrijving verdwijnt als u er op tikt of verdergaat met de bewerking.
3 Het schermweergaveniveau instellen Opnamepunten Opnamepunten verschijnen als het [Opnamescherm] is ingesteld op [Met uitleg] (pag. 52) en de camera-instellingen leiden tot een van de volgende omstandigheden. In Basismodus verschijnen opnamepunten ongeacht de instelling van het [Opnamescherm]. • U wilt de achtergrond verder vervagen (door de laagste sluitertijd in te stellen in de modus ). • Het beeld is waarschijnlijk overbelicht. • Het beeld is waarschijnlijk onderbelicht.
Q Quick Control voor opnamefuncties U kunt de opnamefuncties die worden weergegeven op het LCDscherm, rechtstreeks selecteren en instellen met intuïtieve handelingen. Dit heet Snel instellen. 1 Druk op de knop (7). Het scherm Snel instellen wordt weergegeven. de gewenste functies in. 2 Stel Druk op de pijltjestoetsen om een functie te selecteren. De instellingen van de geselecteerde functie en Uitleg (pag. 56) worden weergegeven. Draai aan het instelwiel <6> om de instelling te wijzigen.
Q Quick Control voor opnamefuncties Voorbeeld van het scherm Snel instellen Als [s: Opnamescherm: Met uitleg] is ingesteld Belichtingscorrectie (pag. 174) Diafragma (pag. 166) AF-bediening (pag. 114) Terug Transportmodus (pag. 123) AF-puntselectie (pag. 119) Als [s: Opnamescherm: Standaard] is ingesteld Diafragma (pag. 166) Witbalansbracketing (pag. 148) Sluitertijd (pag. 164) Opnamemodus* (pag. 30) Belichtingscorrectie/ AEB-instelling (pag. 174/176) Beeldstijl (pag. 135) AF-bediening (pag.
3 Menubewerkingen en configuraties U kunt verschillende instellingen opgeven via de menu's, zoals de opnamekwaliteit, datum/tijd, enzovoort. Knop Knop <0> LCD-scherm Pijltjestoetsen Menuscherm De weergegeven menutabbladen en menu-items kunnen per opnamemodus verschillen.
3 Menubewerkingen en configuraties Procedure voor het instellen van het menu Als [s: Menuweergave: Met uitleg] is ingesteld Hoofdtabblad 1 Geef de hoofdtabbladen weer. Als u op de knop drukt, verschijnen de hoofdtabbladen en een beschrijving van het geselecteerde tabblad. een hoofdtabblad. 2 Selecteer Telkens als u op de pijltjestoetsen en drukt, wordt er van hoofdtabblad (groep functies) gewisseld. menuscherm weergeven. 3 Het Druk op <0> om het menuscherm weer te geven.
3 Menubewerkingen en configuraties de instelling. 6 Selecteer Druk op de pijltjestoetsen en of en om de gewenste instelling te selecteren. (Sommige instellingen worden geselecteerd met de toetsen en en andere met de toetsen en .) De huidige instelling wordt blauw weergegeven. de optie in. 7 Stel Druk op <0> om de instelling vast te leggen.
3 Menubewerkingen en configuraties Als [s: Menuweergave: Standaard] is ingesteld Hoofdtabblad 1 Het menuscherm weergeven. Druk op de knop om het menuscherm weer te geven. een tabblad. 2 Selecteer Draai aan het instelwiel < 6> of druk op de pijltjestoetsen en om het hoofdtabblad en een secundair tabblad te selecteren. In deze handleiding verwijst het tabblad [z4] bijvoorbeeld naar het scherm dat wordt weergegeven als van het tabblad z (Opnamen) de optie [4] wordt geselecteerd.
3 Menubewerkingen en configuraties Gedimde menu-items Voorbeeld: Als [Ruisond. bij meerd. opn.] is ingesteld Gedimde menu-items kunnen niet worden ingesteld. Menu-items worden gedimd weergegeven als een andere functie-instelling voorrang heeft. U kunt de functie die voorrang heeft, weergeven door het gedimde menu-item te selecteren en op <0> te drukken. Als u de instelling van de functie die voorrang heeft annuleert, wordt het gedimde menu-item instelbaar.
d De camera bedienen met de touchscreen U kunt de camera bedienen door met uw vingers op het LCD-scherm (aanraakgevoelig paneel) te tikken. Tikken Voorbeeldweergave (Quick Control) Tik met uw vinger op het LCD-scherm (kort aanraken en dan weer loslaten). U kunt menu's, pictogrammen, enzovoort op het LCD-scherm selecteren door erop te tikken. Als u bijvoorbeeld op [ ] tikt, verschijnt het scherm Snel instellen. Door op [Q] te tikken, keert u terug naar het vorige scherm.
d De camera bedienen met de touchscreen Slepen Voorbeeldscherm (Menuscherm) Sleep uw vinger over het LCD-scherm.
d De camera bedienen met de touchscreen 3 De aanraakbediening instellen 1 Selecteer de optie [Aanraakbediening]. Selecteer op het tabblad [53] de optie [Aanraakbediening] en druk vervolgens op <0>. de gevoeligheid voor de 2 Stel aanraakbediening in. Selecteer de gewenste instelling en druk op <0>. [Standaard] is de normale instelling. [Gevoelig] zorgt voor een betere reactie van het touchscreen dan [Standaard]. Probeer beide instellingen uit en selecteer de instelling die u prefereert.
3 De kaart formatteren Als de kaart nieuw is of eerder is geformatteerd met een andere camera of computer, moet u de kaart met deze cameraformatteren. Wanneer de geheugenkaart wordt geformatteerd, worden alle opnamen en gegevens van de kaart gewist. Zelfs beveiligde opnamen worden gewist; controleer dus of er geen opnamen op de kaart staan die u wilt bewaren. Breng de opnamen en gegevens zo nodig over naar een computer of een ander opslagmedium voordat u de kaart formatteert.
3 De kaart formatteren Gebruik [Kaart formatteren] in de volgende gevallen: De kaart is nieuw. De kaart is geformatteerd met een andere camera of een computer. De kaart is volledig gevuld met opnamen of gegevens. Er wordt een kaartfout weergegeven (pag. 427). Low-levelformattering Voer een low-levelformattering uit als de schrijf- of leessnelheid van de kaart laag is of als u alle gegevens op de kaart volledig wilt wissen.
Wisselen van scherm op het LCD-scherm Op het LCD-scherm kunnen het scherm Snel instellen, het menuscherm, vastgelegde beelden, enzovoort worden weergegeven. Wanneer u de camera inschakelt, wordt het scherm Snel instellen weergegeven. Vervolgens kunt u de actuele opname-instellingen bekijken. Wanneer u de ontspanknop half indrukt, wordt het scherm uitgeschakeld. Wanneer u de ontspanknop loslaat, wordt het LCD-scherm weer ingeschakeld.
2 Basisfuncties voor het maken en weergeven van opnamen In dit hoofdstuk wordt beschreven hoe u de basismodi op het programmakeuzewiel kunt gebruiken voor de beste resultaten en hoe u opnamen kunt weergeven. In de basismodi hoeft u de camera alleen maar op het onderwerp te richten en de opname te maken; de camera stelt alles automatisch in (pag. 107, 390).
A Volautomatisch opnamen maken (Scene Intelligent Auto) is een volautomatische modus. De camera analyseert de scène en stelt automatisch de optimale instellingen in. Bovendien past de camera de scherpstelling automatisch aan op het niet-bewegende of bewegende onderwerp door de beweging van het onderwerp te detecteren (pag. 75). 1 AF-punt Stel het programmakeuzewiel in op . het AF-punt op het onderwerp.
A Volautomatisch opnamen maken (Scene Intelligent Auto) de opname. 4 Maak Druk de ontspanknop helemaal in om de opname te maken. Het vastgelegde beeld wordt ongeveer 2 seconden op het LCD-scherm weergegeven. Als u klaar bent met fotograferen, duwt u de ingebouwde flitser weer omlaag. De modus zorgt ervoor dat de kleuren in natuur- en buitenopnamen en opnamen van zonsondergangen er indrukwekkender uitzien.
A Volautomatisch opnamen maken (Scene Intelligent Auto) De pieptoon blijft zachtjes aanhouden. De scherpstelindicator brandt niet. Dit geeft aan dat de camera voortdurend scherpstelt op een bewegend onderwerp. (De scherpstelindicator brandt niet.) U kunt scherpe opnamen maken van een bewegend onderwerp. De scherpstelvergrendeling (pag. 75) werkt in dit geval niet. Er wordt niet op het onderwerp scherpgesteld als de ontspanknop half is ingedrukt.
A Volautomatische technieken (Scene Intelligent Auto) De compositie opnieuw bepalen Door het onderwerp afhankelijk van de scène links of rechts in beeld te plaatsen om een uitgebalanceerde achtergrond op te nemen, wordt een opname met een beter perspectief bereikt. In de modus wordt om scherp te stellen op een stilstaand onderwerp door de ontspanknop half in te drukken de scherpstelling op dat onderwerp vergrendeld.
A Volautomatische technieken (Scene Intelligent Auto) A Live View-opnamen U kunt opnamen maken terwijl het zoekerbeeld op het LCD-scherm wordt weergegeven. Dit heet 'Live View-opnamen'. Zie pagina 195 voor meer informatie. 1 Geef het Live View-beeld op het LCD-scherm weer. Druk op de knop . Het Live View-beeld wordt op het LCD-scherm weergegeven. scherp op het onderwerp. 2 Stel Druk de ontspanknop half in om scherp te stellen.
7 Fotograferen als de flitser niet kan worden gebruikt De camera analyseert de scène en stelt automatisch de optimale instellingen in. Op plaatsen waar het gebruik van een flitser niet is toegestaan, zoals in musea of een aquarium, gebruikt u de modus <7> (Flitser uit). Opnamepunten Als de nummerweergave (sluitertijd) in de zoeker knippert, moet u ervoor zorgen dat de camera niet beweegt.
C Creative Auto-opnamen is een volautomatische opnamemodus die een stap geavanceerder is dan . U kunt de sfeer van de foto, achtergrond, vervaging enz. aanpassen voordat u de opname maakt. Door op de knop te drukken kunt u het volgende instellen: 1. Sfeeropnamen, 2. Achtergrond wazig, 3. Transportmodus en 4. Flitsen met ingebouwde flitser met Quick Control. * staat voor Creative Auto. 1 Stel het programmakeuzewiel in op . op de knop (7).
C Creative Auto-opnamen Sluitertijd Diafragma ISO-snelheid (1) (2) (4) (3) Accuniveau Opnamekwaliteit Maximum aantal opnamen Als u (1) of (2) instelt wanneer de camera in de modus voor Live Viewopnamen staat, ziet u het effect van de potentiële opname direct op het scherm, nog voordat de opname is gemaakt. (1) Sfeeropnamen U kunt de gewenste sfeer selecteren en daarmee uw opnamen maken. Draai aan het instelwiel <6> om een sfeer te selecteren.
C Creative Auto-opnamen (2) Achtergrond wazig • Als [OFF] is ingesteld, verandert de mate van achtergrondvervaging met de helderheid van het beeld. • Bij een andere instelling dan [OFF] kunt u de achtergrondvervaging zelf instellen, onafhankelijk van de helderheid. • Hoe verder u de cursor naar rechts verplaatst met het instelwiel <6>, hoe scherper de achtergrond eruit ziet in de foto.
C Creative Auto-opnamen (3) Transportmodus: Gebruik het hoofdinstelwiel <6> om de selectie te maken. U kunt deze ook in een lijst selecteren door op <0> te drukken. Enkelbeeld: Eén opname tegelijk maken. Continue opname: Als u de ontspanknop volledig indrukt, worden er continu opnamen gemaakt. U kunt circa 5,0 opnamen per seconde maken. Zelfontspanner: 10 sec.
C Creative Auto-opnamen Opname met sfeerselectie Sfeer Sfeereffect 1 Sfeer: Standaard Geen instelling 2 Levendig Zwak / Standaard / Sterk 3 Soft Zwak / Standaard / Sterk 4 Warm Zwak / Standaard / Sterk 5 Intens Zwak / Standaard / Sterk 6 Koel Zwak / Standaard / Sterk 7 Helderder Zwak / Normaal / Sterk 8 Donkerder Zwak / Normaal / Sterk 9 Monochroom Blauw / Z/W / Sepia 1 Geef het Live View-beeld weer. Druk op de knop om het Live View-beeld weer te geven.
C Creative Auto-opnamen het sfeereffect in. 3 Stel Druk op de pijltjestoetsen en om het effect te selecteren. [Effect] wordt dan onder aan het scherm weergegeven. Druk op de pijltjestoetsen en om het gewenste effect te selecteren. de opname. 4 Maak Druk de ontspanknop helemaal in om de opname te maken. Druk op de knop om de Live View-opnamen te verlaten en weer via de zoeker te fotograferen. Druk vervolgens de ontspanknop helemaal in om de opname te maken.
C Creative Auto-opnamen Sfeerinstellingen 1Sfeer: Standaard Dit levert standaardbeeldkenmerken. 2 Levendig Het onderwerp wordt scherp en levendig weergegeven. Met deze sfeerinstelling ziet de foto er indrukwekkender uit dan met de instelling [1 Sfeer: Standaard]. 3 Soft Het onderwerp is minder gedefinieerd, waardoor de opname een zachtere, delicatere uitstraling krijgt. Goed voor portretten, huisdieren, bloemen, enzovoort.
8: Modus Speciale scène De camera kiest automatisch de juiste instellingen wanneer u een opnamemodus voor uw onderwerp of scène selecteert. * <8> staat voor Speciale scène. 1 Stel het programmakeuzewiel in op <8>. 2 Druk op de knop . een opnamemodus. 3 Selecteer Druk op de pijltjestoetsen en om de gewenste opnamemodus te selecteren en druk vervolgens op <0>. U kunt ook aan het hoofdinstelwiel <6> draaien.
8: Modus Speciale scène Beschikbare opnamemodi in de modus <8> Opnamemodus Pagina Opnamemodus Pagina 2 Portret pag. 87 P Voedsel pag. 93 q Groepsfoto pag. 88 x Kaarslicht pag. 94 3 Landschap pag. 89 6 Nachtportret pag. 95 5 Sport pag. 90 Nachtopnamen uit F hand pag. 96 C Kinderen pag. 91 G HDR-tegenlicht pag. 97 4 Close-up pag.
2 Portretfoto's maken De modus <2> (Portret) maakt de achtergrond onscherp, zodat personen duidelijker naar voren komen. Ook worden de tinten van de huid en het haar zachter gemaakt. アテ Opnamepunten Selecteer de locatie waar de afstand tussen het onderwerp en de achtergrond het grootst is. Hoe groter de afstand tussen het onderwerp en de achtergrond, hoe waziger de achtergrond eruitziet. Ook steekt het onderwerp beter af tegen een gelijkmatige, donkere achtergrond. Gebruik een telelens.
q Groepsfoto's nemen Gebruik de modus (Groepsfoto) om groepsfoto's te nemen. U kunt een foto nemen waarin zowel de mensen op de voorgrond als op de achtergrond scherp zijn. Opnamepunten Gebruik een groothoekobjectief. Gebruik de groothoekstand van een zoomlens om alle mensen in een groep gemakkelijker scherp te krijgen, vanaf de voorste tot de achterste rij.
3 Landschapsfoto's maken Gebruik de modus <3> (Landschap) voor panoramafoto's of om alles van dichtbij tot veraf scherp in beeld te krijgen. Voor levendige blauwe en groene tinten en zeer scherpe en heldere opnamen. Opnamepunten Gebruik bij een zoomlens de groothoekzijde. Stel bij gebruik van een zoomlens deze in op groothoek om onderwerpen dichtbij en veraf scherp te krijgen. Het geeft landschappen ook meer breedte. 's Avonds opnamen maken.
5 Opnamen maken van bewegende onderwerpen Gebruik de modus <5> (Sport) om bewegende onderwerpen te fotograferen, bijvoorbeeld rennende mensen of een rijdende auto. Opnamepunten Gebruik een telelens. Voor opnamen vanaf een afstand wordt het gebruik van een telelens aanbevolen. Gebruik het middelste AF-punt om scherp te stellen. Richt het middelste AF-punt op het onderwerp en druk de ontspanknop vervolgens half in om automatisch scherp te stellen.
C Kinderen fotograferen Wanneer u rondrennende kinderen wilt fotograferen en voortdurend op ze wilt blijven scherpstellen, gebruikt u (Kinderen). Dit zorgt ook voor een gezonde huidtint in de opnamen. Opnamepunten Gebruik het middelste AF-punt om scherp te stellen. Richt het middelste AF-punt op het onderwerp en druk de ontspanknop vervolgens half in om automatisch scherp te stellen. Tijdens het automatisch scherpstellen blijft u een zachte pieptoon horen.
4 Close-ups maken Wanneer u bloemen of kleine onderwerpen van dichtbij wilt fotograferen, gebruikt u de modus <4> (Close-up). Gebruik een macrolens (afzonderlijk verkrijgbaar) om kleine onderwerpen veel groter te laten uitkomen. Opnamepunten Gebruik een eenvoudige achtergrond. Met een simpele achtergrond komen kleine objecten zoals bloemen beter tot hun recht. Nader het onderwerp zo dicht mogelijk. Controleer de minimale scherpstelafstand van de lens. Sommige lenzen hebben een indicatie zoals <0.25m/0.
P Voedsel fotograferen Gebruik voor het fotograferen van voedsel de modus
(Voedsel). De foto wordt scherp en aantrekkelijk. Afhankelijk van de lichtbron wordt bovendien de roodachtige tint onderdrukt in opnamen die bij kunstlicht enzovoort worden gemaakt. Opnamepunten Pas de kleurtoon aan. U kunt de [Kleurtoon] aanpassen. Als u de roodachtige tint van het voedsel wilt versterken, zet u de kleurtoon richting [Warm]. Als het geheel te rood overkomt, zet u de kleurtoon richting [Koel].
x Portretten bij kaarslicht maken Wanneer u personen bij kaarslicht wilt fotograferen, gebruikt u (Kaarslicht). De atmosfeer van kaarslicht wordt gereflecteerd in de kleurtoon van de foto. Opnamepunten Gebruik het middelste AF-punt om scherp te stellen. Richt het middelste AF-punt in de zoeker op het onderwerp en maak de foto. Als de nummerweergave (sluitertijd) in de zoeker knippert, moet u ervoor zorgen dat de camera niet beweegt.
6 Nachtportretten maken (met een statief) Gebruik de modus <6> (Nachtportret) als u 's avonds mensen wilt fotograferen en een natuurlijk uitziende achtergrond wilt hebben. U wordt aangeraden een statief te gebruiken. Opnamepunten Gebruik een groothoekobjectief en een statief. Gebruik bij een zoomlens de groothoekzijde om in het donker een panorama-effect te verkrijgen. En gebruik ook een statief, omdat cameratrilling snel optreedt bij fotograferen uit de hand.
F Nachtopnamen maken (uit de hand) U bereikt bij nachtopnamen het beste resultaat door een statief te gebruiken. Met de modus (Nachtopnamen uit hand) kunt u echter ook prima nachtopnamen maken terwijl u de camera in de hand houdt. In deze modus worden vier continue opnamen gemaakt voor elke foto, en vervolgens wordt een opname met minder cameratrilling opgeslagen. Opnamepunten Houd de camera stevig vast. Houd de camera stevig vast en houd deze stil als u de opname maakt.
G Opnamen met tegenlicht maken Als u een tafereel met zowel lichte als donkere gebieden fotografeert, gebruikt u de modus (HDR-tegenlicht). Wanneer u één foto in deze modus maakt, worden drie opvolgende opnamen met verschillende belichting gemaakt. Het resultaat is één opname met een breed kleurtoonbereik waarbij de schaduwen, veroorzaakt door tegenlicht, tot een minimum zijn beperkt. Opnamepunten Houd de camera stevig vast. Houd de camera stevig vast en houd deze stil als u de opname maakt.
Aandachtspunten voor Groepsfoto Omdat vervormingscorrectie wordt toegepast, gebruikt de camera een kleiner opnamegebied dan door de zoeker te zien is. (De randen van de opname zijn iets bijgesneden en het lijkt of de resolutie iets lager is.) En tijdens Live View-opnamen verandert de beeldhoek iets. Aandachtspunten voor Kinderen Tijdens Live View-opnamen, als de flitser wordt gebruikt bij continue opnamen, daalt de snelheid van continue opname.
Aandachtspunten voor Nachtopnamen uit hand en HDR-tegenlicht U kunt 1+73 of 1 niet selecteren. Als 1+73 of 1 wordt ingesteld, wordt de opname vastgelegd met de ingestelde 73 -kwaliteit. Als u een bewegend onderwerp fotografeert, kan de beweging van het onderwerp nabeelden achterlaten en kan het gebied om het onderwerp heen donker worden.
v Opnamen maken met Creatieve filtereffecten In de modus (Creatieve filter) kunt u een van de tien filtereffecten (Korrelig Z/W*, Soft focus*, Fisheye-effect*, Aquareleffect*, Speelgoedcamera-effect*, Miniatuureffect*, HDR-kunst standaard, HDR-kunst helder, HDR-kunst opvallend en HDR-kunst embossed) toepassen voor het maken van opnamen. Wanneer de camera in de modus voor Live View-opnamen staat, ziet u het effect van de potentiële opname direct op het scherm, nog voordat de opname is gemaakt.
v Opnamen maken met Creatieve filtereffecten een opnamemodus. 4 Selecteer Druk op de pijltjestoetsen en om een opnamemodus te selecteren en druk vervolgens op <0>. De opname wordt weergegeven met de effecten van het filter toegepast. Beschikbare opnamemodi in de modus v Opnamemodus Pagina Opnamemodus Miniature effect (Miniatuureffect) Pagina G Korrelig Z/W pag. 102 c pag. 103 W Soft focus pag. 102 A HDR-kunst standaard pag. 103 pag. 103 X Fisheye-effect pag.
v Opnamen maken met Creatieve filtereffecten U kunt 1+73 of 1 niet selecteren. Als 1+73 of 1 wordt ingesteld, wordt de opname vastgelegd met de ingestelde 73 -kwaliteit. Als , , , , of wordt ingesteld, kan continue opname niet worden ingesteld. Stofwisdata (pag. 304) wordt niet toegevoegd aan opnamen die zijn gemaakt met het Fisheye-effect. wordt standaard ingesteld op (Flitser uit). Probeer cameratrilling te voorkomen wanneer u bij weinig licht fotografeert.
v Opnamen maken met Creatieve filtereffecten Z Aquareleffect Hiermee ziet de foto eruit als een aquarel met zachte kleuren. U kunt de intensiteit van de kleur wijzigen door het filtereffect aan te passen. Het kan zijn dat nachtelijke of donkere scènes niet vloeiend, maar onregelmatig of met aanzienlijke ruis worden weergegeven.
v Opnamen maken met Creatieve filtereffecten C HDR kunst opvallend De kleuren zijn het meest verzadigd, waardoor het onderwerp er echt uitspringt en de opname er als een olieverfschilderij uitziet. D HDR kunst embossed De kleurverzadiging, de helderheid, het contrast en de gradatie zijn beperkt, wat ervoor zorgt dat de opname er vlak uitziet. De opname ziet er vervaagd en oud uit. Het onderwerp heeft opvallende heldere (of donkere) randen.
v Opnamen maken met Creatieve filtereffecten Miniatuureffect aanpassen 1 Verplaats het AF-punt. Verplaats het AF-punt naar de plek waarop u wilt scherpstellen. Als het AF-punt niet volledig wordt bedekt door het kader met het miniatuureffect, knippert het pictogram [r] rechtsonder in het scherm. Pas in de volgende stap de positie aan van het kader voor het miniatuureffect zodat dit het AF-punt bedekt. het kader van het 2 Verplaats Miniatuureffect.
Q Quick Control Als u in de basismodi op de knop drukt, stelt u de camera in op Quick Control en kunt u de items in de tabellen op pagina's 107-108 instellen. Voorbeeld: het programmakeuzewiel in 1 Stel op een basismodus. op de knop (7). 2 Druk Het scherm Snel instellen wordt weergegeven. de gewenste functies in. 3 Stel Druk op de pijltjestoetsen om een functie te selecteren. (Deze procedure is in de modus 7 niet nodig.) De instellingen van de geselecteerde functie en Uitleg (pag.
