Extra Information
55
U kunt maximaal drie instellingen voor verbinding met camera’s vastleggen.
1
Selecteer [Wi-Fi-functie].
Stel op het tabblad [53] de optie
[Wi-Fi/NFC] in op [Inschakel
en] en
selecteer vervolgens [Wi-Fi-functie].
2
Selecteer [z].
Selecteer [z] (Beelden tussen
camera’s verzenden) en druk
op <0>.
3
Selecteer [Kies instell.].
Selecteer [Kies instell.] en druk
op <0>.
4
Selecteer [SET* (niet
geconfigureerd)].
Selecteer [SET* (niet
geconfigureerd)] en druk op <0>.
Het scherm met
verbindingsinstellingen
wordt
weergegeven. Volg de weergegeven
instructies om de
verbindingsinstellingen te voltooien.
Meerdere verbindingsinstellingen vastleggen
De naam van de instellingenset kan later worden gewijzigd (pag. 113).
Als u instellingen wilt verwijderen, raadpleegt u pag. 114.










