EOS 1300D (W) Instructiehandleiding voor de draadloze functie NEDERLANDS INSTRUCTIEHANDLEIDING
Inleiding Wat u met de draadloze functies kunt doen Door de camera te verbinden met een Wi-Fi®-netwerk of met een ander apparaat dat de draadloze functies van deze camera ondersteunt, kunt u taken uitvoeren zoals het versturen van opnamen en het bedienen van de camera. (1) Verbinden met een smartphone (CANON iMAGE GATEWAY) (3) Opnamen naar een webservice versturen (2) Opnamen opslaan op Canon Connect Station* * Gebruik de nieuwste firmware.
Inleiding (1) q Verbinden met een smartphone (pag. 19 en 41) Sluit de camera draadloos aan op een smartphone of tablet en gebruik de toepassing Camera Connect om de camera op afstand te bedienen of om opnamen die op de camera zijn opgeslagen, te bekijken. In deze handleiding en op het LCD-scherm van de camera wordt met de term ‘smartphone’ verwezen naar smartphones en tablets. (2) Opnamen opslaan op Connect Station (pag.
De structuur van deze handleiding Deze handleiding is zo opgebouwd dat u de vereiste pagina’s kunt lezen afhankelijk van het apparaat dat moet worden aangesloten en de verbindingsmethode. Nadat u een bijnaam hebt opgegeven en de basisbediening in hoofdstuk 1 hebt geleerd, volgt u het onderstaande diagram en raadpleegt u de pagina’s die u nodig hebt.
Hoofdstukken Inleiding 2 1 Voorbereiding en basisbediening 9 2 Gemakkelijke verbinding met een smartphone 19 3 Gemakkelijke verbinding met Connect Station 37 4 Wi-Fi-verbinding met een smartphone 41 5 Wi-Fi-verbinding met een webservice 61 6 Verbindingsinstellingen controleren en bedienen 83 7 Problemen oplossen 89 8 Referentie 105 5
Inhoudsopgave Inleiding 2 Wat u met de draadloze functies kunt doen ..................................... 2 De structuur van deze handleiding................................................... 4 Hoofdstukken ................................................................................... 5 Symbolen en afspraken die in deze handleiding worden gebruikt ..... 8 1 Voorbereiding en basisbediening 9 Een bijnaam opgeven.....................................................................
Inhoudsopgave Opnieuw verbinding maken ............................................................ 56 Opnamen voor weergave opgeven................................................. 57 Instellingen voor meerdere verbindingen vastleggen ..................... 60 5 Wi-Fi-verbinding met een webservice 61 Voorbereiding voor webservices..................................................... 62 Het type toegangspunt controleren.................................................
Symbolen en afspraken die in deze handleiding worden gebruikt In deze handleiding worden ‘draadloos’ en ‘Wireless LAN’ gebruikt als een algemene aanduiding voor Wi-Fi en de draadloze functies van Canon. De term ‘toegangspunt’ verwijst naar Wireless LAN-terminals (toegangspunten voor Wireless LAN, routers voor Wireless LAN, enzovoort) die verbinding met Wireless LAN faciliteren. Pictogrammen in deze handleiding <6> : Het Hoofdinstelwiel.
1 Voorbereiding en basisbediening In dit hoofdstuk wordt uitgelegd hoe u een bijnaam opgeeft (ten behoeve van identificatie) die noodzakelijk is voor het gebruik van de draadloze functies en de basisbediening van de camera.
Een bijnaam opgeven Stel eerst een bijnaam voor de camera in (ten behoeve van identificatie). Wanneer de camera draadloos op een ander apparaat is aangesloten, wordt de bijnaam op dat apparaat weergegeven. U kunt pas de draadloze functies instellen als u een bijnaam hebt ingevoerd. 1 Selecteer [Wi-Fi/NFC]. Selecteer op het tabblad [53] de optie [Wi-Fi/NFC] en druk vervolgens op <0>. [Inschakelen]. 2 Selecteer Druk op de knop om [Inschakelen] te selecteren en druk vervolgens op <0>.
Een bijnaam opgeven een bijnaam in. 3 Voer Voor instructies over het invoeren van tekens raadpleegt u de volgende pagina. U kunt 1 tot 10 willekeurige tekens gebruiken. de instelling. 4 Verlaat Wanneer u klaar bent, drukt u op de knop . Selecteer [OK] in het bevestigingsvenster en druk op <0> om terug te keren naar het menuscherm. U kunt de bijnaam later wijzigen vanuit het scherm [Algemene inst.] (pag. 88). De cameranaam wordt standaard weergegeven voor de bijnaam.