Q Quick Control Functies die in de basismodi kunnen worden ingesteld o: Standaardinstelling* k: Door gebruiker in te stellen Transportmodus (pag. 123) o k 2 k o 8 q 3 o o k k 5 k o k k k k k k k k k k o k k k k k k o k k k k o k k k k k k o o k k k k G Functie A 7 C u: Enkelbeeld o k o k m/Q: Zelfontspanner: 10 sec.
Q Quick Control o: Standaardinstelling* k: Door gebruiker in te stellen G o W o m/Q: Zelfontspanner: 10 sec./afstandsbediening k k k k k l: 2 sec k k o k k k k k o k k k k k o k k k k k o k k k k k o k k k c o A o k v B o k C o k D o k m/Q: Zelfontspanner: 10 sec./afstandsbediening k k k k k l: 2 sec k k k k o k k k k k k k k o o o o Functie u: Enkelbeeld Transportmodus (pag.
De helderheid instellen Wanneer in de basismodi een andere modus dan , <7>, , <8: G> of wordt ingesteld, kunt u de helderheid instellen die u voor de opname wilt gebruiken. U kunt zowel de helderheid als de donkerte instellen in 3 stappen waarbij 0 standaard is. 1 Stel het programmakeuzewiel in op <8: 2q35C4Px6F>. Stel een andere modus in dan . het Live View-beeld weer. 2 Geef Druk op de knop om het Live View-beeld weer te geven (behalve bij ).
x Opnamen weergeven Hieronder wordt beschreven hoe u opnamen het eenvoudigst kunt weergeven. Zie pagina 309 voor meer informatie over de weergaveprocedure. 1 Geef de opname weer. Druk op de knop . De laatst gemaakte of laatst bekeken opname wordt weergegeven. een opname. 2 Selecteer Als u de opnamen vanaf de laatste opname wilt weergeven, drukt u op de toets . Wilt u de opnamen in chronologische volgorde weergeven, drukt u op de toets .
x Opnamen weergeven de opnameweergave. 3 Beëindig Druk op de knop om de opnameweergave te beëindigen en om meteen weer opnamen te kunnen maken. Weergave met opname-informatie Als de weergave met opname-informatie wordt weergegeven (pag. 110), kunt u op de pijltjestoetsen en drukken om de onder in het scherm weergegeven opname-informatie als volgt te wijzigen. Raadpleeg de pagina's 350-351 voor meer informatie.
3 De AF- en transportmodi instellen De AF-punten in de zoeker zijn zodanig geplaatst dat u op een verscheidenheid aan onderwerpen en in allerlei omstandigheden automatisch scherp kunt stellen. U kunt ook de AF-bediening en de transportmodus selecteren die voor de opnameomstandigheden en het onderwerp het geschiktst zijn. Het pictogram O rechts boven de paginatitel geeft aan dat de functie alleen in de creatieve modi (pag. 31) beschikbaar is. In de basismodi wordt de AF-bediening automatisch ingesteld.
f: De AF-bediening wijzigenN U kunt de AF-bediening (automatische scherpstelling) selecteren die bij de opnameomstandigheden en het onderwerp past. In de basismodi wordt de optimale AF-bediening automatisch ingesteld voor de respectieve opnamemodus. 1 Zet de scherpstelmodusknop op het objectief op . het programmakeuzewiel 2 Draai naar een creatieve modus. [AF-bediening]. 3 Selecteer Selecteer op het tabblad [z1] de optie [AF-bediening] en druk op <0>. [AF-werking] wordt weergegeven.
f: De AF-bediening wijzigenN 1-beeld AF voor niet-bewegende onderwerpen Geschikt voor niet-bewegende onderwerpen. Wanneer u de ontspanknop half indrukt, stelt de camera slechts één keer scherp. De stip in het AF-punt waarop is scherpgesteld licht gedurende korte tijd rood op en ook de scherpstelindicator in de zoeker AF-punt gaat branden. Scherpstelindicator Bij meervlaksmeting wordt de belichting ingesteld op het moment dat op het onderwerp is scherpgesteld.
f: De AF-bediening wijzigenN AI Servo AF voor bewegende onderwerpen Deze AF-bediening is geschikt voor bewegende onderwerpen waarbij de scherpstelafstand telkens verandert. Terwijl u de ontspanknop half ingedrukt houdt, blijft de camera voortdurend scherpstellen op het onderwerp. De belichting wordt ingesteld op het moment dat de opname wordt gemaakt. Bij automatische AF-puntselectie (pag. 119) stelt de camera scherp op het middelste AF-punt.
f: De AF-bediening wijzigenN AF-hulplicht met de ingebouwde flitser Bij weinig licht flitst de ingebouwde flitser een paar keer kort wanneer u de ontspanknop half indrukt. Hierdoor wordt het onderwerp belicht, zodat automatisch scherpstellen makkelijker is. Er wordt door de ingebouwde flitser geen AF-hulplicht geactiveerd in de modi <7> <8: 5C>.
f: De AF-bediening wijzigenN 3 Objectief elektronische MF instellen Met de volgende USM- en STM-lenzen die zijn voorzien van een elektronische scherpstelfunctie kunt u instellen of elektronische handmatige scherpstelling moet worden gebruikt in 1-beeld AF. De standaardinstelling is [Uitschakelen na One-Shot AF]. EF-S18-135mm f/3.5-5.6 IS USM EF300mm f/2.8L USM EF1200mm f/5.6L USM EF50mm f/1.0L USM EF400mm f/2.8L USM EF28-80mm f/2.8-4L USM EF85mm f/1.2L USM EF400mm f/2.8L II USM EF70-300mm f/4-5.
S Het AF-punt selecteren Wanneer modus <8: x> of is ingesteld, is het mogelijk dat de camera niet altijd scherp stelt op het gewenste onderwerp, omdat de camera in normale gevallen automatisch scherp stelt op het dichtstbijzijnde onderwerp. In een andere modus kunt u één AF-punt selecteren om uitsluitend scherp te stellen op het onderwerp waarop het AF-punt is geplaatst. 1 Druk op de knop (9). Het geselecteerde AF-punt wordt op het LCD-scherm en in de zoeker weergegeven. het AF-punt.
S Het AF-punt selecteren Opnamepunten Als u van dichtbij een portret wilt maken, gebruikt u 1-beeld AF en stelt u scherp op de ogen. Als u de compositie instelt nadat u hebt scherpgesteld op de ogen van de persoon die wordt gefotografeerd, zal de levendige gezichtsuitdrukking meer naar voren komen op de foto. Als het moeilijk is om scherp te stellen, kunt u het beste het middelste AF-punt selecteren. Van de negen AF-punten heeft het middelste AF-punt de beste scherpstelprestaties.
Onderwerpen waarop moeilijk kan worden scherpgesteld Soms kan er niet automatisch worden scherpgesteld (de scherpstelindicator in de zoeker knippert).
Onderwerpen waarop moeilijk kan worden scherpgesteld MF: Handmatige scherpstelling de scherpstelmodusknop op 1 Zet de lens op . scherp op het onderwerp. 2 Stel Stel scherp door aan de focusring op Scherpstelring de lens te draaien totdat u het onderwerp scherp in de zoeker ziet. Als u de ontspanknop half indrukt terwijl u handmatig scherpstelt, knippert het AF-punt waarmee is scherpgesteld gedurende korte tijd rood en gaat de scherpstelindicator in de zoeker branden.
i De transportmodus selecteren De camera heeft transportmodi voor enkele opnamen en continue opnamen. 1 Druk op de knop . Het scherm Snel instellen wordt weergegeven. [ ]. 2 Selecteer Druk op de pijltjestoetsen en om [ ] te selecteren en druk vervolgens op <0>. de transportmodus. 3 Selecteer Druk op de pijltjestoetsen en om de gewenste transportmodus te selecteren en druk vervolgens op <0>.
i De transportmodus selecteren m/Q: Zelfontspanner (10 sec.)/afstandsbediening (wanneer draadloze afstandsbediening BR-E1 (afzonderlijk verkrijgbaar) wordt gebruikt) l : Zelfontspanner: 2 sec. q : Zelfontspanner: Continu Zie pagina 125 voor het maken van opnamen met de zelfontspanner. Zie pagina 382 voor het maken van opnamen met de afstandsbediening BR-E1. i: De maximale snelheid van continue opname met Hoge snelheid van circa 5,0 opnamen/sec.
j De zelfontspanner gebruiken 1 Druk op de knop . Het scherm Snel instellen wordt weergegeven. [ ]. 2 Selecteer Druk op de pijltjestoetsen en om [ ] te selecteren en druk vervolgens op <0>. de zelfontspanner. 3 Selecteer Druk op de pijltjestoetsen en om de zelfontspanner te selecteren en druk op <0>. m/Q: Zelfontspanner: 10 sec./ afstandsbediening Opnamen maken met de draadloze afstandsbediening BR-E1 (afzonderlijk verkrijgbaar) is ook mogelijk (pag. 382).
j De zelfontspanner gebruiken Met kan het interval tussen de verschillende opnamen worden verlengd afhankelijk van de instellingen voor opnamefuncties, zoals de opnamekwaliteit of gebruik van de flitser. Als u bij het indrukken van de ontspanknop niet door de zoeker kijkt, kunt u het beste de oculairafsluiting bevestigen (pag. 386). Als er tijdens het maken van een opname licht in de zoeker komt, kan dit een negatief effect op de belichting hebben.
4 Opname-instellingen In dit hoofdstuk worden functie-instellingen voor opnamen beschreven: opnamekwaliteit, ISO-snelheid, beeldstijl, witbalans, Auto Lighting Optimizer (Auto optimalisatie helderheid), ruisreductie, lensafwijkingscorrectie en andere functies. Het pictogram O rechts boven de paginatitel geeft aan dat de functie alleen in de creatieve modi (pag. 31) beschikbaar is.
3 De opnamekwaliteit instellen U kunt het aantal pixels en de beeldkwaliteit selecteren. Er zijn negen instellingen voor de opnamekwaliteit: 73, 83, 74, 84, 7a, 8a, b, 1+73, 1. 1 Vastgelegde pixels (aantal pixels) Maximum aantal opnamen 128 Selecteer de opnamekwaliteit. Selecteer op het tabblad [z1] de optie [Beeldkwalit.] en druk vervolgens op <0>. [Beeldkwalit.] wordt weergegeven. de opnamekwaliteit in.
3 De opnamekwaliteit instellen Richtlijnen voor het instellen van de opnamekwaliteit (benadering) Beeldkwaliteit 73 83 Hoge kwaliteit 74 Gemiddelde 84 kwaliteit JPEG 7a 8a b Lage kwaliteit Opgeslagen pixels 24 M 11 M 5,9 M 3,8 M Bestandsgrootte (MB) Maximum aantal opnamen Maximale opnamereeks 7,6 950 Volledig (Volledig) 3,9 1840 Volledig (Volledig) 4,1 1790 Volledig (Volledig) 2,0 3480 Volledig (Volledig) 2,6 2730 Volledig (Volledig) 1,3 5260 Volledig (Volledig) 1,8 3810 Volledi
3 De opnamekwaliteit instellen Veelgestelde vragen Ik wil de opnamekwaliteit selecteren die bij het papierformaat past waarop ik wil printen. Raadpleeg het diagram links bij het Papierformaat kiezen van de opnamekwaliteit. Als u de A2 (59,4 x 42 cm) opname wilt bijsnijden, wordt het 73 aanbevolen om een hogere kwaliteit A3 (42 x 29,7 cm) 83 (meer pixels) te selecteren, zoals 73, 1+73 74 1 83, 1+73of 1. 84 b is geschikt voor het weergeven van 7a 8a b de opname in een digitale fotolijst.
3 De opnamekwaliteit instellen 1 1-opnamen zijn onbewerkte beeldgegevens die nog moeten worden omgezet in 73 of andere typen afbeeldingen. 1-opnamen kunnen niet zomaar op een computer worden weergegeven. Daarvoor is speciale software nodig, zoals Digital Photo Professional (EOS-software, pag. 444). U kunt deze opnamen echter wel aanpassen op manieren die met andere opnametypen, zoals 73, niet mogelijk zijn.
g: De ISO-snelheid instellen voor foto'sN Stel de ISO-snelheid (de lichtgevoeligheid van de beeldsensor) in op de waarde die voor het omgevingslicht gewenst is. In de basismodi wordt de ISO-snelheid automatisch ingesteld. Raadpleeg pagina 236 en 239 voor meer informatie over de ISO-snelheid tijdens movie-opnamen. 1 Druk op de knop (9). de ISO-snelheid in.
g: De ISO-snelheid instellen voor foto'sN Als bij [54: Persoonlijke voorkeuze(C.Fn)] de optie [4: Lichte tonen prioriteit] is ingesteld op [1:Inschakelen], kunnen ISO 100 en 'H' (equivalent aan ISO 51200) niet worden ingesteld (pag. 367). Opnamen bij hoge temperaturen kunnen er korreliger uitzien. Lange belichtingstijden kunnen ook afwijkende kleuren in de opname tot gevolg hebben.
g: De ISO-snelheid instellen voor foto'sN 3 De maximale ISO-snelheid instellen voor [AUTO]N Voor ISO auto kunt u de maximale ISO-snelheid instellen op een waarde tussen ISO 400 en ISO 25600. Selecteer op het tabblad [z2] de optie [zISO Auto] en druk op <0>. Selecteer de ISO-snelheid en druk op <0>.
A Een beeldstijl selecterenN Door een beeldstijl te selecteren, kunt u opnamekenmerken verkrijgen die bij uw fotografische expressie of bij het onderwerp passen. 1 Selecteer [Beeldstijl]. Selecteer op het tabblad [z4] de optie [Beeldstijl] en druk vervolgens op <0>. Het keuzescherm voor beeldstijlen wordt weergegeven. een beeldstijl. 2 Selecteer Selecteer een beeldstijl en druk vervolgens op <0>. De beeldstijl wordt ingesteld.
A Een beeldstijl selecterenN Q Portret Voor mooie huidskleurtinten. De opname heeft zachtere kleuren. Geschikt voor portretten in close-up. Door de [Kleurtoon] te wijzigen (pag. 139), kunt u de huidskleurtint aanpassen. R Landschap Voor levendige blauwe en groene tinten en zeer scherpe en heldere opnamen. Gebruik deze instelling voor indrukwekkende landschappen. u Gedetailleerd Geschikt voor de weergave van gedetailleerde contouren en een fijne structuur van het onderwerp.
A Een beeldstijl selecterenN Symbolen Het selectiescherm voor beeldstijlen heeft pictogrammen voor [Sterkte], [Details] of [Drempel] voor [Scherpte], [Contrast] en andere parameters. De cijfers geven de waarden weer voor deze parameters die zijn ingesteld voor de respectieve beeldstijl.
A Een beeldstijl aanpassenN U kunt de beeldstijlen aanpassen. U kunt de parameterinstellingen van beeldstijlen zoals [Sterkte], [Details] of [Drempel] voor [Scherpte], [Contrast] en andere parameters in de standaardinstellingen wijzigen of aanpassen. Maak testopnamen om het resultaat te bekijken. Zie pagina 140 voor het aanpassen van [Monochroom]. 1 Selecteer [Beeldstijl]. Selecteer op het tabblad [z4] de optie [Beeldstijl] en druk vervolgens op <0>.
A Een beeldstijl aanpassenN Parameterinstellingen en -effecten Scherpte g J Sterkte 0: zwak benadrukken van de contouren 7: sterk benadrukken van de contouren K Details*1 1: fijn 5: korrelig L Drempel*2 1: zwak 5: sterk -4: laag contrast +4: hoog contrast h Contrast i Verzadiging -4: lage verzadiging +4: hoge verzadiging j Kleurtoon -4: roodachtige huidskleur +4: geelachtige huidskleur *1: Geeft de details aan van de contouren die moeten worden benadrukt.
A Een beeldstijl aanpassenN V Monochroom aanpassen Naast de effecten die worden beschreven op de vorige pagina zoals [Contrast] of [Sterkte], [Details] en [Drempel] voor [Scherpte], kunt u ook [Filtereffect] en [Toningeffect] instellen. kFiltereffect U kunt op een monochrome opname witte wolken of groene bomen meer laten afsteken dan in het echt door een filtereffect toe te passen. Filter Voorbeeldeffecten N: Geen Normale zwart-witopname zonder filtereffecten.
A Een beeldstijl vastleggenN U kunt een basisbeeldstijl selecteren, zoals [Portret] of [Landschap], de parameters daarvan naar wens aanpassen en de stijl vervolgens vastleggen onder [Gebruiker 1], [Gebruiker 2] of [Gebruiker 3]. Dit is handig wanneer u vooraf meerdere beeldstijlen met verschillende instellingen wilt definiëren. U kunt hier ook de parameters aanpassen van een beeldstijl die met EOS Utility (EOS-software, pag. 444) op de camera is vastgelegd. 1 Selecteer [Beeldstijl].
A Een beeldstijl vastleggenN een parameter. 5 Selecteer Selecteer de parameter (zoals [Sterkte] of [Scherpte]) die u wilt instellen en druk vervolgens op <0>. de parameter in. 6 Stel Druk op de pijltjestoetsen en om het effect van de parameter aan te passen en druk vervolgens op <0>. Zie 'Een beeldstijl aanpassen' (pag. 138-140) voor meer informatie. Druk op de knop om de aangepaste parameterinstellingen vast te leggen. Het keuzescherm voor beeldstijlen verschijnt nu weer.
B: Aanpassen aan de lichtbronN Witbalans (WB) zorgt ervoor dat witte gebieden er wit uitzien. Bij de instelling Auto [Q] (Sfeerprioriteit) of [Qw] (Witprioriteit) zal doorgaans automatisch de juiste witbalans worden ingesteld. Als u met de instelling Auto geen natuurlijke kleuren krijgt, kunt u een witbalans selecteren die bij de lichtbron past of de witbalans handmatig instellen door een opname van een wit voorwerp te maken. Bij de basismodi wordt [Q] (Sfeerprioriteit) automatisch ingesteld.
B: Aanpassen aan de lichtbronN Q Automatische witbalans Met [Q] (Sfeerprioriteit) kunt u de intensiteit van de warme kleurzweem van de opname vergroten wanneer u scènes in kunstlicht opneemt. Als u [Qw] (Witprioriteit) selecteert, kunt u de intensiteit van de warme kleurzweem van de opname verkleinen. Als u de automatische witbalans van vroegere EOS-cameramodellen wilt bereiken, selecteert u [Q] (Sfeerprioriteit). 1 Selecteer [Witbalans].
B: Aanpassen aan de lichtbronN O Handmatige witbalans Met handmatige witbalans kunt u de witbalans instellen voor de specifieke lichtbron van de opnamelocatie. Zorg ervoor dat u deze procedure uitvoert onder de lichtbron op de plaats van opname. 1 Fotografeer een wit object. Kijk door de zoeker. Het gebied tussen de gestippelde lijn (zie afbeelding) moet een effen wit object bedekken. Stel handmatig scherp en maak opnamen met de standaardbelichting die voor het witte object is ingesteld.
B: Aanpassen aan de lichtbronN [O (Custom)]. 4 Selecteer Selecteer op het tabblad [z3] de optie [Witbalans] en druk vervolgens op <0>. Selecteer [O (Custom)] en druk op <0>. Als de bij stap 1 verkregen belichting sterk afwijkt van de standaardbelichting, kan dit een incorrecte witbalansinstelling tot gevolg hebben. In stap 3 kunnen de volgende opnamen niet worden geselecteerd: Opnamen die zijn vastgelegd terwijl de beeldstijl was ingesteld op [Monochroom] (pag.
u De kleurtoon voor de lichtbron aanpassenN U kunt de ingestelde witbalans corrigeren. Deze correctie heeft hetzelfde effect als het gebruik van een in de handel verkrijgbaar kleurtemperatuurconversiefilter of kleurcompensatiefilter. Elke kleur kan in negen niveaus worden gecorrigeerd. Deze functie is voor gevorderde gebruikers, met name voor gebruikers die bekend zijn met het gebruik en de effecten van kleurtemperatuurconversie en kleurcompensatiefilters. Witbalanscorrectie 1 Selecteer [WB Shift/Bkt.].
u De kleurtoon voor de lichtbron aanpassenN Automatische witbalansbracketing Het is mogelijk om met één opname tegelijkertijd drie opnamen met een verschillende kleurtoon op te slaan. De opname wordt niet alleen opgeslagen met de kleurtemperatuur van de actuele witbalansinstelling, maar ook met meer blauw/amber en magenta/groen. Deze functie wordt witbalans bracketing (WB Bkt.) genoemd. Witbalansbracketing is mogelijk in ±3 hele stappen. Stel de witbalansbracketing in.
3 Helderheid en contrast automatisch corrigerenN Als de opname te donker wordt of als het contrast te laag is, kunnen de helderheid en het contrast van de opname automatisch worden verbeterd. Deze functie heet Auto Lighting Optimizer (Auto optimalisatie helderheid). De standaardinstelling is [Standaard]. Bij JPEG-opnamen wordt de correctie toegepast wanneer de opname is gemaakt. Bij de basismodi wordt [Standaard] automatisch ingesteld. 1 Selecteer [Auto Lighting Optimizer/ Auto optimalisatie helderheid].
3 Ruisreductie instellenN Hoge ISO-ruisreductie Met deze functie vermindert u de ruis die in een opname ontstaat. Hoewel ruisreductie wordt toegepast bij alle ISO-snelheden, is de functie vooral effectief bij hoge ISO-snelheden. Bij opnamen aan lage ISO-snelheden kan de ruis in de donkere gedeelten van de opname (de schaduwpartijen) verder worden gereduceerd. Wijzig de instelling zodat deze aansluit op het ruisniveau. 1 Selecteer [Hoge ISOruisreductie].
3 Ruisreductie instellenN Als [Ruisond. bij meerd. opn.] is ingesteld Als de opnamen door beweging van de camera erg zijn verschoven, is het effect van de ruisonderdrukking mogelijk kleiner. Wanneer u de camera in de hand houdt, dient u deze goed stil te houden om cameratrilling te voorkomen. U wordt aangeraden een statief te gebruiken. Als u een opname van een bewegend onderwerp maakt, kunnen door de beweging van het onderwerp nabeelden ontstaan.
3 Ruisreductie instellenN de gewenste optie in. 2 Stel Selecteer de gewenste instelling en druk op <0>. [Automatisch] Bij een belichtingstijd van 1 seconde of langer wordt ruisreductie automatisch uitgevoerd wanneer er ruis wordt gedetecteerd die wordt veroorzaakt door lange belichting. De instelling [Automatisch] is in de meeste gevallen effectief. [Inschakelen] Ruisreductie wordt toegepast bij alle belichtingstijden van 1 seconde of langer.
3 Correctie van lensafwijking door optische eigenschappenN Lichtafval is een verschijnsel dat ervoor zorgt dat de hoeken van de opname er donkerder uitzien als gevolg van de optische eigenschappen van de lens. Een andere afwijking is het verschijnen van kleurranden rond de contouren van het onderwerp. Dit heet chromatische aberratie. Beeldvervorming door optische eigenschappen van de lens wordt vervorming genoemd. En afgenomen opnamescherpte als gevolg van het diafragma wordt diffractie genoemd.
3 Correctie van lensafwijking door optische eigenschappenN [Inschakelen]. 3 Selecteer Controleer of [Correctiegegevens beschikbaar] wordt weergegeven voor de gebruikte lens. Selecteer [Inschakelen] en druk vervolgens op <0>. de opname. 4 Maak De opname wordt vastgelegd met de gecorrigeerde helderheid van de randen. Afhankelijk van de opname-omstandigheden kan er mogelijk ruis aan de randen van een opname ontstaan. Hoe hoger de ISO-snelheid, hoe lager de mate van correctie.
