Extra Information

65
U kunt maximaal drie instellingen voor verbinding met printers
vastleggen.
1
Selecteer [Wi-Fi-functie].
Stel op het tabblad [53] de optie
[Wi-Fi/NFC] in op [Inschakel
en] en
selecteer vervolgens [Wi-Fi-functie].
2
Selecteer [l].
Selecteer [l] (Afdrukken van
Wi-Fi-printer) en druk op <0>.
3
Selecteer [Kies instell.].
Selecteer [Kies instell.] en druk
op <0>.
4
Selecteer [SET* (niet
geconfigureerd)].
Selecteer [SET* (niet
geconfigureerd)] en druk op <0>.
Het scherm met
ver
bindingsinstellingen
wordt
weergegeven. Volg de weergegeven
instructies om de
verbindingsinstellingen te voltooien.
Meerdere verbindingsinstellingen vastleggen
Als u instellingen wilt verwijderen, raadpleegt u pag. 114.