3 Correctie van lensafwijking door optische eigenschappenN Correctie chromatische aberratie 1 Selecteer [Corr. chromat. afw.]. [Inschakelen]. 2 Selecteer Controleer of [Correctiegegevens beschikbaar] wordt weergegeven voor de gebruikte lens. Selecteer [Inschakelen] en druk vervolgens op <0>. de opname. 3 Maak De opname wordt vastgelegd met de gecorrigeerde chromatische afwijking. Vervormingscorrectie 1 Selecteer [Vervormingscorrectie]. [Inschakelen].
3 Correctie van lensafwijking door optische eigenschappenN Omdat vervormingscorrectie wordt toegepast, gebruikt de camera een kleiner beeldbereik dan door de zoeker te zien is. (De randen van de opname zijn iets bijgesneden en het lijkt of de resolutie iets lager is.) De vervormingscorrectie is wel zichtbaar in de vastgelegde opname, maar niet in de zoeker tijdens de opnamen.
3 Correctie van lensafwijking door optische eigenschappenN Correctiegegevens voor de lens De correctiegegevens voor het objectief worden geregistreerd (opgeslagen) in de camera. Als de instelling [Inschakelen] is geselecteerd, worden correctie helderheid randen, correctie chromatische aberratie, diffractiecorrectie automatisch toegepast. U kunt met EOS Utility (EOS-software, pag. 444) controleren voor welke lenzen de camera correctiegegevens bevat.
3 Correctie van lensafwijking door optische eigenschappenN Algemene aandachtspunten voor lensafwijkingscorrectie Correctie van helderheid van randen, correctie van chromatische aberratie, vervormingscorrectie en diffractiecorrectie kunnen niet worden toegepast op JPEG-opnamen die al zijn gemaakt. Wanneer u een lens van een ander merk dan Canon gebruikt, wordt het aanbevolen om de correcties in te stellen op [Uitschakelen], zelfs als [Correctiegegevens beschikbaar] wordt weergegeven.
3 Het bereik van reproduceerbare kleuren instellenN Het bereik van reproduceerbare kleuren wordt 'kleurruimte' genoemd. Met deze camera kunt u de kleurruimte voor vastgelegde beelden instellen op sRGB of Adobe RGB. Voor normale opnamen wordt sRGB aanbevolen. Bij de basismodi wordt [sRGB] automatisch ingesteld. 1 Selecteer [Kleurruimte]. Selecteer op het tabblad [z3] de optie [Kleurruimte] en druk vervolgens op <0>. de gewenste kleurruimte in.
5 Cr e Geavanceerde functies voor fotografische effecten odi em iev at In creatieve modi kunt u diverse instellingen van de camera wijzigen voor een grote verscheidenheid aan opnameresultaten, door de sluitertijd en/of het diafragma te selecteren, de belichting aan te passen, enzovoort. Het pictogram O rechts boven de paginatitel geeft aan dat de functie alleen in de creatieve modi beschikbaar is.
d: AE-programma De camera stelt automatisch de sluitertijd en het diafragma in die het beste bij de helderheid van het onderwerp passen. Dit heet AE-programma. * staat voor programma. * AE staat voor automatische belichting (Auto Exposure). 1 Stel het programmakeuzewiel in op . scherp op het onderwerp. 2 Stel Kijk door de zoeker en richt het AF-punt op het onderwerp. Druk de ontspanknop vervolgens half in.
d: AE-programma Opnamepunten Wijzig de ISO-snelheid. Gebruik de ingebouwde flitser. Als u de belichting op het omgevingslicht en het onderwerp wilt afstemmen, kunt u de ISO-snelheid wijzigen (pag. 132) of de ingebouwde flitser gebruiken (pag. 182). In de modus gaat de ingebouwde flitser niet automatisch af. Druk op de (flits) knop om de ingebouwde flitser omhoog te klappen wanneer u binnenshuis of bij weinig licht opnamen maakt. Wijzig het programma met Programmakeuze.
s: De beweging van het onderwerp vastleggen Met de modus (AE met sluitertijdvoorkeuze) op het programmakeuzewiel kunt u de actie bevriezen of onscherp maken. * staat voor tijdwaarde. Onscherp gemaakte beweging (trage sluitertijd: 1/30 sec.) 1 Bevroren beweging (snelle sluitertijd: 1/2000 sec.) Stel het programmakeuzewiel in op . de gewenste sluitertijd in. 2 Stel Zie 'Opnamepunten' op de volgende pagina voor advies over het instellen van de sluitertijd.
s: De beweging van het onderwerp vastleggen Opnamepunten Een snel bewegend onderwerp bevriezen Gebruik een korte sluitertijd, bijvoorbeeld tussen 1/4000 en 1/500 seconde, overeenkomstig de snelheid van het bewegende onderwerp. Een rennend kind of dier onscherp maken om de indruk van beweging te wekken Gebruik een gemiddelde sluitertijd, bijvoorbeeld tussen 1/250 en 1/30 seconde. Volg het bewegende onderwerp met de zoeker en druk de ontspanknop in om de opname te maken.
f: De scherptediepte wijzigen Om de achtergrond onscherp te maken of om onderwerpen die dichtbij of ver weg zijn scherp te krijgen, stelt u het programmakeuzewiel in op (AE met diafragmavoorkeuze). Zo kunt u de scherptediepte (het bereik van een acceptabele scherpstelling) aanpassen. * standen voor diafragmawaarde (de grootte van de opening van het lensdiafragma). Scherpe voorgrond en achtergrond Onscherpe achtergrond (met een laag f-getal van het diafragma: f/5.
f: De scherptediepte wijzigen Opnamepunten Wanneer u een diafragma met een hoog f-getal gebruikt of opnamen maakt bij weinig licht, kan er cameratrilling optreden. Bij een hoger f-getal van het diafragma is de sluitertijd langer. In omstandigheden met weinig licht kan de sluitertijd maar liefst 30 seconden bedragen. Verhoog in zo'n geval de ISO-snelheid en houd de camera stil of gebruik een statief.
f: De scherptediepte wijzigen D De ingebouwde flitser gebruiken Om de juiste flitsbelichting te verkrijgen, wordt het flitsvermogen automatisch (automatische flitsbelichting) op het handmatig ingestelde diafragma afgestemd. De sluitertijd wordt automatisch ingesteld tussen 1/200 seconde en 30 seconden, afhankelijk van de helderheid. Bij weinig licht wordt het hoofdonderwerp belicht met de automatische flitser. De achtergrond wordt belicht met de automatisch ingestelde langere sluitertijd.
a: Handmatige belichting U kunt zowel de sluitertijd als het diafragma handmatig naar wens instellen. Terwijl u naar de indicator voor het belichtingsniveau in de zoeker kijkt, kunt u de belichting naar wens instellen. Deze methode heet handmatige belichting. * staat voor handmatig (handmatig). <6> + <6> Standaardbelichtingsindex Markering belichtingsniveau het programmakeuzewiel in 1 Stel op . 2 Stel de ISO-snelheid in (pag. 132). de sluitertijd en het diafragma in.
a: Handmatige belichting Belichtingscorrectie met ISO auto Als de ISO-snelheid is ingesteld op [AUTO] voor opnamen met handmatige belichting, kunt u belichtingscorrectie (pag. 174) als volgt instellen: [z2: Bel.comp./AEB] [5:Bel.comp. (Vasth., Sdr.)] met [9: Wijs SET-knop toe] bij [54: Persoonlijke voorkeuze(C.Fn)] (pag. 371) Quick Control (pag.
a: Handmatige belichting BULB: Lange belichtingstijden (bulb) Verstreken belichtingstijd Bij bulb-belichting blijft de sluiter geopend zolang u de ontspanknop ingedrukt houdt. Deze instelling kan worden gebruikt voor het fotograferen van vuurwerk en andere onderwerpen waarvoor een lange belichting is vereist. Ga naar stap 3 pagina 169, draai het instelwiel <6> naar links om in te stellen. De verstreken belichtingstijd wordt op het LCD-scherm weergegeven.
q De meetmethode wijzigenN Er zijn vier meetmethoden beschikbaar om de helderheid van het onderwerp te meten. Meestal wordt meervlaksmeting aanbevolen. In de basismodi wordt meervlaksmeting automatisch ingesteld. (In de modi <8: x> en wordt Centrumgewogen gemiddelde meting ingesteld.) 1 Selecteer [Meetmethode]. Selecteer op het tabblad [z3] de optie [Meetmethode] en druk vervolgens op <0>. de meetmethode in. 2 Stel Selecteer de gewenste meetmethode en druk op <0>.
q De meetmethode wijzigenN e Centrumgewogen gemiddelde meting Het gemiddelde van het gehele meetgebied wordt genomen en het midden van het scherm heeft een grotere invloed op de meting. Deze meetmethode is voor gevorderde gebruikers. Bij q (Meervlaksmeting) wordt de belichtingsinstelling vergrendeld wanneer u de ontspanknop half indrukt en op het onderwerp heeft scherpgesteld.
De gewenste belichtingscorrectie instellenN Stel de belichtingscompensatie in als de resultaten van opnamen zonder gebruik van de flitser niet zo helder zijn als verwacht. Deze functie kan worden gebruikt in de creatieve modi (met uitzondering van ). U kunt de belichtingscorrectie instellen op maximaal ±5 stops met tussenstappen van 1/3 stop. Als de modus en ISO auto beide zijn ingesteld, raadpleegt u pagina 170 voor het instellen van de belichtingscorrectie.
De gewenste belichtingscorrectie instellenN Wanneer [z3: Auto Lighting Optimizer/z3: Auto optimalisatie helderheid] (pag. 149) is ingesteld op iets anders dan [Uitschakelen], kan de opname nog steeds licht zijn, zelfs als er een kleinere belichtingscorrectie voor een donkerdere opname is ingesteld. Het ingestelde niveau van belichtingscorrectie wordt niet toegepast op movie-opnamen. Wanneer u de aan-uitschakelaar op <2> zet, wordt de instelling voor belichtingscorrectie geannuleerd.
3 Reeksopnamen met automatische belichting (AEB)N Met deze functie gaat belichtingscorrectie een stap verder, doordat de belichting over drie opnamen automatisch wordt gevarieerd (maximaal ±2 stops met tussenstappen van 1/3 stop), zoals hieronder is weergegeven. Vervolgens kunt u de beste belichting kiezen. Dit heet AEB (Auto Exposure Bracketing, Bracketing met automatische belichting).
3 Reeksopnamen met automatische belichting (AEB)N AEB annuleren Volg stap 1 en 2 als u het AEB-bereik (instellen op 0) niet wilt weergeven. De AEB-instelling wordt ook automatisch geannuleerd als de aan-uitschakelaar op <2> wordt gezet, als de flitser weer is opgeladen, enzovoort. Opnamepunten Gebruik van AEB bij het maken van continue opnamen Als u de transportmodus instelt op of (pag.
A De belichting vergrendelenN U kunt de belichting vergrendelen als u de opname afzonderlijk wilt scherpstellen en meten of een aantal opnamen wilt maken met dezelfde belichtingsinstelling. Druk op de knop om de belichting te vergrendelen, maak een nieuwe compositie en maak de opname. Dit heet AE-vergrendeling. AE-vergrendeling is geschikt voor het fotograferen van bijvoorbeeld onderwerpen met tegenlicht. 1 Stel scherp op het onderwerp. Druk de ontspanknop half in.
Spiegel opklappen om bewegingsonscherpte te verminderenN U kunt de functie spiegel opklappen gebruiken om onscherpte te voorkomen als gevolg van mechanische trillingen (spiegelschok) in de camera tijdens fotograferen met supertelefotolenzen of bij het maken van close-ups (macrofotografie). U kunt het opklappen van de spiegel inschakelen door de optie [6: Spiegel opklappen] in te stellen op [1:Activeren] in [54: Persoonlijke voorkeuze(C.Fn)] (pag. 369).
Spiegel opklappen om bewegingsonscherpte te verminderenN Richt de camera niet op een intense lichtbron, zoals de zon of een intense kunstmatige lichtbron. Hierdoor kan schade ontstaan aan de beeldsensor of de interne onderdelen van de camera. Bij zeer fel licht, bijvoorbeeld op het strand of tijdens het skiën op een zonnige dag, kunt u de opname het beste meteen na het opklappen van de spiegel maken.
6 Opnamen maken met de flitser In dit hoofdstuk wordt beschreven hoe u opnamen maakt met de ingebouwde flitser en externe Speedlites (EX-serie, afzonderlijk verkrijgbaar) en hoe u de flitserinstellingen in het menuscherm van de camera opgeeft. AEB kan niet worden gebruikt bij flitsopnamen.
D De ingebouwde flitser gebruiken Als u binnenshuis bent of te maken heeft met weinig licht of tegenlicht, kunt u de ingebouwde flitser eenvoudig omhoog klappen en simpelweg op de ontspanknop drukken om prachtige opnamen te maken. In de modus wordt de sluitertijd automatisch ingesteld op een waarde tussen 1/60 seconde en 1/200 seconde om cameratrilling te voorkomen. 1 Druk op de knop . In de creatieve modi kunt u altijd op de knop drukken om opnamen met de flitser te maken.
D De ingebouwde flitser gebruiken Opnamepunten Verlaag de ISO-snelheid bij fel licht. Verlaag de ISO-snelheid als de belichtingsinstelling in de zoeker knippert. Verwijder de zonnekap. Let erop dat u zich niet te dicht bij het onderwerp bevindt. Als er een zonnekap op de lens is bevestigd of als u te dicht bij het onderwerp staat, kan de onderzijde van de opname er donker uitzien doordat de flitser wordt belemmerd.
D De ingebouwde flitser gebruiken 3 FlitsbelichtingscorrectieN Stel de Flitsbelichtingscorrectie in als de helderheid van het onderwerp niet naar wens is (zodat u de afgifte van de flitser wilt aanpassen) bij flitsfotografie. U kunt de flitsbelichtingscorrectie instellen op maximaal ±2 stops met tussenstappen van 1/3 stop. 1 Selecteer [Flitsbesturing]. Selecteer op het tabblad [z2] de optie [Flitsbesturing] en druk vervolgens op <0>. 2 Selecteer [Func.inst. int. flitser]. 3 Selecteer [2 bel.comp.
D De ingebouwde flitser gebruiken Wanneer [z3: Auto Lighting Optimizer/z3: Auto optimalisatie helderheid] (pag. 149) is ingesteld op iets anders dan [Uitschakelen], kan de opname nog steeds licht zijn, zelfs als er een kleinere flitsbelichtingscorrectie is ingesteld. Als flitsbelichtingscorrectie op een externe Speedlite (afzonderlijk verkrijgbaar, pag. 187) is ingesteld, kunt u de flitsbelichtingscorrectie niet op de camera instellen (met Snel instellen of externe flitsfunctieinstellingen).
D De ingebouwde flitser gebruiken op de knop (8). 3 Druk Richt het midden van de zoeker op het onderwerp waarvoor de flitsbelichting moet worden vergrendeld en druk vervolgens op de knop . De flitser flitst kort voor, waarna het benodigde flitsvermogen wordt berekend en opgeslagen in het geheugen. In de zoeker wordt 'FEL' kort weergegeven en licht op.
D Een externe Speedlite gebruiken EOS-Speedlites uit de EX-serie Met een Speedlite uit de EX-serie (afzonderlijk verkrijgbaar) is flitsfotografie eenvoudig. Raadpleeg de instructiehandleiding van de Speedlite uit de EX-serie voor gedetailleerde instructies. Deze camera is een camera van het type A en daarom geschikt voor alle functies van Speedlites uit de EX-serie. Zie pagina 189-194 voor informatie over het instellen van de persoonlijke voorkeuzen voor de flitser via het menuscherm van de camera.
D Een externe Speedlite gebruiken Canon Speedlites die niet tot de EX-serie behoren Wanneer Speedlites uit de EZ-/E-/EG-/ML-/TL-serie worden ingesteld op de automatische A-TTL- of TTL-flitsmodus, werkt de flitser altijd op volledig vermogen. Stel de opnamemodus van de camera in op (handmatige belichting) of (AE met diafragmavoorkeuze) en pas de diafragma-instelling aan voordat u de opname maakt.
3 De flitsfunctie instellenN Bij gebruik van de ingebouwde flitser of een externe Speedlite uit de EX-serie die compatibel is met de flitsfunctie-instellingen, kunt u het menuscherm van de camera gebruiken om de functies en persoonlijke voorkeuzen van de Speedlite in te stellen. Als u een externe Speedlite gebruikt, bevestigt u deze op de camera en schakelt u de Speedlite in voordat u begint met deze instellingen.
3 De flitsfunctie instellenN Flitssynchronisatiesnelheid in AV-modus U kunt de flitssynchronisatiesnelheid voor flitsfotografie instellen in de modus AE met diafragmavoorkeuze . 4 : Automatisch De flitssynchronisatiesnelheid wordt automatisch ingesteld in een bereik van 1/200 tot 30 seconden, afhankelijk van de lichtomstandigheden. Ook snelle synchronisatie kan worden gebruikt. (De sluitertijd wordt automatisch ingesteld in een bereik van 1/4000 tot 30 seconden) 6 : 1/200-1/60 sec.
3 De flitsfunctie instellenN Het scherm met de flitsfunctie-instellingen direct weergeven Als u gebruikmaakt van de ingebouwde flitser of een externe Speedlite uit de EX-serie die compatibel is met de flitsfunctie-instellingen, kunt u op de knop drukken om direct naar het scherm [Func.inst. int. flitser] of [Func.inst. externe flitser] te gaan zonder eerst het menuscherm weer te geven. Met ingebouwde flitser Druk twee keer op de knop . Druk op de knop om de ingebouwde flitser omhoog te klappen.
3 De flitsfunctie instellenN [Func.inst. int. flitser] en [Func.inst. externe flitser] U kunt de functies in de onderstaande tabel instellen. De functies die bij [Func.inst. externe flitser] worden weergegeven, verschillen per Speedlite-model. Selecteer [Func.inst. int. flitser] of [Func.inst. externe flitser]. Het scherm met flitsfunctieinstellingen wordt weergegeven. Met [Func.inst. int. flitser] kunnen alleen de gemarkeerde functies worden geselecteerd en ingesteld.
3 De flitsfunctie instellenN Flitsmodus Met een externe Speedlite kunt u de flitsmodus selecteren die aansluit op de door u gewenste fotografische effecten. [E-TTL II] is de standaardmodus voor het maken van opnamen met de automatische flitser met Speedlites uit de EX-serie. [Manual flash] is voor geavanceerde gebruikers die de [Flits output] (1/1 tot 1/128) zelf willen kunnen instellen.
3 De flitsfunctie instellenN De persoonlijke voorkeuze voor de externe Speedlite instellen De persoonlijke voorkeuze-instellingen die bij [C.Fn-inst. externe flitser] worden weergegeven, verschillen per Speedlite-model. 1 Geef de persoonlijke voorkeuze weer. Wanneer de camera klaar is om opnamen met een externe Speedlite te maken, selecteert u [C.Fn-inst. externe flitser]. Druk vervolgens op <0>. de persoonlijke voorkeuze in.
7 Opnamen maken met het LCDscherm (Live View-opnamen) U kunt opnamen maken terwijl het beeld op het LCDscherm van de camera wordt weergegeven. Dit heet 'Live View-opnamen'. Wanneer u de camera in de hand houdt en opnamen maakt terwijl u op het LCD-scherm kijkt, kan cameratrilling onscherpe opnamen tot gevolg hebben. In dergelijke gevallen wordt het aanbevolen een statief te gebruiken. Op afstand Live View-opnamen maken Als u EOS Utility (EOS-software, pag.
A Opnamen maken met het LCD-scherm 1 Geef het Live View-beeld weer. Druk op de knop . Het Live View-beeld wordt op het LCDscherm weergegeven. In de modus wordt het scènepictogram voor de scène die door de camera wordt gedetecteerd, linksboven in het scherm weergegeven (pag. 201). Het Live View-beeld wordt weergegeven in het helderheidsniveau dat dicht bij het helderheidsniveau van de daadwerkelijke opname ligt. scherp op het onderwerp.
A Opnamen maken met het LCD-scherm 3 Live View-opname inschakelen Stel [z4: Live view-opname.] (het tabblad [z1] in basismodi) in op [Inschakelen]. Maximum aantal Live View-opnamen Temperatuur Kamertemperatuur (23 °C) Lage temperaturen (0 °C) Geen flits circa 290 opnamen circa 260 opnamen 50% flits circa 260 opnamen circa 240 opnamen De bovenstaande cijfers zijn gebaseerd op een volledig opgeladen LP-E17accu en de testcriteria van de CIPA (Camera & Imaging Products Association).
A Opnamen maken met het LCD-scherm In de modi <8: x> is het maken van Live View-opnamen niet mogelijk. In de modi <8: q> verandert de beeldhoek iets in Live Viewopnamen omdat de vervormingscorrectie wordt toegepast. In de modi <8: FG> en is het beeldgebied kleiner. Voor flitsfotografie worden de continue opnamen minder snel na elkaar gemaakt. Richt de camera niet op een intense lichtbron, zoals de zon of een intense kunstmatige lichtbron.
A Opnamen maken met het LCD-scherm Informatiedisplay Telkens als u op de knop drukt, wordt het informatiedisplay vernieuwd.
A Opnamen maken met het LCD-scherm U kunt het histogram weergeven door op de knop te drukken. Het histogram wordt echter niet weergegeven wanneer u de ontspanknop helemaal indrukt. Als wit wordt weergegeven, geeft dit aan dat het Live View-beeld wordt weergegeven in het helderheidsniveau dat dicht bij het helderheidsniveau van de daadwerkelijke vast te leggen opname ligt.
A Opnamen maken met het LCD-scherm Scènepictogrammen In de opnamemodus detecteert de camera het scènetype en wordt alles automatisch ingesteld. Het gedetecteerde scènetype wordt linksboven op het scherm weergegeven.
A Opnamen maken met het LCD-scherm *4: Wordt weergegeven wanneer alle volgende omstandigheden van toepassing zijn: De opnamescène is donker, het is een nachtopname en de camera staat op een statief. *5: Wordt weergegeven met een van de onderstaande lenzen: • EF-S18-55mm f/3.5-5.6 IS II • EF-S55-250mm f/4-5.6 IS II • EF300mm f/2.8L IS II USM • EF400mm f/2.
Instellingen voor de opnamefunctie In dit gedeelte worden de functie-instellingen beschreven die specifiek zijn voor Live View-opnamen. Q Quick Control Wanneer u in de Creatieve modus op de knop drukt terwijl het beeld op het LCD-scherm wordt weergegeven, kunt u AF-methode, AF-bediening, Transportmodus, Meetmethode, Beeldkwaliteit, Witbalans, Beeldstijl, Auto Lighting Optimizer (Auto optimalisatie helderheid) en Creatieve filters instellen.
Instellingen voor de opnamefunctie de instelling. 3 Verlaat Druk op <0> om de instelling te voltooien en ga terug naar de Live View-modus. U kunt ook [2] selecteren om terug te keren naar Live View-opnamen. In creatieve modi kunt u de ISO-snelheid instellen met de knop . Wanneer u w (Deelmeting) of r (Spotmeting) instelt, wordt er een meetcirkel weergegeven in het midden van het scherm. Bij Live view-opnamen kunt u de instellingen en in transportmodus of zelfontspanner niet instellen.
U Opnamen maken met Creatieve filtereffectenN Tijdens de weergave van het Live View-beeld kunt u, voor het maken van opnamen, een van zeven filtereffecten toepassen (Korrelig Z/W, Soft focus, Fisheye-effect, Effect kunst opvallend, Aquareleffect, Speelgoedcamera-effect en Miniatuureffect) en het effect ervan bekijken. De camera slaat alleen het beeld met het toegepaste creatieve filter op.
U Opnamen maken met Creatieve filtereffectenN het filtereffect aan. 5 Pas Druk op de knop (behalve voor c). Druk op de pijltjestoetsen en om het effect aan te passen en druk vervolgens op <0>. de opname. 6 Maak De opname wordt gemaakt met het desbetreffende filtereffect toegepast. Als u een creatief filter instelt, wordt de enkelbeeldmodus geactiveerd, zelfs als de transportmodus is ingesteld op .
U Opnamen maken met Creatieve filtereffectenN Kenmerken van creatieve filters G Korrelig Z/W Hiermee ontstaat een korrelige zwart-witfoto. U kunt het zwartwiteffect wijzigen door het contrast aan te passen. W Softfocus Geeft het beeld een zachte uitstraling. U kunt de zachtheid van het beeld wijzigen door de scherpte aan te passen. X Fisheye-effect Geeft het effect van een fisheye-lens. De opname krijgt een tonvormige vervorming.
U Opnamen maken met Creatieve filtereffectenN H Speelgoedcamera-effect Hiermee worden de hoeken van de foto donkerder en wordt een unieke kleurtoon toegepast, waardoor het lijkt alsof de foto met een speelgoedcamera is gemaakt. U kunt de kleurzweem wijzigen door de kleurtoon aan te passen. c Miniatuureffect Creëert een kijkdooseffect. Als u wilt dat het beeldcentrum scherp is, neemt u de foto zonder instellingen te wijzigen. Raadpleeg 'Miniatuureffect aanpassen' (pag.
3 Menufunctie-instellingen Als de camera is ingesteld voor Live View-opnamen, verschijnen menuopties specifiek voor Live View-opnamen onder tab [z5] (tabblad [z2] in de Basismodus). AF-methode U kunt [u+volgen], [Soepel zone] of [Live één punt AF] selecteren. Zie de pagina's 214-223 voor meer informatie over de AF-methode. Touch Shutter Door eenvoudigweg op het LCD-scherm te tikken, kunt u scherpstellen en automatisch een opname maken. Zie pagina 224 voor meer informatie.
3 Menufunctie-instellingen Aspect ratioN U kunt de aspect ratio van de opname wijzigen. [3:2] is standaard ingesteld. Het gebied rond het Live View-beeld wordt omgeven door een zwart masker wanneer de volgende aspect ratio's zijn ingesteld: [4:3] [16:9] [1:1]. De JPEG-opnamen worden samen met de ingestelde aspect ratio opgeslagen. RAW-opnamen worden altijd met de aspect ratio [3:2] opgeslagen. De geselecteerde aspect ratio wordt als informatie aan het RAW-beeldbestand toegevoegd.
De AF-bediening wijzigenN U kunt de AF-bediening (automatische scherpstelling) selecteren die bij de opnameomstandigheden en het onderwerp past. In de basismodi wordt de optimale AF-bediening automatisch ingesteld voor de respectieve opnamemodus. 1 Druk op de knop . Het scherm Snel instellen wordt weergegeven. [X]. 2 Selecteer Druk op de pijltjestoetsen en om links op het scherm [X] (AF-bediening) te selecteren. de AF-bediening.
De AF-bediening wijzigenN 1-beeld AF voor niet-bewegende onderwerpen Geschikt voor niet-bewegende onderwerpen. Wanneer u de ontspanknop half indrukt, stelt de camera slechts één keer scherp. Als de scherpstelling is bereikt, wordt het AF-punt groen en klinkt er een pieptoon. De scherpstelling blijft behouden terwijl u de ontspanknop half ingedrukt houdt zodat u een nieuwe beeldcompositie kunt maken voordat u de opname maakt.
De AF-bediening wijzigenN Servo AF voor bewegende onderwerpen Deze AF-bediening is geschikt voor bewegende onderwerpen. Terwijl u de ontspanknop half ingedrukt houdt, blijft de camera voortdurend scherpstellen op het onderwerp. Als de transportmodus is ingesteld op voor continue opname, is de maximale snelheid bij continue opname circa 3,5 opnamen/sec. Bij het maken van de opnamen wordt voorrang gegeven aan het volgen van het onderwerp.
3 Scherpstellen met AF De AF-methode selecteren U kunt een AF-methode selecteren die bij de opnamesituatie en bij uw onderwerp past. De volgende AF-methoden zijn beschikbaar: [u(Gez.)+volgen] (pag. 215), [Soepel zone] (pag. 217), [Live één punt AF] (pag. 219). Wanneer u nauwkeurig wilt scherpstellen, stelt u de scherpstelmodusknop op de lens in op , vergroot u het beeld en stelt u handmatig scherp (pag. 228). Selecteer de AF-methode.
3 Scherpstellen met AF u(Gezicht)+volgen: c De camera detecteert en stelt scherp op gezichten van mensen. Indien een gezicht beweegt, beweegt het AF-punt
mee om het gezicht te volgen. 1 Gebied AF-kader Geef het Live View-beeld weer. Druk op de knop . Het Live View-beeld wordt op het LCD-scherm weergegeven. Het gebied AF-kader verschijnt. het AF-punt. 2 Controleer Als er een gezicht wordt gedetecteerd, wordt weergegeven op het gezicht waarop zal worden scherpgesteld.
3 Scherpstellen met AF de opname. 4 Maak Controleer de scherpstelling en belichting en druk de ontspanknop helemaal in om de opname te maken (pag. 196). Scherpstellen op andere onderwerpen dan gezichten van mensen Als u op de knop drukt, wordt het AF-punt in het midden weergegeven en kunt u de pijltjestoetsen gebruiken om het AF-punt te verplaatsen.
3 Scherpstellen met AF Soepel zone: o Het geselecteerde zone-AF-kader wordt voor scherpstellen gebruikt. Het AF-gebied is groter dan met [Live één punt AF]. 1 Geef het Live View-beeld weer. Druk op de knop . Het Live View-beeld wordt op het LCD-scherm weergegeven. Zone-AF-kader het AF-punt. 2 Selecteer Gebruik de pijltjestoetsen om een zone te selecteren. Druk op de knop om naar de middelste zone terug te keren. U kunt ook op het LCD-scherm tikken om het zone-AF-kader te verplaatsen.
3 Scherpstellen met AF de opname. 4 Maak Controleer de scherpstelling en belichting en druk de ontspanknop helemaal in om de opname te maken (pag. 196).
3 Scherpstellen met AF Live één punt AF: d De camera stelt met één AF-punt scherp. Dit is nuttig als u op een specifiek onderwerp wilt scherpstellen. het Live View-beeld weer. 1 Geef Druk op de knop . AF-punt Het Live View-beeld wordt op het LCD-scherm weergegeven. Het AF-punt < > wordt weergegeven. Bij movie-opnamen wordt het AF-punt groter weergegeven als [Servo AF voor movies] is ingesteld op [Inschakelen]. het AF-punt.
3 Scherpstellen met AF Opmerkingen bij AF AF-bediening Zelfs als er al is scherpgesteld, wordt er nogmaals scherpgesteld wanneer u de ontspanknop half indrukt. Tijdens en na de AF-bediening kan de helderheid van de opname veranderen. Afhankelijk van het onderwerp en de opnameomstandigheden kan het langer duren voordat de camera scherpstelt of kan de snelheid bij continue opnamen lager liggen.
3 Scherpstellen met AF Opnameomstandigheden waarin moeilijk kan worden scherpgesteld Onderwerpen met weinig contrast, zoals een blauwe lucht en effen, platte oppervlakken of wanneer hoge lichten of schaduwpartijen geen detail meer hebben. Onderwerpen bij weinig licht. Strepen en andere patronen met alleen een horizontaal contrast. Onderwerpen met zich herhalende patronen (bijvoorbeeld: vensters in een wolkenkrabber, toetsenborden, enzovoort). Dunne lijnen en contouren van het onderwerp.
3 Scherpstellen met AF Vergrote weergave In de modi [Soepel zone] en [Live één punt AF] drukt u op de knop of tikt u op [Y] rechtsonder in het scherm om het beeld te vergroten met ongeveer 5x of 10x en controleert u de scherpstelling. Vergrote weergave is niet mogelijk met [u+volgen]. Als u het AF-punt wilt verplaatsen, drukt u op de pijltjestoetsen of tikt u op het punt dat u wilt vergroten. Druk op de knop of tik op [Y] om het gebied van het vergrotingskader te vergroten.
3 Scherpstellen met AF Als het lastig is om in de vergrote weergave scherp te stellen, keert u terug naar de normale weergave en gebruikt u AF. Als u AF uitvoert in de normale weergave en de weergave vervolgens vergroot, wordt mogelijk geen nauwkeurige scherpstelling bereikt. De AF-snelheid is bij de normale weergave en de vergrote weergave verschillend. Servo AF voor movies (pag. 273) werkt niet in de vergrote weergave.
x Opnamen maken met de Touch Shutter Door eenvoudigweg op het LCD-scherm te tikken, kunt u scherpstellen en automatisch een opname maken. 1 Geef het Live View-beeld weer. Druk op de knop . Het Live View-beeld wordt op het LCD-scherm weergegeven. de Touch Shutter in. 2 Schakel Tik op [y] linksonder op het scherm. Elke keer dat u op het pictogram tikt, schakelt u tussen [y] en [x].
x Opnamen maken met de Touch Shutter Zelfs als u transportmodus instelt op , zal de camera nog steeds opnamen maken in de enkelbeeldmodus. Zelfs als [AF-werking] is ingesteld op [Servo AF], kunt u door op het scherm te tikken, scherpstellen op de opname met [1-beeld AF]. Als u op het scherm tikt in de vergrote weergave, wordt er niet scherpgesteld en wordt de opname niet gemaakt.
g Zelfportret maken (selfie) De Zelfportretmodus verwerkt de opname afgestemd op personen. In deze modus kunt u ook de achtergrondvervaging en -helderheid bij het maken van opnamen aanpassen. 1 Geef het Live View-beeld weer. Druk op de knop . Het Live View-beeld wordt op het LCD-scherm weergegeven. het LCD-scherm naar de 2 Richt voorkant van de camera. Klap het LCD-scherm uit, zoals getoond in de afbeelding, en draai het in de richting van de voorkant van de camera (pag. 41).
g Zelfportret maken (selfie) Bij gebruik van de ontspanknop: Druk de ontspanknop half in om scherp te stellen en druk de ontspanknop volledig in om de opname te maken. Wijzig nadat de camera is scherpgesteld de afstand tussen u en de camera niet totdat de opname is gemaakt. Laat de camera niet vallen. Flitsopname is niet mogelijk. Probeer cameratrilling te voorkomen wanneer u bij weinig licht fotografeert.
MF: Handmatige scherpstelling Met handmatige scherpstelling (MF) kunt u het beeld vergroten en nauwkeurig scherpstellen. 1 Zet de scherpstelmodusknop op de lens op . Draai aan de scherpstelring op het objectief om ruw scherp te stellen. het vergrotingskader weer. 2 Geef Druk op de knop . Het vergrotingskader wordt weergegeven. U kunt ook op [1] tikken op het scherm om het beeld te vergroten. het vergrotingskader.
MF: Handmatige scherpstelling handmatig scherp. 5 Stel Draai terwijl u naar het vergrote beeld kijkt aan de scherpstelring op het objectief om scherp te stellen. Nadat u heeft scherpgesteld, drukt u op de knop om naar de normale weergave terug te keren. de opname. 6 Maak Controleer de scherpstelling en belichting en druk de ontspanknop in om de opname te maken (pag. 196). In de vergrote weergave is de belichting vergrendeld. (De sluitertijd en het diafragma worden rood weergegeven.
Algemene aandachtspunten bij het maken van Live View-opnamen Beeldkwaliteit Wanneer u opnamen maakt bij hoge ISO-snelheden, kan er ruis (zoals lichte puntjes en strepen) op de opname zichtbaar zijn. Opnamen bij hoge temperaturen kunnen ruis en afwijkende kleuren in de opname tot gevolg hebben. Als u langere tijd achtereen met Live View-opnamen, kan de interne temperatuur van de camera oplopen, waardoor de beeldkwaliteit mogelijk afneemt.
Algemene aandachtspunten bij het maken van Live View-opnamen Live View-beeld Bij weinig of juist heel fel licht wordt in het Live View-beeld mogelijk niet de helderheid van de daadwerkelijke opname weergegeven. Ook wanneer er een lage ISO-snelheid is ingesteld, kan er ruis zichtbaar zijn op het weergegeven Live View-beeld bij weinig licht. Maar wanneer u de opname maakt, bevat de opgeslagen opname minimale ruis. (De beeldkwaliteit van het Live View-beeld is anders dan die van de opgeslagen opname.
8 Movie-opnamen U kunt movie-opnamen inschakelen door de aan-uitschakelaar in te stellen op . Zie pagina 8 voor kaarten waarop movies kunnen worden opgeslagen. Wanneer u de camera in de hand houdt en movies opneemt, kan het bewegen van de camera leiden tot onscherpe opnamen. In dergelijke gevallen wordt het aanbevolen een statief te gebruiken. Zie pagina 76 voor het maken van opnamen uit de hand.
k Movie-opnamen U wordt aangeraden de camera op een televisie aan te sluiten als u opgenomen movies wilt afspelen (pagina 333-335). Opnamen maken met automatische belichting Wanneer de opnamemodus niet is ingesteld op , schakelt de camera over naar automatische belichting die past bij de lichtomstandigheden van de situatie. 1 Zet de aan-uitschakelaar op . De reflexspiegel maakt een geluid en de opname verschijnt op het LCD-scherm.
k Movie-opnamen Algemene aandachtspunten bij het maken van movie-opnamen zijn te vinden op pagina 278-279. Lees indien nodig ook de algemene aandachtspunten bij het maken van Live View-opnamen op pagina 230-231. In de basismodi (behalve de modi <8> en ) zijn de opnameresultaten dezelfde als in . Het scènepictogram voor de scène die door de camera wordt gedetecteerd, wordt linksboven weergegeven (pag. 237).
k Movie-opnamen ISO-snelheid in de basismodi De ISO-snelheid wordt automatisch ingesteld op een waarde tussen ISO 100 en ISO 12800. ISO-snelheid in de modi , en De ISO-snelheid wordt automatisch ingesteld op een waarde tussen ISO 100 en ISO 12800. De maximumgrens verschilt, afhankelijk van de instelling [kISO Auto] (pag. 277). Als bij [54: Persoonlijke voorkeuze(C.Fn)] de optie [2: ISO vergroten] is ingesteld op [1:Aan], dan kan [Max.:H(25600)] ook worden geselecteerd voor [kISO Auto].
k Movie-opnamen Scènepictogrammen Tijdens het maken van movie-opnamen in een basismodus (behalve de modi <8> en ) wordt een pictogram weergegeven voor de scène die door de camera is gedetecteerd en wordt het maken van de opnamen aangepast aan de omstandigheden. Bij bepaalde scènes of opnameomstandigheden komt het weergegeven pictogram mogelijk niet overeen met de daadwerkelijke scène.
k Movie-opnamen Opnamen maken met handmatige belichting In de modus kunt u de sluitertijd, het diafragma en de ISO-snelheid voor movie-opnamen handmatig instellen. Het handmatig instellen van de belichting voor movie-opnamen is bedoeld voor geavanceerde gebruikers. 1 Zet de aan-uitschakelaar op . De reflexspiegel maakt een geluid en de opname verschijnt op het LCD-scherm. het programmakeuzewiel in 2 Stel op . de ISO-snelheid in.
k Movie-opnamen scherp en start de movie-opname. 5 Stel De procedure is dezelfde als stap 3 en 4 voor 'Opnamen maken met automatische belichting' (pag. 234). ISO-snelheid tijdens opnamen met handmatige belichting Als u [AUTO] selecteert, wordt de ISO-snelheid automatisch ingesteld tussen ISO 100 en ISO 12800. De maximumgrens verschilt, afhankelijk van de instelling [kISO Auto] (pag. 277). U kunt de ISO-snelheid handmatig instellen tussen ISO 100 en ISO 12800 (in hele stops).
k Movie-opnamen Informatiedisplay Telkens als u op de knop drukt, wordt het informatiedisplay vernieuwd.
k Movie-opnamen De rasterlijnen of het histogram kunnen niet tijdens movie-opnamen worden weergegeven. (De weergave verdwijnt wanneer u begint met de opname van een movie.) Wanneer de movie-opname wordt gestart, wordt de resterende opnameduur gewijzigd in de verstreken tijd.
k Movie-opnamen Foto-opnamen Er kunnen geen foto’s worden gemaakt tijdens movie-opname. Om foto’s te maken, stopt u de movie-opname en maakt u opnamen via de zoeker of Live View-opnamen. Aandachtspunten bij het maken van movie-opnamen Richt de camera niet op een intense lichtbron, zoals de zon of een intense kunstmatige lichtbron. Hierdoor kan schade ontstaan aan de beeldsensor of de interne onderdelen van de camera.
k Movie-opnamen Opmerkingen over movie-opnamen Telkens wanneer u een movie opneemt, wordt een nieuw moviebestand gemaakt op de kaart. Het weergaveoppervlak van de movie-opname is circa 100% (waarbij het movie-opnameformaat is ingesteld op [1920x1080]). Het stereogeluid wordt door de ingebouwde microfoons van de camera in mono opgenomen. Als u de stereo-richtmicrofoon DM-E1 (afzonderlijk verkrijgbaar) aansluit op de IN-aansluiting van de externe microfoon (pag.
Instellingen voor de opnamefunctie In dit gedeelte worden de instellingen beschreven die specifiek zijn voor movie-opnamen. Q Quick Control Wanneer u op de knop drukt terwijl het beeld op het LCD-scherm wordt weergegeven, kunt u de volgende functies instellen: AF-methode, Movieopn.formaat, Digitale zoom, Videosnapshots, Witbalans, Beeldstijl, Auto Lighting Optimizer (Auto optimalisatie helderheid) en Creatieve filters. In de basismodi kunnen alleen de bovenstaande vetgedrukte functies worden ingesteld.
3 Het movie-opnameformaat instellen Met [z1: Movie-opn.formaat] kunt u het movieopnameformaat (beeldformaat, framerate en compressiemethode) en andere functies instellen. Movies worden opgenomen in de indeling MP4. Beeldformaat L 1920x1080 Full HD-opnamekwaliteit (Full High-Definition). De aspect ratio is 16:9. w 1280x720 HD-opnamekwaliteit (High-Definition). De aspect ratio is 16:9. x 640x480 SD-opnamekwaliteit (Standard Definition). De aspect ratio is 4:3.
3 Het movie-opnameformaat instellen Compressiemethode X IPB (Standaard) Comprimeert meerdere frames tegelijkertijd voor opname. Xv IPB (Licht) Omdat de movie wordt opgenomen met een lage bitsnelheid voor het afspelen op verschillende apparaten, wordt het bestand kleiner dan met IPB (Standaard). Daarom kunt u langer opnamen maken dan met IPB (Standaard).
3 Het movie-opnameformaat instellen Moviebestanden die groter zijn dan 4 GB Wanneer u een movie opneemt die groter is dan 4 GB, kunt u zonder onderbreking blijven opnemen. SD/SDHC-kaarten gebruiken die zijn geformatteerd met de camera Als u de camera gebruikt om een SD/SDHC-kaart te formatteren, dan formatteert de camera deze als FAT32. Wanneer u een movie maakt en de bestandsgrootte 4 GB overschrijdt, wordt bij een FAT32-geformatteerde kaart automatisch een nieuw moviebestand gemaakt.
3 Movie digital zoom gebruiken Als het opnameformaat L6/4 (NTSC) of L5 (PAL) is, kunt u opnamen maken met circa 3x tot 10x digitale zoom. het programmakeuzewiel in op een 1 Stel andere modus dan <8> of . [Digitale zoom]. 2 Selecteer Selecteer op het tabblad [z1] de optie [Digitale zoom] en druk vervolgens op <0>. [Ca. 3-10x zoom]. 3 Selecteer Selecteer [Ca. 3-10x zoom] en druk op <0>. Druk op de knop om het menu af te sluiten en naar de movie-opname terug te keren. digitale zoom.
u HDR-movies opnemen U kunt dichtgelopen overbelichte gedeelten van lichte gebieden waarin details moeilijk te zien zijn verminderen bij het maken van movieopnamen, zelfs bij beeld met hoog contrast. Het opnameformaat is L6X (NTSC) of L5X (PAL). 1 Stel het programmakeuzewiel in op <8>. 2 Maak een HDR-movie. Aangezien meerdere frames worden samengevoegd om een HDRmovie te maken, kunnen sommige delen van de movie vervormd lijken.
v Movies opnemen met creatieve filters In de modus (Creatieve filters) kunt u movies opnemen met een van vijf filtereffecten (Geheugen, Droom, Oude film, Geheugen, Dramatisch zwart-wit en Miniatuureffectmovie). Het opnameformaat kan worden ingesteld op L6/4 (NTSC) of L5 (PAL). 1 Stel het programmakeuzewiel in op . op de knop (7). 2 Druk Het scherm Snel instellen wordt weergegeven. Selecteer [l].
v Movies opnemen met creatieve filters het filtereffectniveau aan. 5 Pas Druk op de knop en selecteer het pictogram onder [Creatieve filters]. Druk op de pijltjestoetsen en om het filtereffect aan te passen en druk vervolgens op <0>. Als Miniatuureffectmovie is ingesteld, selecteert u de weergavesnelheid. met het opnemen van de 6 Begin movie. Een vergrote weergave is niet mogelijk. Het histogram wordt niet weergegeven.
v Movies opnemen met creatieve filters k Geheugen Creëert de sfeer van een vage herinnering. Geeft de movie een zachte uitstraling en vermindert de helderheid van de rand van het scherm. U kunt de algemene verzadiging en de donkere gebieden langs de schermranden wijzigen door het filtereffect aan te passen. n Dramatisch zwart-wit Creëert een dramatische werkelijkheid in zeer contrastrijk zwart en wit. U kunt de korreligheid en het zwart-witeffect aanpassen.
v Movies opnemen met creatieve filters (Movie met miniatuureffect) Er wordt geen geluid opgenomen. Servo AF voor movies functioneert hier niet. Miniatuureffectmovies waarvan de weergavetijd minder dan 1 seconde is, kunnen niet worden bewerkt (pag. 328).
N Time-lapse-movies opnamen Beelden die worden opgenomen met het ingestelde interval, kunnen automatisch achter elkaar worden gezet om een timelapse te maken. Een timelapse geeft weer hoe een onderwerp verandert in een veel kortere tijd dan de daadwerkelijke tijd. Dit is efficiënt bij de observatie op een vast punt van een steeds veranderende scène, groeiende planten enzovoort. Time-lapse-movies worden opgenomen in de MOV-indeling en in het opnameformaat L6W (NTSC) of L5W (PAL).
N Time-lapse-movies opnamen het opname-interval en het 4 Stel aantal opnamen in. Controleer de [k: Vereiste tijd] en [3: Afspeeltijd] die onder aan het scherm wordt weergegeven om het opnameinterval en het aantal opnamen in te stellen. Stel de opname-interval Weergavetijd Vereiste tijd (uren:minuten:seconden) in met [Interval]. Stel het aantal opnamen in met [Aant. opn.]. Druk op <0> zodat wordt weergegeven. Stel het gewenste nummer in en druk vervolgens op <0>. (U keert terug naar .
N Time-lapse-movies opnamen in of het LCD-scherm 6 Stel automatisch moet worden uitgeschakeld. Selecteer [LCD auto uit] en stel in. Uitschakelen Het Live view-beeld blijft zichtbaar tijdens het opnemen. Let op dat het LCD-scherm uitschakelt ongeveer 30 minuten nadat het opnemen is begonnen. Inschakelen Het LCD-scherm schakelt ongeveer 10 sec. na het opnemen van het eerste beeld uit. Druk op de knop om het LCD-scherm tijdens het opnemen in of uit te schakelen. de pieptoon in voor 7 Stel opnemen.
N Time-lapse-movies opnamen Vereiste tijd Geeft de vereiste tijd aan voor het maken van het ingestelde aantal opnamen met het ingestelde interval. Indien dit meer is dan 24 uur, wordt '*** dagen' weergegeven. Weergavetijd Geeft de opnametijd aan (benodigde tijd voor het weergeven van de movie) bij opnemen met de intervallen die zijn ingesteld voor het opnemen van de movie. Formaat 'L 6 W (NTSC)' of 'L 5 W (PAL)'. het menu af. 9 Sluit Druk op de knop om het menuscherm af te sluiten.
N Time-lapse-movies opnamen U wordt aangeraden een statief te gebruiken. Druk op de knop om de time-lapse-movie-opname te stoppen. (De instelling wordt overgeschakeld naar [Uitschakelen].) De timelapseopname tot nu toe wordt op de kaart opgeslagen. U kunt de opgenomen timelapse met deze camera afspelen op dezelfde manier dat u normale movies afspeelt. Als de vereiste tijd voor opnamen meer dan 24 uur is, maar niet meer dan 48 uur, wordt '2 dagen' weergegeven.
N Time-lapse-movies opnamen Tijdens time-lapse movie-opname werkt de functie voor het automatisch uitschakelen van de camera niet. Bovendien kunt u de opnamefunctieen menufunctie-instellingen niet aanpassen, kunt u geen opnamen afspelen enzovoort. Er wordt geen geluid opgenomen voor time-lapse-movies. Als de volgende geplande opname niet mogelijk is, wordt deze overgeslagen. Dit kan de opnametijd van de gemaakte timelapse korter maken.
N Time-lapse-movies opnamen U kunt timelapse-movies opnemen met een volledig opgeladen accu LPE17 zoals aangeduid in de tabel hieronder (geschatte tijd vanaf het begin van de opname tot de accu leeg is). De mogelijke opnametijd varieert, afhankelijk van de opnameomstandigheden. Totale mogelijke tijd voor timelapse-movie opnemen (bij benadering) LCD-scherm Kamertemperatuur Lage temperaturen Tijdens opnamen (23 °C) (0 °C) Ingeschakeld 2 uur en 15 min. Uitgeschakeld 3 uur en 15 min.
3 Videosnapshots maken U kunt een reeks korte movie-clips van circa 2 seconden, 4 seconden of 8 seconden maken, Videosnapshots genaamd. De videosnapshots kunnen worden samengevoegd tot één movie, die 'videosnapshotalbum' wordt genoemd. Zo kunt u hoogtepunten van een reis of gebeurtenis in vogelvlucht laten zien. Een videosnapshotalbum kan ook worden afgespeeld met achtergrondmuziek (pag. 268, 332).
3 Videosnapshots maken 4 Selecteer [Albuminstellingen]. 5 Selecteer [Nieuw album maken]. de snapshotlengte. 6 Selecteer Druk op <0> en gebruik de pijltjestoetsen en om de duur van de videosnapshot te selecteren. Druk vervolgens op <0>. [OK]. 7 Selecteer Druk op de knop om het Opnameduur 262 menu af te sluiten. Er wordt een blauwe balk weergegeven om de snapshotlengte aan te geven. Ga naar 'Een videosnapshotalbum maken' (pag. 263).
3 Videosnapshots maken Een videosnapshotalbum maken de eerste videosnapshot. 8 Maak Druk op de knop en maak de opname. De blauwe balk die de opnameduur aangeeft, loopt langzaam terug. Nadat de ingestelde opnameduur is verstreken, stopt de opname automatisch. Het bevestigingsscherm wordt weergegeven (pag. 264). de opname op als 9 Sla videosnapshotalbum. Selecteer [J Sla op als album] en druk vervolgens op <0>.
3 Videosnapshots maken Opties in stap 9 en 10 Functie Omschrijving J Sla op als album (stap 9) De movieclip wordt opgeslagen als de eerste videosnapshot van het videosnapshotalbum. J Voeg toe aan album (stap 10) De zojuist opgenomen videosnapshot wordt toegevoegd aan het album dat net daarvoor is opgenomen. W Sla op als nieuw album (stap 10) Er wordt een nieuw videosnapshotalbum gemaakt en de movieclip wordt opgeslagen als de eerste videosnapshot.
3 Videosnapshots maken Handelingen bij [Speel videofoto af] in stap 9 en 10 Functie Beschrijving van weergave 7 Afspelen Druk op <0> als u het opgenomen videosnapshot direct hiervóór wilt afspelen of pauzeren. 5 Eerste beeld Hiermee wordt de eerste scène van de eerste videosnapshot in het album weergegeven. P Achteruit springen* Telkens als u op <0> drukt, springt de videosnapshot enkele seconden achteruit. 3 Vorig beeld Geeft het vorige beeld weer telkens wanneer u op <0> drukt.
3 Videosnapshots maken Toevoegen aan een bestaand album 1 Selecteer [Aan bestaand album toevoegen]. Voer stap 5 op pagina 262 uit om [Aan bestaand album toevoegen] te selecteren en druk vervolgens op <0>. een bestaand album. 2 Selecteer Druk op de pijltjestoetsen en om een bestaand album te selecteren en druk vervolgens op <0>. Selecteer [OK] en druk op <0>. Bepaalde videosnapshotinstellingen worden aangepast aan de instellingen van het bestaande album.
3 Videosnapshots maken Waarschuwingen voor het maken van videosnapshots U kunt aan een album alleen videosnapshots met dezelfde lengte toevoegen (elk van circa 2, 4 of 8 seconden). Als u tijdens het maken van videosnapshots een van de volgende handelingen uitvoert, wordt er een nieuw album gemaakt voor de volgende videosnapshots. • Het [Movie-opn.formaat] wijzigen.
3 Videosnapshots maken Een album afspelen Een videosnapshotalbum kan op dezelfde manier worden afgespeeld als een normale movie (pag. 326). 1 Speel de movie af. Druk op de knop om een opname weer te geven. het album. 2 Selecteer In de weergave van één opname geeft het pictogram [Ot] linksboven op het scherm aan dat het een videosnapshotalbum betreft. Druk op de pijltjestoetsen en om een album te selecteren. het album af. 3 Speel Druk op de knop .
3 Videosnapshots maken Een album bewerken Nadat u de opname heeft gemaakt, kunt u de videosnapshots in het album opnieuw ordenen, verwijderen of afspelen. 1 Selecteer [X]. Selecteer op het movieweergavepaneel [X] (Bewerken) en druk vervolgens op <0>. Het bewerkingsscherm wordt weergegeven. een bewerking. 2 Selecteer Selecteer een bewerkingsoptie en druk op <0>.
3 Videosnapshots maken het bewerkte album op. 3 Sla Druk op de knop om terug te keren naar het bewerkingspaneel onder aan het scherm. Selecteer [W] (Opslaan) en druk vervolgens op <0>. Het scherm Opslaan wordt weergegeven. Om het bestand als een nieuw album op te slaan, selecteert u [Nieuw bestand]. Als u het bestand wilt opslaan en het originele album wilt overschrijven, selecteert u [Overschrijven] en drukt u vervolgens op <0>.
3 Menufunctie-instellingen Als de aan-uitschakelaar is ingesteld op , worden de tabbladen [z1], [z4] en [z5] worden weergegeven als menuopties speciaal voor movie-opname (de tabbladen [z1], [z2] en [z3] in de Basismodi). z1 z4 z5 z1 Movie-opnameformaat U kunt het movie-opnameformaat (beeldformaat, framesnelheid en compressiemethode) instellen. Zie pagina 245 voor meer informatie. Digitale zoom U kunt digitale zoom gebruiken voor teleopnamen. Zie pagina 248 voor meer informatie.
3 Menufunctie-instellingen Opties voor [Geluidsopname/Opname niveau] [Automatisch] : Het geluidsopnameniveau wordt automatisch aangepast. Automatische niveauregeling functioneert automatisch in reactie op het geluidsniveau. [Handmatig] : Voor gevorderde gebruikers. U kunt het geluidsopnameniveau instellen op een van 64 niveaus. Selecteer [Opname niveau] en druk op de pijltjestoetsen en terwijl u op de waterpas kijkt om het geluidsopnameniveau aan te passen. Kijk op de piekenindicator (circa 3 sec.
3 Menufunctie-instellingen LensafwijkingscorrectieN U kunt correctie helderheid randen en correctie chromatische aberratie instellen. Zie pagina 153 voor meer informatie. Objectief elektronische MFN Zie pagina 118 bij gebruik van een lens met een elektronische handmatige scherpstellingsfunctie. z4 Servo AF voor movies Als deze functie is ingeschakeld, stelt de camera voortdurend scherp op het onderwerp tijdens movie-opname. De standaardinstelling is [Inschakelen].
3 Menufunctie-instellingen Aandachtspunten wanneer [Servo AF voor movies] is ingesteld op [Inschakelen] Opnameomstandigheden waarin moeilijk kan worden scherpgesteld • Een snel bewegend onderwerp dat de camera nadert of van de camera af beweegt. • Een onderwerp dat zich op korte afstand van de camera beweegt. • Raadpleeg ook 'Opnameomstandigheden waarin moeilijk kan worden scherpgesteld' op pagina 221.
3 Menufunctie-instellingen Rasterweergave Met [3x3 l] of [6x4 m] kunt u rasterlijnen weergeven om u te helpen de camera verticaal of horizontaal recht te houden alvorens opnamen te maken. Met [3x3+diag n] wordt het raster ook met diagonale lijnen weergegeven om u te helpen de intersecties over het onderwerp uit te lijnen voor een betere balans in de compositie. Merk op dat tijdens movie-opnamen het raster niet op het LCDscherm wordt weergegeven.
3 Menufunctie-instellingen z5 Videosnapshot U kunt videosnapshots maken. Zie pagina 261 voor meer informatie. Time-lapse-movie U kunt time-lapse-movies maken. Zie pagina 254 voor meer informatie. Opnamen maken met de afstandsbediening Als [Inschakelen] is ingesteld, kunt u movie-opname starten of stoppen met de draadloze afstandsbediening BR-E1 (afzonderlijk verkrijgbaar, pag. 382). Zet als u de BR-E1 gebruikt de schakelaar ontspanmodus/movieopname in op en druk vervolgens op de ontspanknop.
3 Menufunctie-instellingen ISO-snelheid tijdens movie-opnameN U kunt de ISO-snelheid apart instellen voor fotograferen en filmen. Instellen op tabblad [z2]. [kISO-snelheid] Bij handmatige belichting kunt u de ISO-snelheid instellen (pag. 239). [kISO Auto] U kunt de maximumgrens voor de automatische ISO-snelheid voor ISO auto op ISO 6400 of ISO 12800 instellen. Als bij [54: Persoonlijke voorkeuze(C.Fn)] de optie [2: ISO vergroten] is ingesteld op [1:Aan], kunt u [Max.:H(25600)] selecteren.
Algemene aandachtspunten bij het maken van movie-opnamen Rood waarschuwingspictogrammen voor interne temperatuur Als de interne temperatuur van de camera oploopt vanwege langdurig gebruik van movie-opnamen of bij een hoge omgevingstemperatuur, verschijnt er een rood pictogram . Het rode pictogram geeft aan dat de movie-opname binnenkort automatisch wordt beëindigd. U kunt in dat geval geen opnamen meer maken totdat de interne temperatuur van de camera is gedaald.
Algemene aandachtspunten bij het maken van movie-opnamen Opname- en beeldkwaliteit Als u een kaart met een lage schrijfsnelheid gebruikt, wordt tijdens movie-opnamen rechts in het scherm mogelijk een indicator met vijf niveaus weergegeven. Deze geeft aan hoeveel gegevens nog niet naar de kaart zijn geschreven (beschikbare capaciteit van het interne buffergeheugen). Hoe langzamer de kaart, hoe sneller de indicator stijgt. Als de indicator vol raakt, wordt de movie-opname automatisch Indicator gestopt.
9 Handige functies Opnamen van een geotag voorzien (pag. 282) De pieptoon uitzetten (pag. 287) Kaartwaarschuwing (pag. 287) De opnameweergavetijd instellen (pag. 288) De tijd voor Auto uitschakelen instellen (pag. 288) De helderheid van het LCD-scherm aanpassen (pag. 289) Een map maken en selecteren (pag. 290) Methoden voor bestandsnummering (pag. 292) Copyrightinformatie instellen (pag. 295) Verticale opnamen automatisch roteren (pag.
3 Opnamen van een geotag voorzien Met de GPS-ontvanger GP-E2 (afzonderlijk verkrijgbaar) of een Bluetoothcompatibele smartphone, kunt u locatie-informatie aan opnamen toevoegen. Bij gebruik van GP-E2 1 Bevestig de GP-E2 op de camera. Bevestig de GP-E2 op de flitsschoen van de camera (pag. 28) en schakel in. Raadpleeg de instructiehandleiding van de GP-E2 voor meer informatie. [Instellingen GPS-systeem]. 2 Selecteer Selecteer op het tabblad [52] [Instellingen GPS-systeem]. [GPS-ontvanger].
3 Opnamen van een geotag voorzien Bij gebruik van een smartphone De toepassing Camera Connect (gratis) moet op de smartphone zijn geïnstalleerd. Voor meer informatie over het installeren van Camera Connect raadpleegt u de Instructiehandleiding voor de Wi-Fi-functie (draadloze communicatiefunctie). Smartphone instellen op GPS-systeem Schakel de functie voor locatieinformatie van de smartphone in. 1 Camera Connect. 2 Start Tik op het pictogram Camera Connect van de smartphone om deze te starten.
3 Opnamen van een geotag voorzien [Smartphone]. 5 Selecteer Selecteer [Smartphone] in [GPS-systeem selecteren]. Het ophalen van locatie-informatie van de smartphone wordt mogelijk. Selecteer op het scherm [Instellingen GPS-systeem] [GPS-informatiedisplay] om de opgehaalde geotaginformatie te controleren (breedtegraad, lengtegraad, hoogte en Coordinated Universal Time: UTC). de opname. 6 Maak De locatie-informatie die is opgehaald met de smartphone wordt toegevoegd aan de opname.
3 Opnamen van een geotag voorzien Weergave GPS-verbinding Met de indicator GPS-verbinding op het scherm Snel instellen (pag. 32), kunt u de ophaalstatus van de locatie-informatie van de smartphone controleren. • Grijs: Ophalen locatie-informatie onderbroken.* • Knippert: Locatie-informatie niet opgehaald. • Aan: Locatie-informatie opgehaald.
3 Opnamen van een geotag voorzien [52: Instellingen GPS-systeem] kan niet worden ingesteld als de camera via een interfacekabel met een computer is verbonden. De smartphone kan locatie-informatie alleen ophalen wanneer de camera is aangesloten op een smartphone via Bluetooth. Route-informatie wordt niet opgehaald. De opgehaalde locatie-informatie is mogelijk niet nauwkeurig afhankelijk van de reisomstandigheden en de status van de smartphone.
Handige functies 3 De pieptoon uitzetten U kunt voorkomen dat er een pieptoon klinkt zodra er is scherpgesteld of bij opnamen met de zelfontspanner en tijdens bediening via de touchscreen. Selecteer op het tabblad [53] de optie [Pieptoon] en druk vervolgens op <0>. Selecteer [Uitschakelen] en druk vervolgens op <0>. Om de pieptoon alleen bij bediening via het aanraakscherm uit te zetten, selecteert u [Raak n aan].
Handige functies 3 De opnameweergavetijd instellen U kunt wijzigen hoelang de foto direct na de opname op het LCD-scherm moet worden weergegeven. Als [Uit] is ingesteld, wordt de opname niet direct na het maken weergegeven. Als [Vastzetten] is ingesteld, wordt de opname weergegeven totdat de tijd van de instelling [Auto uitschakelen] is verstreken.
Handige functies 3 De helderheid van het LCD-scherm aanpassen U kunt de helderheid van het LCD-scherm aanpassen, zodat het gemakkelijker te bekijken is. Selecteer op het tabblad [52] de optie [LCD-helderheid] en druk vervolgens op <0>. Druk op de pijltjestoetsen en om de helderheid aan te passen via het aanpassingsscherm en druk vervolgens op <0>.
Handige functies 3 Een map maken en selecteren U kunt naar wens mappen maken en selecteren waarin de vastgelegde beelden worden opgeslagen. Deze handeling is optioneel, aangezien er automatisch een map voor de opslag van vastgelegde beelden wordt gemaakt. Een map maken 1 Selecteer [Selecteer map]. Selecteer op het tabblad [51] de optie [Selecteer map] en druk vervolgens op <0>. [Maak map]. 2 Selecteer Selecteer [Maak map] en druk vervolgens op <0>. een nieuwe map.
Handige functies Een map selecteren Laagste bestandsnummer Aantal opnamen in de map Open het scherm Selecteer map, selecteer een map en druk op <0>. De map waarin de vastgelegde beelden worden opgeslagen, is geselecteerd. Volgende opnamen zullen in de geselecteerde map worden opgeslagen. Mapnaam Hoogste bestandsnummer Mappen De mapnaam begint met drie cijfers (het mapnummer), gevolgd door vijf alfanumerieke tekens. Bijvoorbeeld: '100CANON'.
Handige functies 3 Methoden voor bestandsnummering De beeldbestanden worden genummerd van 0001 tot 9999 in de volgorde waarin de opnamen zijn gemaakt. Vervolgens worden de bestanden in een map opgeslagen. U kunt instellen hoe het bestandsnummer wordt toegewezen. Het bestandsnummer wordt op de computer in de volgende notatie weergegeven: IMG_0001.JPG. Selecteer in [Bestandnr.] onder tab [51] [Nummering] en druk op <0>. De beschikbare instellingen worden hieronder beschreven.
Handige functies [Auto. reset]: Als u de bestandsnummering elke keer opnieuw bij 0001 wilt laten beginnen nadat de kaart is vervangen of een nieuwe map is gemaakt. Als u de kaart vervangt of een map maakt, begint de bestandsnummering weer bij 0001 voor de nieuwe opnamen. Dit is handig als u de opnamen per kaart of map wilt archiveren.
Handige functies [Handm. reset]: Als u de bestandsnummering wilt terugzetten naar 0001 of wilt beginnen met het bestandsnummer 0001 in een nieuwe map. Selecteer in [Bestandnr.] onder tab [51] [Handm. reset] en selecteer vervolgens [OK] in het bevestigingsdialoogvenster. Wanneer u de bestandsnummering handmatig opnieuw instelt, wordt er automatisch een nieuwe map gemaakt en begint de nummering van de opnamen die in die map worden opgeslagen bij 0001.
Handige functies 3 Copyrightinformatie instellenN Wanneer u de copyrightinformatie instelt, wordt deze als Exif-informatie aan de opname toegevoegd. 1 Selecteer [Copyrightinformatie]. Selecteer op het tabblad [54] de optie [Copyrightinformatie] en druk vervolgens op <0>. het item dat u wilt 2 Selecteer instellen. Selecteer [Voer naam van auteur in] of [Voer copyrightdetails in] en druk vervolgens op <0>. tekst in.
Handige functies De copyrightinformatie controleren Wanneer u bij stap 2 [Geef copyrightinfo weer] selecteert, kunt u de ingevoerde gegevens voor [Auteur] en [Copyright] controleren. De copyrightinformatie verwijderen Wanneer u [Verwijder copyrightinfo] selecteert in stap 2, kunt u de ingevoerde gegevens voor [Auteur] en [Copyright] verwijderen. Als de vermelding voor 'Auteur' of 'Copyright' lang is, wordt deze mogelijk niet helemaal weergegeven wanneer u [Geef copyrightinfo weer] selecteert.
Handige functies 3 Instellen van automatische rotatie staande beelden Opnamen die in verticale richting zijn gemaakt, worden automatisch in de juiste stand gedraaid voor het bekijken, zodat ze niet in horizontale richting worden weergegeven bij het afspelen op het LCD-scherm van de camera of het bekijken op een computerscherm. U kunt de instelling voor deze functie wijzigen. Selecteer op het tabblad [51] de optie [Auto. roteren] en druk vervolgens op <0>.
Handige functies 3 De camera terugzetten op de standaardinstellingenN De instellingen voor de opnamefunctie en de menu-instellingen van de camera kunnen worden teruggezet naar de standaardinstellingen. Deze optie is beschikbaar in de creatieve modi. 1 Selecteer [Wis instellingen]. Selecteer op het tabblad [54] de optie [Wis instellingen] en druk vervolgens op <0>. [Wis alle camera2 Selecteer instellingen]. Selecteer [Wis alle camerainstellingen] en druk vervolgens op <0>. [OK].
Handige functies Instellingen voor de opnamefunctie Beeldopname-instellingen <8>-modus 2 (Portret) Beeldkwaliteit 73 -modus G Korrelig Z/W Beeldstijl Automatisch AF-bediening 1-beeld AF AF-puntselectie Automatische selectie Auto Lighting Optimizer Standaard (Auto optimalisatie helderheid) Transportmodus u (Enkelbeeld) Meetmethode q (Meervlaksmeting) zISO-snelheid AUTO (automatisch) Correctie chromatische Inschakelen aberratie zISO Auto Max.
Handige functies Camera-instellingen Automatisch uitschakelen 10 sec./30 sec. Instellingen voor Live View-opnamen Live View-opnamen Inschakelen Pieptoon Aspect ratio Ontspan sluiter zonder kaart Inschakelen Inschakelen 3:2 AF-methode u+volgen AF-bediening X Uitschakelen Kijktijd 2 sec. Touch Shutter AF-puntweergave Uitschakelen Meettimer 8 sec.
Handige functies 3 Het LCD-scherm in-/uitschakelen U kunt de camera zo instellen dat het LCD-scherm niet uitschakelt als u de ontspanknop half indrukt (of druk op knop /de knop voor scherptedieptecontrole). Selecteer op het tabblad [52] de optie [LCD uit/aankn.] en druk vervolgens op <0>. De beschikbare instellingen worden hieronder beschreven. Selecteer de optie en druk vervolgens op <0>. [Ontspanknop] : Wanneer u de ontspanknop half indrukt, wordt het scherm uitgeschakeld.
f Automatische sensorreiniging Als u de aan-uitschakelaar op <1> of <2> zet, wordt de zelfreinigende sensor geactiveerd en verwijdert deze automatisch het stof van de voorzijde van de sensor. Normaal gesproken is de reinigingseenheid actief zonder dat u daar iets van merkt. U kunt sensorreiniging ook handmatig uitvoeren of u kunt deze sensor als volgt uitschakelen. De sensorreiniging handmatig activeren 1 Selecteer [Sensorreiniging].
f Automatische sensorreiniging Automatische sensorreiniging uitschakelen Selecteer bij stap 2 [Auto. reinigingf] en selecteer vervolgens [Uitschak.]. De sensorreiniging wordt niet meer uitgevoerd als u de aanuitschakelaar op <1> of <2> zet.
3 Stofwisdata toevoegenN De zelfreinigende sensor zal er gewoonlijk voor zorgen dat er nauwelijks stof zichtbaar is op vastgelegde beelden. Als er echter zichtbaar stof achterblijft, kunt u stofwisdata aan de opname toevoegen om naderhand stofvlekken te verwijderen. Digital Photo Professional (EOS-software, pag. 444) gebruikt de stofwisdata om stofvlekken automatisch te verwijderen. Voorbereiding Zorg voor een effen wit voorwerp, zoals een vel papier.
3 Stofwisdata toevoegenN een effen wit object. 3 Fotografeer Vul de zoeker op een afstand van 20-30 cm met een effen wit object zonder patroon en maak een opname. De foto wordt in de AE met diagrafmavoorkeuze gemaakt bij een diafragma van f/22. Aangezien de opname niet wordt opgeslagen, kunnen de gegevens nog altijd worden opgehaald, ook al is er geen kaart in de camera geplaatst. Nadat de foto is gemaakt, verzamelt de camera de stofwisdata.
3 Handmatige sensorreinigingN Stof dat na de automatische sensorreiniging is achtergebleven, kunt u handmatig verwijderen met een in de handel verkrijgbaar blaasbuisje of een vergelijkbaar hulpmiddel. Haal de lens van de camera voordat u de sensor gaat reinigen. De beeldsensor is zeer kwetsbaar. Wij raden u aan om fysieke reiniging van de sensor bij een Canon Service Center te laten uitvoeren. 1 Selecteer [Sensorreiniging]. Selecteer [Sensorreiniging] op het tabblad [53] en druk vervolgens op <0>.
3 Handmatige sensorreinigingN Als ruisonderdrukking bij meerdere opnamen is ingesteld, kan [Reinig handmatig] niet worden geselecteerd. Tijdens het reinigen van de sensor mag u geen van de onderstaande handelingen verrichten. Als de stroom wordt onderbroken, gaat de sluiter dicht en kunnen de sluitergordijnen of de beeldsensor beschadigd raken. • De aan-uitschakelaar op <2> zetten. • De accu verwijderen/plaatsen. Het oppervlak van de beeldsensor is zeer kwetsbaar. Reinig de sensor voorzichtig.
10 Opnamen weergeven In dit hoofdstuk worden geavanceerde mogelijkheden beschreven van de weergavemethoden welke zijn beschreven in hoofdstuk 2 'Basisfuncties voor het maken en weergeven van opnamen', hoe de opgenomen beelden (foto's/movies) weer te geven en te wissen, hoe ze op een tv weer te geven, en andere weergavefuncties.
x Snel opnamen zoeken H Meerdere opnamen weergeven op één scherm (indexweergave) Zoek snel naar beelden met de indexweergave waarbij 4, 9, 36 of 100 beelden op één scherm worden weergegeven. 1 Geef de opname weer. Als u op de knop drukt, wordt de laatstgemaakte opname weergegeven. over naar de indexweergave. 2 Schakel Druk op de knop . De 4-beeldindexweergave verschijnt. De geselecteerde opname wordt gemarkeerd met een oranje kader.
x Snel opnamen zoeken I Door beelden navigeren (opnamesprong) In de weergave van één opname kunt u aan het instelwiel <6> draaien om snel vooruit of achteruit door de opnamen te bladeren, al naar gelang de ingestelde sprongmethode. 1 Selecteer [Spring met6]. Selecteer op het tabblad [x2] de optie [Spring met 6] en druk vervolgens op <0>. de sprongmethode. 2 Selecteer Druk op de pijltjestoetsen om de gewenste sprongmethode te selecteren en druk vervolgens op <0>.
x Snel opnamen zoeken door te springen. 3 Navigeer Druk op de knop om de Sprongmethode Weergavepositie 312 beelden weer te geven. Draai in de weergave van één opname aan het hoofdinstelwiel <6>. U kunt met de ingestelde methode bladeren.
u/y Het beeld vergroten Vastgelegde beelden kunnen op het LCD-scherm circa 1,5 tot 10 maal worden uitvergroot. 1 Positie van vergroot gebied Vergroot het beeld. Druk tijdens opnameweergave op de knop . De opname wordt vergroot. Als u de knop ingedrukt houdt, wordt de opname verder vergroot tot de maximale vergroting is bereikt. Druk op de knop om de vergroting te reduceren.
d Opnamen weergeven via de touchscreen Het LCD-scherm is een aanraakgevoelig paneel dat u met uw vingers kunt bedienen om zo de weergaveopties te gebruiken. Druk eerst op de knop om de opnamen weer te geven. Door opnamen bladeren Veeg met één vinger. Raak in de weergave van één opname het LCD-scherm aan met één vinger. U kunt naar de vorige of volgende opname bladeren door met uw vinger naar links of rechts te vegen.
d Opnamen weergeven via de touchscreen Beeld verkleinen (indexweergave) Druk twee vingers tegen elkaar aan. Raak het scherm aan met twee uitgespreide vingers en breng uw vingers vervolgens samen op het scherm. Elke keer dat u uw vingers tegen elkaar aan drukt, wordt de weergave van één opname gewijzigd in de indexweergave. Wanneer u een opname selecteert, wordt het oranje kader weergegeven. Tik opnieuw op de opname om deze als één opname weer te geven. Opname vergroten Spreid twee vingers uit elkaar.
b De opname roteren U kunt deze functie gebruiken om de weergegeven opname in de gewenste positie draaien. 1 Selecteer [Beeld roteren]. Selecteer op het tabblad [x1] de optie [Beeld roteren] en druk vervolgens op <0>. een opname. 2 Selecteer Druk op de pijltjestoetsen en om de opname te selecteren die u wilt roteren. U kunt ook een opname selecteren in de indexweergave (pag. 310). de opname.
3 Classificaties instellen U kunt beelden en movies classificeren met een van deze vijf classificaties: l/m/n/o/p. Deze functie heet classificatie. Eén opname classificeren 1 Selecteer [Classificatie]. Selecteer op het tabblad [x2] de optie [Classificatie] en druk vervolgens op <0>. [Selecteer beelden]. 2 Selecteer Er wordt een afbeelding weergegeven. de opname die u wilt 3 Selecteer classificeren.
3 Classificaties instellen Het bereik opgeven U kunt het bereik opgeven van beelden om alle beelden binnen dit bereik in een keer te classificeren. 1 Selecteer [Selecteer reeks]. Selecteer [Selecteer reeks] in [x2: Classificatie] en druk vervolgens op <0>. bereik van de beelden 2 Het opgeven. Selecteer het eerste beeld (startpunt) en druk op <0>. Selecteer het laatste beeld (eindpunt) en druk op <0>. Het pictogram [X] wordt op de geselecteerde beelden weergegeven.
3 Classificaties instellen Alle opnamen in een map of op een kaart opgeven U kunt alle beelden in een map of op een geheugenkaart tegelijk classificeren. Wanneer u [Alle beelden in map] of [Alle beelden op kaart] selecteert in [x2: Classificatie], worden alle beelden in de map of op de kaart gespecificeerd. Draai aan het hoofdinstelwiel <6> om een classificatie te selecteren en selecteer vervolgens [OK]. Selecteer de classificatiemarkering [Uit] om de classificatie te annuleren.
3 Opnamen filteren voor weergave U kunt naar beelden zoeken door de voorkeuren op te geven en de gefilterde beelden weergeven. U kunt alle gevonden beelden ook in een keer weergeven in een diavoorstelling, ze beschermen of wissen. 1 Selecteer [Beeldzoekvoork. instellen]. Selecteer op het tabblad [x2] de optie [Beeldzoekvoork. instellen] en druk vervolgens op <0>. de zoekvoorkeuren in. 2 Stel Druk op de pijltjestoetsen en om de voorkeur te selecteren.
3 Opnamen filteren voor weergave de 3 Implementeer zoekvoorkeuren. Druk op <0>. Lees de melding die verschijnt en selecteer [OK]. gevonden beelden weergeven. 4 De Druk op de knop om de beelden weer te geven. Beelden die overeenkomen met de ingestelde voorkeuren verschijnen in een geel kader. Als er geen opnamen zijn die voldoen aan de zoekcriteria, zal in stap 2 [OK] niet worden ingeschakeld wanneer u op <0> drukt. (Kan niet doorgaan naar stap 3.
Q Snel instellen voor weergave U kunt tijdens de weergave op de knop drukken om de volgende opties in te stellen: [J: Beveilig beelden], [b: Beeld roteren], [9: Classificatie], [U: Creatieve filters], [S: Wijzig formaat (alleen JPEG-beelden)], [N: Trimmen], [T: AF-puntweergave], [e: Spring met6], [t: Beeld zoeken], en [q: Beelden n. smartphone verz.*]. Voor movies kunnen alleen de functies die hierboven vetgedrukt worden weergegeven worden ingesteld.
Q Snel instellen voor weergave de instelling. 3 Verlaat Druk op <0> om Snel instellen te verlaten. Stel [51: Auto. roteren] in op [AanzD] om een opname te roteren. Als [51: Auto. roteren] is ingesteld op [AanD] of [Uit], wordt de instelling [b Beeld roteren] toegevoegd aan het beeld, maar zal de camera het beeld niet draaien voor weergave. Voor opnamen die zijn gemaakt met een andere camera, kan het aantal opties dat u kunt selecteren beperkt zijn.
k Genieten van movies Dit zijn de drie belangrijkste manieren om movies af te spelen en ervan te genieten: Weergave op een televisie (pag. 333) Als u de camera met een HDMI-kabel op een televisie aansluit, kunt u de opgenomen movies en foto's op de televisie weergeven. Omdat recorders met vaste schijf geen HDMI IN-poort bevatten, kan de camera niet op de recorder met vaste schijf worden aangesloten met behulp van een HDMI-kabel.
k Genieten van movies Weergave en bewerken op een computer De moviebestanden op de kaart kunnen worden overgezet naar een computer en worden afgespeeld of bewerkt met vooraf geïnstalleerde of algemene software die compatibel is met de opname-indeling van de movie. Om een movie af te spelen of te bewerken met commerciële software, heeft u software nodig die compatibel is met movies in MOV-indeling en MP4indeling.
k Movies afspelen 1 Geef de opname weer. Druk op de knop om een opname weer te geven. een movie. 2 Selecteer Druk op de pijltjestoetsen en om de movie te selecteren die u wilt afspelen. Bij de weergave van één opname geeft het pictogram , dat linksboven wordt weergegeven, aan dat het een movie is. Als de movie een videosnapshot is, wordt weergegeven. In de indexweergave geeft de perforatie links van een miniatuur aan dat het een movie is.
k Movies afspelen Movieweergavepaneel Optie Weergaveopties 7 Afspelen Door op <0> te drukken, kunt u schakelen tussen afspelen en stoppen. 8 Vertraagd Wijzig de vertragingssnelheid met behulp van de pijltjestoetsen en . De vertraagde snelheid wordt rechtsboven in het scherm aangegeven. 5 Eerste beeld Hiermee wordt het eerste beeld van de movie weergegeven. 3 Vorig beeld Geeft het vorige beeld weer telkens wanneer u op <0> drukt. Als u <0> ingedrukt houdt, wordt de movie teruggespoeld.
X De eerste en laatste beelden van een movie bewerken Weergave via het touchscreen Tik op [7] in het midden van het scherm. De movie wordt afgespeeld. Als u het movieweergavepaneel wilt weergeven, tikt u op linksboven in het scherm. Als u het afspelen van de movie wilt pauzeren, tikt u op het scherm. Het movieweergavepaneel wordt ook weergegeven. X De eerste en laatste beelden van een movie bewerken U kunt de eerste en laatste beelden van een movie bewerken in tussenstappen van circa 1 seconde.
X De eerste en laatste beelden van een movie bewerken de bewerkte movie. 3 Controleer Selecteer [7] en druk op <0> om de bewerkte movie af te spelen. Ga terug naar stap 2 om het bewerkte deel te wijzigen. Als u de bewerking wilt annuleren, drukt u op de knop en selecteert u [OK] op het bevestigingsvenster. de bewerkte movie op. 4 Sla Selecteer [W] en druk vervolgens op <0>. Het scherm Opslaan wordt weergegeven. Om het bestand als een nieuwe movie op te slaan, selecteert u [Nieuw bestand].
3 Diavoorstelling (automatische weergave) U kunt automatisch alle beelden op de kaart achter elkaar weergeven. 1 Aantal weer te geven opnamen Selecteer [Diavoorstelling]. Selecteer op het tabblad [x2] de optie [Diavoorstelling] en druk vervolgens op <0>. [Stel in] naar wens. 2 Configureer Druk op de pijltjestoetsen en om [Stel in] te selecteren en druk vervolgens op <0>.
3 Diavoorstelling (automatische weergave) de diavoorstelling. 3 Start Druk op de pijltjestoetsen en om [Start] te selecteren en druk vervolgens op <0>. Nadat de tekst [Laden van beeld...] is weergegeven, begint de diavoorstelling. de diavoorstelling. 4 Beëindig Als u de diavoorstelling wilt afsluiten en wilt terugkeren naar het instellingenscherm, drukt u op de knop . Als u de diavoorstelling wilt pauzeren, drukt u op <0>.
3 Diavoorstelling (automatische weergave) De achtergrondmuziek selecteren Nadat u met EOS Utility (EOS-software) achtergrondmuziek naar de kaart heeft gekopieerd, kunt u de diavoorstelling met een achtergrondmuziekje afspelen. 1 Selecteer [Achtergrondmuziek]. Stel [Achtergrondmuziek] in op [Inschakelen] en druk dan op <0>. Als de kaart geen achtergrondmuziek bevat, kunt u stap 2 niet uitvoeren. de achtergrondmuziek.
Beelden op een televisie bekijken Als u de camera met een HDMI-kabel op een televisie aansluit, kunt u de opgenomen foto's en movies op de televisie weergeven. Voor de HDMIkabel wordt HDMI-kabel HTC-100 (afzonderlijk verkrijgbaar) aanbevolen. Als het beeld niet op het tv-scherm wordt weergegeven, controleert u of [53: Videosysteem] correct is ingesteld op [Voor NTSC] of [Voor PAL] (afhankelijk van het videosysteem van uw televisie). 1 Sluit de HDMI-kabel aan op de camera.
Beelden op een televisie bekijken Pas het geluidsvolume van de movie aan via de tv. Het geluidsvolume kan niet met de camera worden aangepast. Schakel de camera en de tv uit voordat u de kabel tussen de camera en de tv aansluit of verwijdert. Op bepaalde tv's worden de weergegeven opnamen mogelijk afgesneden. Sluit geen andere apparaten aan op de -aansluiting van de camera. Als u dit toch doet, kan er een storing worden veroorzaakt.
Beelden op een televisie bekijken een opname. 5 Selecteer Richt de afstandsbediening op de tv en druk op de knop / om een beeld te selecteren. Fotoweergavemenu op Enter op de 6 Druk afstandsbediening. Het menu wordt weergegeven en u kunt de afspeelopties uitvoeren die Movieweergavemenu links worden weergegeven. Druk op de knop / op de afstandsbediening om de gewenste 2 : Terug optie te selecteren en druk a : 9-beeldindex vervolgens op Enter.
K Opnamen beveiligen U kunt belangrijke opnamen beveiligen zodat deze niet per ongeluk kunnen worden gewist met de wisfunctie van de camera. 3 Eén opname beveiligen 1 Selecteer [Beveilig beelden]. Selecteer [Beveilig beelden] op het tabblad [31] en druk vervolgens op <0>. [Selecteer beelden]. 2 Selecteer Er wordt een afbeelding weergegeven. Wisbeveiligingspictogram de opname die u wilt 3 Selecteer beveiligen. Druk op de pijltjestoetsen en om de opname te selecteren die u wilt beveiligen.
K Opnamen beveiligen 3 Het bereik van te beveiligen beelden opgeven Geef het bereik op van beelden om alle beelden binnen dit bereik in een keer te beveiligen. 1 Selecteer [Selecteer reeks]. Selecteer [Selecteer reeks] in [x1: Beveilig beelden] en druk vervolgens op <0>. bereik van de beelden 2 Het opgeven. Selecteer het eerste beeld (startpunt) en druk op <0>. Selecteer het laatste beeld (eindpunt) en druk op <0>. De beelden worden beveiligd en het pictogram verschijnt.
K Opnamen beveiligen 3 Alle opnamen in een map of op een kaart beveiligen U kunt alle opnamen in een map of op een geheugenkaart tegelijk beveiligen. Wanneer u [Alle beelden in map] of [Alle beelden op kaart] selecteert in [31: Beveilig beelden], worden alle beelden in de map of op de kaart beveiligd. Om de selectie te annuleren, selecteert u [Wis bev. beelden in map] of [Wis bev. alle beelden op kaart]. Als u de kaart formatteert (pag. 68), worden ook beveiligde opnamen verwijderd.
L Opnamen wissen U kunt overbodige opnamen één voor één of in een batch selecteren en wissen. Beveiligde beelden (pag. 336) worden niet gewist. Als een opname eenmaal is gewist, kan deze niet meer worden teruggehaald. Wis een opname pas als u zeker weet dat u deze niet meer nodig heeft. Beveilig belangrijke opnamen om te voorkomen dat deze per ongeluk worden gewist. Als u een opname die is opgenomen in RAW+JPEG verwijdert, wordt zowel de RAW- als de JPEG-afbeelding verwijderd.
L Opnamen wissen [Selecteer en wis 2 Selecteer beelden]. Er wordt een afbeelding weergegeven. de opnamen die u wilt 3 Selecteer wissen. Druk op de pijltjestoetsen en om de opname te selecteren die u wilt wissen en druk vervolgens op <0>. Linksboven in het scherm wordt een vinkje weergegeven. Druk op de knop om beelden te selecteren uit een weergave van drie beelden. Als u wilt terugkeren naar de weergave van een enkele opname, drukt u op de knop .
L Opnamen wissen 3 Het bereik van te wissen beelden opgeven Geef het bereik op van beelden om alle beelden binnen dit bereik in een keer te wissen. 1 Selecteer [Selecteer reeks]. Selecteer [Selecteer reeks] in [31: Wis beelden] en druk op <0>. bereik van de beelden 2 Het opgeven. Selecteer het eerste beeld (startpunt) en druk op <0>. Selecteer het laatste beeld (eindpunt) en druk op <0>. Het pictogram [X] wordt op de geselecteerde beelden weergegeven.
W Digital Print Order Format (DPOF) Met DPOF (Digital Print Order Format) kunt u beelden die op de kaart staan, printen volgens uw printinstructies, zoals de beeldselectie, het aantal exemplaren, enzovoort. U kunt meerdere beelden in één batch printen of printopties maken voor een foto-ontwikkelaar. U kunt het afdruktype instellen en instellen of de datum en het bestandsnummer moeten worden geprint, enzovoort. De printinstellingen worden toegepast op alle beelden die zijn geselecteerd om te worden geprint.
W Digital Print Order Format (DPOF) [Afdruktype] [Datum] K Standaard Afdruktype Datum File No. L Index [File No.] Er wordt één beeld afgedrukt per vel. Er worden meerdere miniatuurafbeeldingen afgedrukt per vel. Er worden zowel standaard- als indexafdrukken gemaakt. K Beide L Aan Bij [Aan] wordt de datum van het vastgelegde beeld afgedrukt. Uit Aan Uit Bij [Aan] wordt het bestandsnummer van het beeld afgedrukt. de instelling. 4 Verlaat Druk op de knop .
W Digital Print Order Format (DPOF) 3 Beelden selecteren voor printen Opnamen selecteren Selecteer en specificeer de beelden een voor een. Druk op de knop om beelden te selecteren uit een weergave van drie beelden. Als u wilt terugkeren naar de weergave van een enkele opname, drukt u op de knop . Druk op de knop om de printopties op de kaart op te slaan.
W Digital Print Order Format (DPOF) Meerdere beelden selecteren • Selecteer reeks 1 Selecteer [Selecteer reeks]. Selecteer [Select. reeks] in [Meerdere] en druk op <0>. bereik van de beelden opgeven. 2 Het Selecteer het eerste beeld (startpunt) en druk op <0>. Selecteer het laatste beeld (eindpunt) en druk op <0>. Het pictogram [X] wordt op de geselecteerde beelden weergegeven. Een exemplaar van alle gespecificeerde beelden wordt ingesteld voor printen.
p Beelden selecteren voor een fotoboek U kunt aangeven welke opnamen (maximaal 998) u wilt hebben geprint in een fotoboek. Als u EOS Utility (EOS-software) gebruikt om opnamen over te brengen naar een computer, worden de geselecteerde opnamen voor het fotoboek naar een speciale map gekopieerd. Deze functie is handig als u online fotoboeken wilt bestellen. 3 Eén beeld tegelijk opgeven 1 Selecteer [Fotoboek instellen]. Selecteer op het tabblad [x1] de optie [Fotoboek instellen] en druk vervolgens op <0>.
p Beelden selecteren voor een fotoboek 3 Het bereik opgeven Geef het bereik op van beelden om alle beelden binnen dit bereik in een keer selecteren voor het fotoboek. 1 Selecteer [Selecteer reeks]. Selecteer in [Meerdere] onder [x1: Fotoboek instellen] [Selecteer reeks] en druk op <0>. bereik van de beelden 2 Het opgeven. Selecteer het eerste beeld (startpunt) en druk op <0>. Selecteer het laatste beeld (eindpunt) en druk op <0>. Het pictogram [X] wordt op de geselecteerde beelden weergegeven.
p Beelden selecteren voor een fotoboek 3 Alle beelden in een map of op een kaart opgeven U kunt alle beelden in een map of op een geheugenkaart tegelijk voor het fotoboek opgeven. Als [Meerdere] onder [x1: Fotoboek instellen] is ingesteld op [Alle beelden in map] of [Alle beelden op kaart], worden alle beelden in de map of op de kaart voor het fotoboek opgegeven. Als u uw selecties wilt annuleren, selecteert u [Verwijder alles in de map] of [Verwijder alles op de kaart].
B: Weergave met opname-informatie De informatie die wordt weergegeven, is afhankelijk van de opnamemodus en de instellingen.
B: Weergave met opname-informatie Weergave met opname-informatie • Gedetailleerde informatie Belichtingscorrectiewaarde Diafragma Sluitertijd Opnamemodus Histogram (Helderheid/RGB) Opnamedatum en -tijd ISO-snelheid Schuifbalk Lichte tonen prioriteit Witbalans Meetmethode Bestandsgrootte Auto Lighting Optimizer (Auto optimalisatie helderheid) Witbalanscorrectie Beeldstijl/Instellingen Waarde voor flitsbelichtingscorrectie/ Ruisonderdrukking bij meerdere opnamen Opnamekwaliteit * Wanneer u opnamen
B: Weergave met opname-informatie • Informatie over lens/histogram Histogramweergave (helderheid) Naam van lens Brandpuntsafstand Histogramweergave (RGB) • Informatie over witbalans • Beeldstijlinformatie 1 • Beeldstijlinformatie 2 • Informatie over kleurruimte en ruisreductie • Informatie over lensafwijkingscorrectie Als u GPS-ontvanger GP-E2 of smartphone hebt gebruikt om GPS-informatie voor de opname vast te leggen, wordt het scherm GPS-informatie ook weergegeven.
B: Weergave met opname-informatie Voorbeeldmovie Weergave Diafragma Sluitertijd Movie-opnamemodus/ Time-lapse-movie Creatieve filters Opname-indeling Movie-opnameformaat Framerate Bestandsgrootte movie Opnametijd, weergavetijd Compressiemethode * Als handmatige belichting is gebruikt, worden de sluitertijd, het diafragma en de ISO-snelheid (indien handmatig ingesteld) weergegeven. * Het pictogram wordt weergegeven voor videosnapshots.
B: Weergave met opname-informatie Overbelichtingswaarschuwing Als de opname-informatie wordt weergegeven, worden de overbelichte en uitgeknipte hooglichten knipperend weergegeven. Voor een beter resultaat in de knipperende gedeelten waarvoor u de gradatie waarheidsgetrouw wilt reproduceren, stelt u de belichtingscorrectie in op een negatieve waarde en maakt u de foto opnieuw. Histogram Het helderheidshistogram toont de verdeling van het belichtingsniveau en de algehele helderheid.
11 Opnamen nabewerken Nadat u een foto heeft gemaakt, kunt u een filtereffect toepassen, het formaat van het JPEG-beeld wijzigen (het aantal pixels verkleinen) of het JPEG-beeld bijsnijden. De camera kan mogelijk geen opnamen verwerken die zijn gemaakt met een andere camera. Wanneer de camera met de interfacekabel op een computer is aangesloten, kunt u geen beelden naverwerken op de manier die in dit hoofdstuk wordt beschreven.
U Creatieve filtereffecten toepassen U kunt de volgende creatieve filters toepassen op een opname en deze opslaan als een nieuw bestand: Korrelig Z/W, Soft focus, Fisheyeeffect, Effect kunst opvallend, Aquareleffect, Speelgoedcamera-effect en Miniatuureffect. 1 Selecteer [Creatieve filters]. Selecteer op het tabblad [x1] de optie [Creatieve filters] en druk vervolgens op <0>. Er wordt een opname weergegeven. een opname. 2 Selecteer Selecteer de opname waarop u het filter wilt toepassen.
U Creatieve filtereffecten toepassen de opname op. 5 Sla Selecteer [OK] om de opname op te slaan. Controleer de bestemmingsmap en het beeldbestandsnummer en selecteer [OK]. Als u het filter op nog een opname wilt toepassen, herhaalt u stap 2 t/m 5. Wanneer u 1+73 of 1-opnamen maakt, wordt het creatieve filter toegepast op de 1-opname en wordt het beeld opgeslagen als JPEGbestand.
U Creatieve filtereffecten toepassen Y Effect kunst opvallend Hiermee laat u de foto op een olieverfschilderij lijken en ziet het onderwerp er driedimensionaler uit. U kunt het contrast en de verzadiging aanpassen. Het kan zijn dat onderwerpen zoals de lucht of witte muren niet vloeiend, maar onregelmatig of met aanzienlijke ruis worden weergegeven. Z Aquareleffect Hiermee ziet de foto eruit als een aquarel met zachte kleuren.
S Het formaat van JPEG-beelden wijzigen U kunt het formaat van een JPEG-opname wijzigen om het aantal pixels te reduceren en u kunt de opname vervolgens als nieuw bestand opslaan. Het is alleen bij JPEG 3, 4 en a beelden mogelijk om het formaat te wijzigen. Het formaat van JPEG- b en RAW-beelden kan niet worden gewijzigd. 1 Selecteer [Wijzig formaat]. Selecteer [Wijzig formaat] op het tabblad [32] en druk vervolgens op <0>. Er wordt een opname weergegeven. een opname.
S Het formaat van JPEG-beelden wijzigen Opties voor formaatwijziging op basis van de originele beeldkwaliteit Originele beeldkwaliteit Beschikbare instellingen voor wijziging formaat 3 4 a k k k k k 4 b k a Beeldformaten De beeldformaten volgens de aspect ratio's worden weergegeven in de onderstaande tabel.
N JPEG-beelden bijsnijden U kunt een JPEG-opname bijsnijden en deze opslaan als een andere opname. Beelden genomen in RAW kunnen niet worden bijgesneden. JPEG-beelden die zijn gemaakt met 1+73 kunnen worden bijgesneden. 1 Selecteer [Trimmen]. Selecteer op het tabblad [x2] de optie [Trimmen] en druk vervolgens op <0>. Er wordt een opname weergegeven. een opname. 2 Selecteer Selecteer de opname die u wilt bijsnijden.
N JPEG-beelden bijsnijden Het bijsnijdkader verplaatsen Druk op de pijltjestoetsen en of en . Het bijsnijdkader gaat omhoog, omlaag, naar links of naar rechts. U kunt het bijsnijdkader ook aanraken en naar de gewenste positie slepen. De kantelhoek corrigeren Druk op de knop . Controleer de kantelhoek met het weergegeven raster en draai aan het hoofdinstelwiel <6> om de kantelhoek te corrigeren. U kunt de hoek corrigeren tot ±10° in stappen van 0,1°.
12 De camera aanpassen aan uw voorkeuren Cr e U kunt verschillende camerafuncties fijner aanpassen aan uw opnamevoorkeuren met behulp van persoonlijke voorkeuzen. Persoonlijke voorkeuzen kunnen alleen worden ingesteld en gebruikt in creatieve modi.
3 Persoonlijke voorkeuzen instellenN 1 Selecteer [Persoonlijke voorkeuze(C.Fn)]. Selecteer op het tabblad [54] de optie [Persoonlijke voorkeuze(C.Fn)] en druk vervolgens op <0>. Nummer van de persoonlijke voorkeuze het nummer van de 2 Selecteer persoonlijke voorkeuze. Druk op de pijltjestoetsen en om het nummer van de persoonlijke voorkeuze te selecteren en druk vervolgens op <0>. de instelling.
3 Persoonlijke voorkeuzen instellenN Persoonlijke voorkeuze C.Fn I: Belichting A LVopnamen k Movieopnamen 1 Belichtingsniveauverhogingen k k 2 ISO vergroten k k 3 Belichtingscorrectie automatisch annuleren k k pag. 367 k k k* pag. 366 C.Fn II: Beeld 4 Lichte tonen prioriteit C.Fn III: Autofocus/transport 5 AF-hulplicht pag. 368 6 Spiegel opklappen pag. 369 * Wanneer er een Speedlite uit de EX-serie (afzonderlijk verkrijgbaar) met ledlamp wordt gebruikt. C.
3 Persoonlijke voorkeuze-instellingenN De persoonlijke voorkeuzen zijn ondergebracht in vier groepen op basis van functietype: C.Fn I: Belichting, C.Fn II: Beeld, C.Fn III: Autofoc./ transport, C.Fn IV: Bediening/overig. C.Fn I: Belichting C.Fn-1 Belichtingsniveauverhogingen 0: 1/3-stop 1: 1/2-stop Hier stelt u verhogingen in stappen van 1/2 stop in voor de sluitertijd, het diafragma, AEB, de flitsbelichtingscorrectie, enzovoort.
3 Persoonlijke voorkeuze-instellingenN C.Fn II: Beeld C.Fn-4 Lichte tonen prioriteit 0: Uitschakelen 1: Inschakelen De lichte details worden verbeterd. Het dynamische bereik wordt uitgebreid van het standaard 18% grijs naar heldere lichte tinten. De overgang tussen grijstinten en lichte tinten wordt geleidelijker. Met instelling 1 wordt Auto Lighting Optimizer (Auto optimalisatie helderheid) (pag. 149) automatisch ingesteld op [Deactiveren] en kan de instelling niet worden gewijzigd.
3 Persoonlijke voorkeuze-instellingenN C.Fn III: Autofocus/transport C.Fn-5 AF-hulplicht Hiermee schakelt u het AF-hulplicht van de ingebouwde flitser of het AF-hulplicht van de externe Speedlite voor EOS-camera's in of uit. 0: Inschakelen Het AF-hulplicht wordt indien nodig ingeschakeld. 1: Uitschakelen Het AF-hulplicht wordt niet ingeschakeld. Dit voorkomt dat het AFhulplicht anderen stoort. 2: Alleen ext.
3 Persoonlijke voorkeuze-instellingenN C.Fn-6 Spiegel opklappen 0: Uitschakelen 1: Inschakelen U kunt onscherpte voorkomen als gevolg van het trillen van de camera als gevolg van mechanische trillingen (spiegelschok) in de camera tijdens fotograferen met supertelefotolenzen of bij het maken van close-ups (macrofotografie). Zie pagina 179 voor informatie over het opklappen van de spiegel. C.Fn IV: Bediening/overig C.
3 Persoonlijke voorkeuze-instellingenN C.Fn-8 Sluiter/AE-vergrendelknop 0: AF/AE-vergrendeling 1: AE-vergrendeling/AF Dit is handig wanneer u afzonderlijk wilt scherpstellen en meten. Druk op de knop om automatisch scherp te stellen en druk de ontspanknop half in om de automatische belichting te vergrendelen. 2: AF/AF-vergrendeling, geen AE Tijdens AI Servo AF (of Servo AF voor Live View-opnamen) kunt u op de knop drukken om de Al Servo AF-bediening te starten of te stoppen.
3 Persoonlijke voorkeuze-instellingenN C.Fn-9 Wijs SET-knop toe U kunt aan <0> een functie toewijzen die u veel gebruikt. Wanneer de camera gereed is voor het maken van opnamen, drukt u op de knop <0> om het instellingenscherm van de desbetreffende functie weer te geven. 0: Scherm Snel instellen 1: Beeldkwaliteit Het instelscherm voor de beeldkwaliteit wordt weergegeven. 2: Flitsbelichtingscomp. Het instelscherm voor de flitsbelichtingscorrectie wordt weergegeven.
3 Persoonlijke voorkeuze-instellingenN C.Fn-11 Lens intrekken als camera wordt uitgeschakeld Dit is de instelling voor het intrekmechanisme van de lens voor het geval dat er een gemotoriseerde STM-lens (zoals EF40mm f/2.8 STM) op de camera is bevestigd. U kunt deze zodanig instellen dat de bevestigde lens automatisch wordt ingetrokken wanneer de aanuitschakelaar van de camera wordt ingesteld op <2>.
3 In My Menu vastleggenN Op het tabblad My Menu kunt u menuopties en persoonlijke voorkeuzen vastleggen waarvan u de instellingen regelmatig wijzigt. U kunt ook de vastgelegde menutabbladen een naam geven en op de knop drukken om het tabblad My Menu als eerste weer te geven. Als [s: Menu weergeven] is ingesteld op [Met uitleg], tabblad [9] wordt niet weergegeven. Verander [Menu weergeven] naar [Standaard] (p. 54). My Menu-tabblad maken en toevoegen 1 Selecteer [My Menu-tab toevoegen].
3 In My Menu vastleggenN [Selecteer te registr. 2 Selecteer items]. de gewenste items vast. 3 Leg Selecteer het gewenste item en druk vervolgens op <0>. Selecteer [OK] in het bevestigingsdialoogvenster. U kunt maximaal zes items vastleggen. Druk op de knop om terug te keren naar het scherm van stap 2. Instellingen van het tabblad My Menu U kunt items onder het menutabblad sorteren en verwijderen en het menutabblad een andere naam geven of verwijderen.
3 In My Menu vastleggenN Verwijder tab U kunt het My Menu-tabblad dat momenteel wordt weergegeven verwijderen. Selecteer [Verwijder tab] om het tabblad [MY MENU*] te verwijderen. Hernoem tab U kunt de naam van het My Menu-tabblad veranderen van het oorspronkelijke [MY MENU*]. 1 Selecteer [Hernoem tab]. tekst in. 2 Voer Druk op de knop om onnodige tekens te wissen. Druk op de pijltjestoetsen of draai aan het instelwiel <6> om n te verplaatsen en het gewenste lettertype te selecteren.
3 In My Menu vastleggenN Verwijder alle My Menu-tabs/Verwijder alle items U kunt alle gemaakte tabbladen in My Menu of de My Menu-items die daaronder geregistreerd zijn wissen. Alle My Menu-tabbladen verwijderen U kunt alle My Menu-tabbladen die u heeft gemaakt, verwijderen. Wanneer u [Verwijder alle My Menu-tabs] selecteert, worden alle tabbladen van [MY MENU1] tot [MY MENU5] verwijderd en wordt het tabblad [9] teruggezet naar de standaardinstelling.
3 In My Menu vastleggenN Menuweergave-instellingen U kunt [Menuweergave] selecteren om het menuscherm in te stellen dat als eerste wordt weergegeven wanneer u op de knop drukt. Normale weergave Hiermee wordt het laatst weergegeven menuscherm weergegeven. Weergave van My Menu-tab Hiermee wordt My Menu weergegeven met het tabblad [9] geselecteerd. Alleen My Menu-tab weergeven Hiermee wordt alleen het tabblad [9] weergegeven. (De tabbladen z, 3, 5en s worden niet weergegeven.
13 Referentie Dit hoofdstuk biedt referentie voor camerafuncties, systeemaccessoires, enzovoort. Certificaatlogo Selecteer [54: Certificaatlogo weergeven] en druk op <0> om een aantal logo’s van cameracertificaten weer te geven. Andere certificaatlogo's zijn te vinden in deze instructiehandleiding, op de camerabehuizing en op de verpakking van de camera.
3 De accugegevens controleren U kunt de status van de accu die u gebruikt controleren op het LCD-scherm. Selecteer [Accu-info]. Selecteer [Accu-info] op het tabblad [53] en druk vervolgens op <0>. Het scherm met de accugegevens wordt weergegeven. Accupositie Model van de accu of stroomvoorziening die u gebruikt. Het accuniveau (pag. 43) wordt weergegeven. Het laadprestatieniveau van de accu wordt aangegeven in drie niveaus. (Groen) : de oplaadprestaties van de accu zijn in orde.
Een gewoon stopcontact gebruiken Met de DC-koppeling DR-E18 en de AC-adapter AC-E6N (elk afzonderlijk verkrijgbaar) kunt u de camera aansluiten op een gewoon stopcontact. 1 Sluit de stekker van de DC-koppeling aan. Plaats de stekker van de DC-koppeling in de aansluiting van de netadapter. het netsnoer aan. 2 Sluit Sluit het netsnoer aan zoals afgebeeld in de illustratie. Verwijder na gebruik van de camera de stekker uit het stopcontact. de DC-koppeling.
Opnamen maken met de afstandsbediening Draadloze afstandsbediening BR-E1 (apart verkocht) Met de draadloze afstandsbediening BR-E1 (afzonderlijk verkrijgbaar), compatibel met energiezuinige Bluetooth, kunt u opnamen maken met de afstandsbediening op maximaal circa 5 meter afstand van de camera. U moet voor het gebruik van de BR-E1 eerst de camera en de afstandsbediening koppelen zodat ze elkaar herkennen. Pairing 1 Selecteer [Inst. draadloze communicatie]. Selecteer op het tabblad [51] de optie [Inst.
Opnamen maken met de afstandsbediening [Pairing]. 5 Selecteer Selecteer [Pairing] en druk vervolgens op <0>. Houd de knoppen en tegelijkertijd 3 seconden of langer ingedrukt. Het koppelen start. Nadat het koppelen is voltooid, is de BR-E1 op de camera geregistreerd. Foto-opnamen van opnamen maken 6 Inschakelen met de afstandsbediening. Stel [z1: Transportmodus] in op [Q]. Movie-opname Stel [z5: Afst.bediening] in op [Inschakelen].
Opnamen maken met de afstandsbediening Koppeling annuleren Wis de verbindingsinformatie van de op dit moment verbonden afstandsbediening als u met een andere BR-E1 wilt koppelen. U kunt de verbindingsstatus van de camera en de afstandsbediening controleren in het scherm [Verbindingsinfo contr./wissen] in stap 4. 1 Selecteer [Inst. draadloze communicatie]. Selecteer op het tabblad [51] de optie [Inst. draadloze communicatie] en druk vervolgens op <0>. 2 Selecteer [Bluetooth-functie].
Opnamen maken met de afstandsbediening F Afstandsbediening RS-60E3 (afzonderlijk verkrijgbaar) De camera is compatibel met de afstandsbediening RS-60E3 die met een snoer van circa 60 cm wordt geleverd. Wanneer de afstandsbediening op de hiervoor bestemde aansluiting van de camera is aangesloten, kan de afstandsbediening half en helemaal worden ingedrukt, net zoals de ontspanknop. Ook tijdens filmen zijn opnamen met de afstandsbediening mogelijk (pag. 276).
Opnamen maken met de afstandsbediening De oculairafsluiting gebruiken Wanneer u een opname maakt zonder door de zoeker te kijken, zoals wanneer u de zelfontspanner, bulb-belichting of een afstandsbediening gebruikt, kan het zijn dat er licht in de zoeker valt waardoor de opname er donker uitziet. Om dit te voorkomen, gebruikt u de oculairafsluiting (pag. 35) die aan de draagriem van de camera is bevestigd. U hoeft de oculairafsluiting niet te bevestigen voor Live Viewopnamen of movie-opnamen.
H Eye-Fi-kaarten gebruiken Met een in de handel verkrijgbare en reeds geconfigureerde Eye-Fi-kaart kunt u vastgelegde beelden via een draadloos netwerk automatisch naar een computer overbrengen of naar een onlineservice uploaden. De beeldoverdracht is een functie van de Eye-Fi-kaart.
H Eye-Fi-kaarten gebruiken de instelling 5 Controleer [Toegangspunt SSID:]. Controleer of een toegangspunt wordt weergegeven voor [Toegangspunt SSID:]. U kunt ook het MAC-adres en de firmwareversie van de Eye-Fi-kaart controleren. Druk op de knop om het menu af te sluiten. de opname. 6 Maak De opname wordt overgebracht en het pictogram verandert van grijs (Niet verbonden) in een van de pictogrammen in de onderstaande volgorde.
H Eye-Fi-kaarten gebruiken Aandachtspunten bij het gebruik van Eye-Fi-kaarten Als onder [Instellingen Wi-Fi] van [51: Draadloze communicatieinstellingen] [Wi-Fi] is ingesteld op [Inschakelen], is beeldoverdracht met een Eye-Fi-kaart niet mogelijk. Als 'J' wordt weergegeven, is er een fout opgetreden bij het ophalen van de kaartinformatie. Schakel de camera uit en weer in. Zelfs als [Eye-Fi trans.] is ingesteld op [Uit], zendt de kaart wellicht nog steeds een signaal uit.
Tabel met beschikbare functies volgens opnamemodus Foto's maken in basismodi: A 7 C o: Automatisch ingesteld k: Door gebruiker in te stellen Functie Selecteerbare instellingen voor beeldkwaliteit : Niet in te stellen/uitgeschakeld A 7 C k k k o o o D D D Aspect ratio ISO-snelheid Beeldstijl Automatisch ingesteld/Automatisch Handmatig ingesteld Automatisch ingesteld Handmatige selectie k k Sfeeropnamen Achtergrond wazig Helderheid Kleurtoon Automatisch Witbalans Q Q Q o o o o o o o o o
Tabel met beschikbare functies volgens opnamemodus Functie AF-bediening (opnamen met de zoeker) 1-beeld AF AF-bediening (Live View-opnamen) 1-beeld AF AF A 7 C o o o o o o k o k k o k k k k k k k k k k k k k k k k k AI Servo AF AI Focus AF Servo AF AF-puntselectie AF-hulplicht Programmakeuze Belichtingscorrectie Belichting AEB AE-vergrendeling Scherptedieptecontrole Enkelbeeld Continue opname Transport Enkele stille opname*1 Stille continue opname*1 Zelfontspanner/Afstandsbediening*
Tabel met beschikbare functies volgens opnamemodus Foto's maken in basismodi: 8 o: Automatisch ingesteld k: Door gebruiker in te stellen Functie : Niet in te stellen/uitgeschakeld 8 2 q 3 5 C 4 P x 6 k k k k k k k k k k*1 k*1 Automatisch ingesteld/ o Automatisch o o o o o o o o Selecteerbare instellingen voor beeldkwaliteit F G Aspect ratio ISOsnelheid Beeldstijl o o Handmatig ingesteld Automatisch ingesteld DDDDDD D DDDD Handmatige selectie Sfeeropnamen Achtergrond wazig
Tabel met beschikbare functies volgens opnamemodus Functie AF-bediening (opnamen met de zoeker) 1-beeld AF o o o o o o o o o o o AI Servo AF AI Focus AF 1-beeld AF AF-bediening (Live View-opnamen) Servo AF AF 8 2 q 3 5 C 4 P x 6 F G AF-puntselectie AF-hulplicht o o o o o o o o o o k k k k k k k o k k k o o o o o o o o Programmakeuze Belichtingscorrectie Belichting AEB AE-vergrendeling Scherptedieptecontrole Enkelbeeld Continue opname Transport k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k Enke
Tabel met beschikbare functies volgens opnamemodus Foto's maken in basismodi: v o: Automatisch ingesteld k: Door gebruiker in te stellen Functie : Niet in te stellen/uitgeschakeld v G W X Z H c A B C D Selecteerbare instellingen voor k beeldkwaliteit*1 Automatisch ingesteld/ o ISO-snelheid Automatisch k k k k k k k k k o o o o o o o o o Handmatig ingesteld Beeldstijl Automatisch ingesteld PPDPPPDPPP Handmatige selectie Sfeeropnamen Achtergrond wazig Helderheid Kleurtoon Automa
Tabel met beschikbare functies volgens opnamemodus Functie AF-bediening (opnamen met de zoeker) AF-bediening (Live Viewopnamen) AF v G W X Z H c 1-beeld AF A B C D o o o o AI Servo AF o o o o o o o o o o o o o o k o k o o o k o k k*2 k o o o k o k o k o k k k k k k k k k k k k k k Zelfontspanner/ Afstandsbediening*4 k k k k k k k k k k Automatisch flitsen k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k o o o o o o o o o o o o o o k k
Tabel met beschikbare functies volgens opnamemodus Foto's maken in creatieve modi o: Automatisch ingesteld k: Door gebruiker in te stellen : Niet in te stellen/uitgeschakeld Functie d s f a Selecteerbare instellingen voor beeldkwaliteit k k k k k k k k Automatisch ingesteld/ Automatisch k k k k Handmatig ingesteld k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k
Tabel met beschikbare functies volgens opnamemodus Functie d s f a 1-beeld AF k k k k k k k k k k k k k k k k Servo AF k k k k AF-puntselectie k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k k AF-bediening 1-beeld AF (opnamen met AI Servo AF de zoeker) AI Focus AF AF-bediening (Live Viewopnamen) AF AF-hulplicht Programmakeuze Belichtingscorrectie Belichting AEB A
Tabel met beschikbare functies volgens opnamemodus Movie-opname o: Automatisch ingesteld k: Door gebruiker in te stellen Functie A : Niet in te stellen/uitgeschakeld 7 C 8 v y u Selecteer movie-opnameformaat k k k Digitale zoom k k k o k*1 d s f a k M k k k k k k k k o HDR-Movie opnamemodus k k k k Video snapshot k k k k k k k k Time-lapse-movie k k k k k k k Automatisch ingesteld/ ISO-snelheid Automatisch Handmatig ingesteld o o o o o o k DDDDP
Tabel met beschikbare functies volgens opnamemodus Functie 7 C 8 v y u d s f a k M o o o o o o o o o Gezicht+volgen*2 k k k k k k k k k Soepel zone*2 k k k k k k k k k Live één punt AF k k k k k k k k k Handmatige scherpstelling (MF) k k k k k k k k k Servo AF voor movies*2 k k k k k k k k k Belichtingscorrectie k k k *3 AE-vergrendeling k k k *4 Lichtmeting AF A Programmakeuze Belichting Scherptedieptecontrole Aspect ratio
Systeemschema ST-E2 ST-E3-RT Oculairverlengstuk EP-EX15II Zoekerloupe MG-Ef 270EX II 430EX III-RT/ 430EX III 600EX II-RT Macro Ring Lite MR-14EX II Macro Twin Lite MT-24EX Standaardaccessoires Oogschelp Ef Rubberframe Ef Riem Dioptrische aanpassingslenzen E-serie Hoekzoeker C Handriem E2 Accu LP-E17 Acculader LC-E17E Netadapter AC-E6N*¹ Beschermende doek PC-E1/PC-E2 400 DC-koppeling DR-E18*¹
Systeemschema GPS-ontvanger GP-E2*2 Draadloze afstandsbediening BR-E1 Afstandsbediening RS-60E3 Afstandsbediening met timer TC-80N3 EF-lenzen EF-S-lenzen Afstandsbedieningsadapter RA-E3 HDMI-kabel HTC-100 (2,9 m) Tv/video Stereo-richtmicrofoon DM-E1 Interfacekabel IFC-400PCU (1,3 m) Connect Station CS100 Interfacekabel IFC-200U/500U(1,9 m/4,7 m) USB-poort SD-/SDHC-/SDXCgeheugenkaart Kaartlezer Computer Kaartsleuf *1: De AC-adapterset ACK-E18 kan ook worden gebruikt.
3 Menu-instellingen Zoekeropnamen (Basismodi) z: Opname 1 (rood) Pagina Beeldkwaliteit 73/83/74/84/7a/8a/b/ 1+73*1/1*1 128 Transportmodus Enkelbeeld / continue opnamen / zelfontspanner: 10 sec./afstandsbediening*2 / zelfontspanner: 2 sec. / zelfontspanner: Continu 123 Kijktijd Uit / 2 sec. / 4 sec. / 8 sec.
3 Menu-instellingen Live View-opnamen (Basismodi) z: Opname 1 (rood) Pagina Beeldkwaliteit 73/83/74/84/7a/8a/b/ 1+73*1/1*1 128 Transportmodus Enkelbeeld / continue opnamen / zelfontspanner: 10 sec./afstandsbediening*2 / zelfontspanner: 2 sec. / zelfontspanner: Continu 123 Kijktijd Uit / 2 sec. / 4 sec. / 8 sec. / Vastzetten 288 Ontspan sluiter zonder kaart Inschakelen / Uitschakelen 287 Rode-ogen-reductie Uitschakelen / Inschakelen 183 *1: Niet selecteerbaar in de modi <8: FG> en .
3 Menu-instellingen Opnamen met de zoeker en Live View-opnamen (Creatieve modi) z: Opname 1 (rood) Pagina Beeldkwaliteit 73/83/74/84/7a/8a/b/1+73/1 128 Transportmodus Enkelbeeld / continu opnamen / enkele stille opname*1 / stille continue opname*1 / zelfontspanner: 10 sec./afstandsbediening*2 / zelfontspanner: 2 sec. / zelfontspanner: Continu 123 Kijktijd Uit / 2 sec. / 4 sec. / 8 sec.
3 Menu-instellingen z: Opname 3 (rood) Meetmethode Auto Lighting Optimizer (Auto optimalisatie helderheid) Witbalans Pagina q Meervlaksmeting / w Deelmeting / r Spotmeting / e Centrum gew.
3 Menu-instellingen z: Opname 5* (rood) AF-methode u+Volgen/Soepel zone/Live één punt AF 214 Touch Shutter Uitschakelen / Inschakelen 224 Meettimer 4 sec. / 8 sec. / 16 sec. / 30 sec. / 1 min. / 10 min. / 30 min. 209 Rasterweergave Uit/3x3 l /6x4 m/3x3+diagonaal n 209 Aspect ratio 3:2 / 4:3 / 16:9 / 1:1 * Niet weergegeven voor Live View-opnamen.
3 Menu-instellingen 5: Instellingen 1 (geel) Selecteer map Pagina Een map maken en selecteren 290 Nummering: Continu/Auto. reset 292 Handmatig resetten 294 Automatisch roteren AanzD /AanD /Uit 297 Kaart formatteren Gegevens op de kaart wissen door te formatteren 68 Eye-Fi-instellingen Weergegeven wanneer een in de handel verkrijgbare Eye-Fi-kaart is geplaatst 387 Bestandsnummer Wi-Fi-instellingen: Wi-Fi/NFC-verbinding/Wachtwoord/ Verbindingshist.
3 Menu-instellingen 5: Instellingen 2 (geel) Pagina Automatisch uitschakelen 10 sec/30 sec / 30 sec. / 1 min. / 2 min. / 4 min. / 8 min. / 15 min.
3 Menu-instellingen 5: Instellingen 4 (Geel) Pagina Persoonlijke voorkeuze(C.Fn) De camerafuncties aan uw persoonlijke voorkeur aanpassen 366 Wis instellingen Wis alle camera-instellingen / Wis persoonlijke voorkeuze (C.
3 Menu-instellingen k Movie-opnamen z: Opname 1 (rood) Pagina • 1920x1080 / 1280x720 / 640x480 • NTSC: 59,94p / 29,97p / 23,98p Movie-opnameformaat PAL: 50,00p / 25,00p • Standaard / Licht 245 Digitale zoom 248 Uitschakelen / Ca.
3 Menu-instellingen z: Opname 3 (rood) Pagina Beeldstijl DAutomatisch / PStandaard / QPortret / RLandschap / uGedetailleerd / SNeutraal / UNatuurlijk / VMonochroom / WGebruiker 1-3 135 Witbalans Q (Sfeerprioriteit) / Qw (Witprioriteit) / W/E/R/Y/U/D/O 143 Handmatige witbalans De witbalans handmatig instellen 145 Witbalans shift B/A/M/G-correctie, elk 9 niveaus 147 z: Opname 4* (rood) Servo AF voor movies Inschakelen / Uitschakelen 273 AF-methode u+Volgen/Soepel zone/Live één punt AF 274
Problemen oplossen Raadpleeg bij problemen met de camera eerst dit gedeelte Problemen oplossen. Als u het probleem hiermee niet kunt oplossen, neem dan contact op met uw dealer of Canon Service Center. Stroomgerelateerde problemen De accu laadt niet op. Gebruik alleen echte Canon-accu's van het type LP-E17. Het lampje van de acculader knippert.
Problemen oplossen [Communicatiefout voor accu. Wordt op deze accu het Canon-logo weergegeven?] weergegeven. Gebruik alleen echte Canon-accu's van het type LP-E17. Verwijder de accu en plaats deze weer terug (pag. 38). Als de elektrische contacten van de accu vuil zijn, maakt u deze schoon met een zachte doek. De accu raakt snel leeg. Gebruik een volledig opgeladen accu (pag. 36). Mogelijk presteert de accu niet meer helemaal naar behoren.
Problemen oplossen Opnamegerelateerde problemen De lens kan niet worden bevestigd. De camera kan niet worden gebruikt in combinatie met EF-M-lenzen (pag. 48). Er kunnen geen opnamen worden gemaakt of opgeslagen. Controleer of de kaart correct is geplaatst (pag. 38). Schuif het schuifje voor schrijfbeveiliging van de kaart naar de stand voor schrijven/wissen (pag. 38). Vervang de kaart als deze vol is of wis overbodige opnamen om ruimte vrij te maken (pag. 38, 339).
Problemen oplossen De opname is onscherp of wazig. Stel de scherpstelmodusknop op de lens in op (pag. 48). Druk voorzichtig op de ontspanknop om cameratrilling te voorkomen (pag. 50-51). Stel de IS-schakelaar in op <1> bij een lens voorzien van Image Stabilizer (beeldstabilisatie). Bij weinig licht kan de sluitertijd toenemen. Gebruik een kortere sluitertijd (pag. 164), stel een hogere ISO-snelheid in (pag. 132), gebruik een flitser (pag. 182) of gebruik een statief.
Problemen oplossen De standaardbelichting kan niet worden verkregen of de belichting is onregelmatig. Als u tijdens opnamen met de zoeker of Live View-opnamen een TSE-lens gebruikt (anders dan TS-E17mm f/4L of TS-E24mm f/3.5L II) en de lens verschuift of kantelt, of als u een tussenring gebruikt, kan de standaardbelichting wellicht niet worden verkregen of kan de belichting onregelmatig zijn. De snelheid van continue opnamen is laag.
Problemen oplossen Uitgebreide ISO-snelheden kunnen niet worden ingesteld. Als bij [54: Persoonlijke voorkeuze(C.Fn)] de optie [4: Lichte tonen prioriteit] is ingesteld op [1:Inschakelen], is het instelbereik voor de ISO-snelheid ISO 200-25600 (of maximaal ISO 12800 voor movieopnamen) ook als [2: ISO vergroten] is ingesteld op [1:Aan]. Als [0:Uitschakelen] is ingesteld voor [4: Lichte tonen prioriteit], kan [H] worden ingesteld (pag. 367). Dit geldt ook voor movie-opnamen (pag. 239).
Problemen oplossen De ingebouwde flitser klapt vanzelf uit. In opnamemodi ( <8: 2qC46> ) waarvan de standaardinstelling (Automatisch ingebouwde flitser) is, klapt de ingebouwde flitser indien nodig automatisch omhoog. In de modi <8: xG> en , als u de ontspanknop half indrukt bij weinig licht, klapt de ingebouwde flitser mogelijk automatisch uit en wordt het AF-hulplicht mogelijk geactiveerd. De ingebouwde flitser werkt niet.
Problemen oplossen De camera maakt geluid wanneer deze wordt geschud. Er kan een klein beetje geluid te horen zijn wanneer het interne mechanisme van de camera een beetje beweegt. De sluiter maakt bij Live View-opnamen twee keer het geluid van de sluiterknop. Als u de flitser gebruikt, maakt de sluiter bij iedere opname twee sluiterknopgeluiden (pag. 198). Tijdens Live View-opnamen wordt een wit s - of rood E - pictogram weergegeven.
Problemen oplossen De ISO-snelheid kan niet worden ingesteld voor movie-opname. In andere opnamemodi dan wordt de ISO-snelheid automatisch ingesteld. In de modus kunt u de ISO-snelheid handmatig instellen (pag. 239). De belichting verandert tijdens de movie-opname. Als u tijdens de movie-opname de sluitertijd of het diafragma aanpast, worden de wijzigingen mogelijk in de belichting opgenomen.
Problemen oplossen Wi-Fi Wi-Fi kan niet worden ingesteld. Als de camera via een interfacekabel met een computer of ander apparaat is verbonden, kunnen de Wi-Fi functies niet worden ingesteld. ([51: Draadloze communicatie-instellingen] wordt grijs weergegeven). Koppel de interfacekabel los voordat u de instellingen configureert. Raadpleeg de Instructiehandleiding voor de Wi-Fi-functie (draadloze communicatiefunctie). Problemen met de bediening Een knop of wiel op de camera werkt niet zoals verwacht.
Problemen oplossen Problemen met weergave op het scherm Het menuscherm geeft minder tabbladen en opties weer. Bepaalde tabbladen of menuopties worden niet weergegeven in de basismodi. Stel de opnamemodus in op een creatieve modus (pag. 60). Op het tabblad [9] is [Menuweergave] ingesteld op [Alleen My Menu-tab weergeven] (pag. 377). Het eerste teken van de bestandsnaam is een onderstrepingsteken ('_'). Stel de kleurruimte in op sRGB.
Problemen oplossen [###] wordt weergegeven. Als het aantal opnamen op de kaart hoger is dan het maximum aantal opnamen dat door de camera kan worden weergegeven, wordt [###] weergegeven (pag. 319). De weergave op het LCD-scherm is onduidelijk. Indien het LCD-scherm vuil is, dient u een zachte doek te gebruiken om het schoon te maken. Bij lage of hoge temperaturen kan het LCD-scherm langzamer reageren of er zwart uitzien. Bij kamertemperatuur functioneert het scherm weer normaal.
Problemen oplossen Problemen met weergave van opnamen Een gedeelte van de opname knippert zwart. Dit is de overbelichtingswaarschuwing (pag. 353). Overbelichte gebieden met dichtgelopen overbelichte gedeeltes gaan knipperen. De opname kan niet worden gewist. Als de opname tegen wissen is beveiligd, kan deze niet worden verwijderd (pag. 336). De movie kan niet worden afgespeeld. Movies die op een computer zijn bewerkt, kunnen niet worden afgespeeld op de camera.
Problemen oplossen Er zijn verschillende moviebestanden voor één movie-opname. Wanneer de bestandsgrootte van de movie 4 GB bereikt, wordt er automatisch een ander moviebestand gemaakt (pag. 247). Als u echter een SDXC-kaart gebruikt die is geformatteerd met de camera, kunt u movies als één bestand opslaan zelfs als deze groter zijn dan 4 GB. De kaartlezer herkent de kaart niet. Afhankelijk van de kaartlezer en het besturingssysteem van de computer worden SDXC-kaarten mogelijk niet correct herkend.
Problemen oplossen Het beeld vertoont lichte puntjes. Er kunnen witte, rode, blauwe of andere gekleurde lichte puntjes op opnamen worden weergegeven als de sensor is beïnvloed door kosmische straling, enz. De weergave van dit soort puntjes kan worden verminderd als u [Reinig nuf] onder [53: Sensorreiniging] selecteert (pag. 302). Problemen met sensorreiniging De sluiter maakt een geluid tijdens het reinigen van de sensor.
Foutcodes Foutnummer Als er zich een probleem met de camera voordoet, wordt er een foutmelding weergegeven. Volg de instructies op het scherm. Oorzaak en tegenmaatregelen Nummer Foutmelding en oplossing Communicatie tussen camera en lens is foutief. Reinig lenscontacten. 01 02 Maak de elektrische contacten op de camera en de lens schoon, gebruik een Canon-lens of verwijder de accu en plaats deze weer (pag. 27, 48, 38). Geen toegang tot kaart.
Specificaties • Type Type: Opnamemedia: Grootte beeldsensor: Compatibele lenzen: Objectiefvatting: Digitale AF/AE-spiegelreflexcamera met ingebouwde flitser SD-/SDHC*-/SDXC*-geheugenkaarten * UHS-I-kaarten worden ondersteund Circa 22,3 x 14,9 mm Canon EF-lenzen (incl. EF-S-lenzen) * Exclusief EF-M-lenzen (de beeldhoek is gelijk aan 35 mm en is die van een lens met circa 1,6x de aangegeven brandpuntsafstand.
Specificaties • Beeldverwerking tijdens opname Beeldstijl: Witbalans: Auto, Standaard, Portret, Landschap, Gedetailleerd, Neutraal, Natuurlijk, Monochroom, Gebruiker 1 - 3 Auto (Sfeerprioriteit), Auto (Witprioriteit), Vooraf ingesteld (Daglicht, Schaduw, Bewolkt, Kunstlicht, Wit TL licht, Flitser), Handmatige witbalanscorrectieen witbalansbracketing beschikbaar * Overdracht kleurtemperatuurgegevens van de flitser mogelijk Ruisreductie: Van toepassing op lange belichtingstijden en opnamen met een hoge IS
Specificaties • Automatische scherpstelling (voor opnamen met de zoeker) Type: AF-punten: Bereik helderheid scherpstelling: Scherpstelling: AF-hulplicht: TTL secundaire beeldregistratie, fasedetectie met de speciale AF-sensor 9 AF-punten (middelste punt: kruismeting en gevoelig voor verticale lijnen tot f/2.8) EV -0,5 - 18 (met het middelste AF-punt dat ondersteuning biedt voor f/2.
Specificaties Basismodi: ISO-snelheid automatisch ingesteld Creatieve modi: ISO auto, ISO 100 - 25600 handmatig ingesteld (met tussenstappen van een hele stop) en ISO vergroten tot H (gelijk aan ISO 51200) ISO-snelheidsinstellingen: Maximumgrens voor ISO auto instelbaar Belichtingscorrectie: Handmatig: ±5 stops met tussenstappen van 1/3 of 1/2 stop * ±3 stops met [Opnamescherm: Met uitleg] ingesteld AEB: ±2 stops met tussenstappen van 1/3 of 1/2 stop (kan worden gecombineerd met handmatige belichtingscorre
Specificaties • Flitser Ingebouwde flitser: Inklapbare, automatische flitser Richtgetal: circa 9,8 meter (bij ISO 100) Flitsdekking: ongeveer de beeldhoek van een 18mm-lens Oplaadtijd: Circa 3 seconden Externe Speedlite: Compatibel met Speedlites uit de EX-serie Flitsmeting: Automatische E-TTL II-flits Flitsbelichtingscorrectie: ±2 stops met tussenstappen van 1/3 of 1/2 stop FE-vergrendeling: Beschikbaar Pc-aansluiting: Niet meegeleverd Flitsbesturing: Ingebouwde flitsfunctie-instellingen, instellingen ex
Specificaties • Movie-opname Opname-indeling: MP4 * Time-lapse-movie-opname MOV Movie: MPEG-4 AVC/H.
Specificaties Bereik helderheid lichtmeting: Belichting: Belichtingscorrectie: ISO-snelheid (Aanbevolen belichtingsindex): ISOsnelheidsinstellingen: HDR-Movie opnamemodus: Creatieve filters voor movies: Videosnapshots: Geluidsopname: Rasterweergave: Time-lapse-movie: Foto-opnamen: EV 0 - 20 (bij kamertemperatuur, ISO 100, centrumgewogen gemiddelde meting) Opnamen maken met automatische belichting (AE-programma voor movie-opname) en handmatige belichting ±3 stops met tussenstappen van 1/3 of 1/2 stop V
Specificaties • Weergave Weergaveformaat voor opnamen: Overbelichtingswaarschuwing: Weergave AF-punt: Zoomvergrotingsratio: Beeld zoeken: Navigatiemethoden voor opnamen: Beeldrotatie: Wisbeveiliging: Classificatie: Movieweergave: Diavoorstelling: Achtergrondmuziek: Weergave van één opname (zonder opname-informatie), Weergave van één opname (met basisinformatie), Weergave van één opname (opname-informatie weergegeven: Gedetailleerde informatie, Lens/ histogram, Witbalans, Beeldstijl 1, Beeldstijl 2, Kleur
Specificaties • Functies voor persoonlijke voorkeuze Persoonlijke voorkeuze: My Menu: Copyrightinformatie: Instellingen weergaveniveau: 11 Er kunnen maximaal 5 schermen worden vastgelegd Tekstinvoer en toevoegen mogelijk Opnamescherm, Menuweergave, Modusuitleg Uitleg • Interface DIGITAL-aansluiting: HDMI mini OUTaansluiting: IN-aansluiting externe microfoon: Aansluiting afstandsbediening: Draadloze afstandsbediening: Eye-Fi-kaart: computercommunicatie (Hi-speed USB), aansluiting voor Connect Station CS1
Specificaties • Afmetingen en gewicht Afmetingen (B x H x D): Circa 122,4 x 92,6 x 69,8 mm Gewicht (zwart): Circa 453 g (inclusief accu en kaart) Circa 406 g (alleen behuizing) Gewicht (zilver): Circa 454 g (inclusief accu en kaart) Circa 407 g (alleen behuizing) Gewicht (wit): Circa 456 g (inclusief accu en kaart) Circa 409 g (alleen behuizing) • Gebruiksomgeving Bedrijfstemperatuur: Luchtvochtigheid tijdens gebruik: 0 °C - 40 °C 85% of lager Alle bovenstaande gegevens zijn gebaseerd op de testnormen
Handelsmerken Adobe is een handelsmerk van Adobe Systems Incorporated. Microsoft en Windows zijn handelsmerken of gedeponeerde handelsmerken van Microsoft Corporation in de Verenigde Staten en/of andere landen. Macintosh en Mac OS zijn handelsmerken van Apple Inc., gedeponeerd in de Verenigde Staten en andere landen. Het SDXC-logo is een handelsmerk van SD-3C, LLC. HDMI, het HDMI-logo en High-Definition Multimedia Interface zijn handelsmerken of gedeponeerde handelsmerken van HDMI Licensing LLC.
Software van derden Dit product bevat software van derden. expat.
Het gebruik van originele Canon-accessoires wordt aanbevolen Dit product is zodanig ontworpen dat het optimale prestaties levert wanneer het wordt gebruikt in combinatie met originele Canon-accessoires. Het is zeer raadzaam dit product te gebruiken met originele Canon-accessoires.
Uitsluitend bestemd voor de Europese Unie en EER (Noorwegen, IJsland en Liechtenstein) Met deze symbolen wordt aangegeven dat dit product in overeenstemming met de AEEA-richtlijn (2012/19/EU), de richtlijn 2006/66/EG betreffende batterijen en accu's en/of de plaatselijk geldende wetgeving waarin deze richtlijnen zijn geïmplementeerd, niet bij het normale huisvuil mag worden weggegooid.
VOORZICHTIG ONTPLOFFINGSGEVAAR ALS DE ACCU WORDT VERVANGEN DOOR EEN ONJUIST TYPE. HOUD U BIJ HET WEGGOOIEN VAN GEBRUIKTE BATTERIJEN AAN DE LOKALE VOORSCHRIFTEN HIERVOOR.
14 Verkorte softwarehandleiding / Opnamen downloaden naar een computer In dit hoofdstuk wordt het volgende uitgelegd: Overzicht van de software voor EOS-camera's De software downloaden en op een computer installeren De software-instructiehandleidingen (PDF-bestanden) downloaden en bekijken Beelden van de camera naar een computer downloaden 443
Verkorte softwarehandleiding Informatie over de software In dit gedeelte wordt een overzicht gegeven van de verschillende softwaretoepassingen voor EOS-camera's. Een internetverbinding is vereist om de software te downloaden en te installeren. Downloaden en installeren van de software is niet mogelijk zonder internetverbinding. EOS Utility Wanneer de camera op een computer is aangesloten, kunt u EOS Utility gebruiken om foto's en movies die met de camera zijn opgenomen, naar de computer over te brengen.
Verkorte softwarehandleiding De software downloaden en installeren Sluit de camera pas op de computer aan nadat u de software heeft geïnstalleerd. Anders zal de software niet op de juiste manier worden geïnstalleerd. Zelfs als er al een eerdere versie van de software op uw computer is geïnstalleerd, volgt u de onderstaande procedure om de nieuwste versie te installeren. (De vorige versie wordt overschreven.) 1 Download de software.
De software-instructiehandleidingen (PDF-bestanden) downloaden en bekijken U heeft een internetverbinding nodig om de software-instructiehandleidingen (PDF-bestanden) te downloaden. Downloaden is niet mogelijk zonder internetverbinding. 1 Download de software-instructiehandleidingen (PDF-bestanden). Maak verbinding met internet en ga naar de volgende Canon-website. www.canon.com/icpd 2 Bekijk de software-instructiehandleidingen (PDF-bestanden).
Opnamen downloaden naar een computer U kunt de EOS-software gebruiken om de opnamen van camera naar een computer te downloaden. Dit kan op twee manieren. Downloaden door de camera op de computer aan te sluiten 1 Installeer de software (pag. 445). een interfacekabel (apart 2 Gebruik leverbaar) om de camera op de computer aan te sluiten. Sluit de kabel aan op de digitalaansluiting van de camera en zorg dat het pictogram van de plug naar de voorkant van de camera wijst.
Opnamen downloaden naar een computer Beelden downloaden met een kaartlezer U kunt een kaartlezer gebruiken om opnamen naar een computer te downloaden. Installeer de software (pag. 445). 1 2 Plaats de kaart in de kaartlezer. Digital Photo 3 Gebruik Professional om de opnamen te downloaden. Raadpleeg de Digital Photo Professional instructiehandleiding.
Index Nummers ALL-I......................................... 8, 254 1280x720 (movie) .........................245 Aquareleffect ................ 103, 207, 358 1920x1080 (movie) .......................245 Aspect Ratio ................................. 210 640x480 (movie) ...........................245 Auto Lighting Optimizer (Auto optimalisatie helderheid) .............. 149 9 punts AF automatische selectie ...119 A Auto. reset .................................... 293 A (Scene Intelligent Auto) ..
Index Belichtingsniveauverhogingen ......366 Droom ...................................... 251 Geheugen ................................ 252 Miniatuureffectmovie................ 252 Oude film ................................. 251 Beschikbare functies per opnamemodus ..............................390 Bestandsextensie .........................294 Bestandsgrootte............129, 246, 350 Bestandsnaam..............................292 Bijsnijden (opnamen) ....................361 Bluetooth-functie..............
Index F Geluidsopnameniveau.................. 272 FE-vergrendeling ..........................185 Gemiddeld (opnamekwaliteit) ........... 32, 128, 359 Fijn (opnamekwaliteit) .....................32 Gevoeligheid 9 ISO-snelheid Filtereffecten .........................137, 140 GPS.............................................. 408 Firmware .......................................409 Groepsfoto...................................... 88 Fisheye-effect ...............
Index Indicator belichtingsniveau .............33 INFO-knop ....................110, 199, 240 Ingebouwde flitser.........................182 Instelwiel .................................28, 161 IPB (Licht) .....................................246 IPB (Standaard) ............................246 ISO-snelheid .................132, 236, 239 Automatisch instellen (ISO auto).................................133 ISO vergroten ...........................366 Maximale ISO-snelheid voor ISO auto .......................
Index Meervlaksmeting...........................172 Meetmethode ................................172 Meettimer ..............................209, 274 Menu ...............................................60 Instellingen ...............................402 Instellingsprocedure ...................61 My Menu...................................373 Weergaveniveau.........................52 3 pictogram ..............................15 Menuweergave ...............................54 MF (Handmatige scherpstelling)......
Index Oogschelp.....................................386 c (Miniatuureffect) ............. 103 A (HDR-kunst) ................. 103 B (HDR-kunst helder) ...... 103 C (HDR-kunst opvallend)............................ 104 D (HDR-kunst embossed)........................... 104 Op een tv bekijken ................324, 333 Opladen ..........................................36 Opname-informatie .......................349 Opnamekwaliteit ...........................128 Opnamemodi ..................................
Index Pieptoon bij aanraken ...................287 Scherptedieptecontrole ................ 168 Portret .....................................87, 136 Scènepictogrammen ............ 201, 237 Printopties (DPOF)........................342 SD-, SDHC-, SDXC-kaarten 9 Kaarten Prioriteit voor tonen.......................367 Sensorreiniging .................... 302, 306 Problemen oplossen .....................412 Sepia (Monochroom).............. 82, 140 Programmakeuze..........................
Index T Taal .................................................47 Temperatuurwaarschuwing...230, 278 Tijdzone ..........................................44 Volume (movieweergave)............. 327 Voorkeuren voor beelden zoeken ..................................... 320 W Time-lapse-movie .........................254 Waarschuwingspictogram ............ 369 Toningeffect (monochroom) ..........140 Weergave............................. 110, 309 Touch Shutter................................
CANON INC. 30-2 Shimomaruko 3-chome, Ohta-ku, Tokyo 146-8501, Japan Europa, Afrika en het Midden-Oosten CANON EUROPA N.V. Bovenkerkerweg 59, 1185 XB Amstelveen, Nederland Raadpleeg uw garantiekaart of ga naar www.canon-europe.com/Support voor informatie over uw lokale Canon-vestiging Het product en de bijbehorende garantie worden in Europese landen geleverd door Canon Europa N.V. De beschrijvingen in deze instructiehandleiding zijn in maart 2017 geactualiseerd.