Een bijnaam opgeven Het virtuele toetsenbord gebruiken Het invoergebied wijzigen Druk op de knop om tussen het bovenste en onderste invoergebied te wisselen. De cursor verplaatsen Druk op de pijltjestoetsen en in het bovenste gebied om de cursor te verplaatsen. Tekst invoeren Druk terwijl de cursor in het onderste invoergebied staat op de pijltjestoetsen of draai aan het instelwiel <6> om een teken te selecteren. Druk vervolgens op <0> om het in te voeren.
Basisbediening en -instellingen De basisbediening voor het gebruik van de draadloze functies van de camera wordt hier beschreven. Volg de procedures hieronder. 1 Selecteer [Wi-Fi/NFC]. Selecteer op het tabblad [53] de optie [Wi-Fi/NFC] en druk vervolgens op <0>. [Inschakelen]. 2 Selecteer Druk op de knop om [Inschakelen] te selecteren en druk vervolgens op <0>. Als er geen bijnaam (ten behoeve van identificatie) is opgegeven, wordt een registratiescherm weergegeven.
Basisbediening en -instellingen de Wi-Fi-functie 4 Selecteer waarmee u verbinding wilt maken. Druk op de pijltjestoetsen en om een item te selecteren. X Als u de verbindingsinstellingen niet hebt vastgelegd, wordt het instelscherm weergegeven. X Als u de verbindingsinstellingen al hebt vastgelegd, wordt het scherm voor opnieuw verbinden weergegeven.
Basisbediening en -instellingen Status draadloze verbinding U kunt de status van de draadloze verbinding controleren op het -lampje van de camera. Verbindingsstatus Verbonden -lampje -lampje Aan Gegevens verzenden Knippert snel Wacht op verbinding/ wacht op nieuwe verbinding Knippert langzaam Verbindingsfout Knippert vrij snel Aandachtspunten bij kabelverbindingen Wanneer [53: Wi-Fi/NFC] is ingesteld op [Inschakelen], is verbinding via een interfacekabel of HDMI-kabel niet mogelijk.
NFC-functie Als u een smartphone met NFC-functie of Connect Station gebruikt, kunt u het volgende doen: Houd een smartphone tegen de camera om deze gemakkelijk draadloos met elkaar te verbinden (pag. 21). Tijdens het afspelen van opnamen op de camera kunt u een smartphone tegen de camera houden om een vastgelegde opname naar de smartphone te verzenden (pag. 32). Houd de camera dicht bij Connect Station (afzonderlijk verkrijgbaar) om deze gemakkelijk draadloos met elkaar te verbinden (pag. 38).
NFC-functie Als u draadloze communicatie tot stand brengt met de NFC-functie, raadpleegt u de volgende pagina’s. Draadloos verbinden met een smartphone: pagina 21* Opnamen naar een smartphone verzenden: pagina 32* Verbinden met Connect Station: pagina 38 * Raadpleeg pagina’s 18 en 20 wanneer u verbinding maakt met een smartphone. Aandachtspunten bij de NFC-functie Deze camera kan geen verbinding maken met andere camera’s met NFC-ondersteuning of printers die gebruikmaken van de NFC-functie.
Voorbereiding voor smartphones Om [q] (Verbinden met smartphone) te gebruiken, hebt u een smartphone met iOS of Android nodig. Daarnaast moet de toepassing Camera Connect (gratis) op de smartphone zijn geïnstalleerd. U kunt Camera Connect downloaden uit de App Store of van Google Play. Raadpleeg de downloadsite van Camera Connect voor informatie over de besturingssysteemversies die door Camera Connect worden ondersteund.
2 Gemakkelijke verbinding met een smartphone Als u de camera met een smartphone verbindt, kunt u het volgende doen: • Bekijk opnamen die op de camera zijn opgeslagen, op een smartphone of sla bekeken opnamen op een smartphone op. • Bedien de camera om opnamen te maken of camerainstellingen te wijzigen met behulp van een smartphone. • Verstuur beelden naar een smartphone vanaf de camera. In dit gedeelte wordt uitgelegd hoe u de camera rechtstreeks met een smartphone verbindt.
Verbindingsmethode Als de smartphone NFC ondersteunt: zie pagina 21. U kunt gemakkelijk verbinding maken via de NFC-functie. Als de smartphone NFC niet ondersteunt: zie pagina 24. Breng een verbinding tot stand door [Gemakkelijke verbinding] te selecteren. Smartphones die zijn voorzien van het symbool p, bieden ondersteuning voor NFC.
Automatisch verbinding maken via de NFC-functie Gebruik de NFC-functie om verbinding tot stand te brengen tussen de camera en een smartphone. De procedure voor verbinding via NFC is als volgt. (1) Schakel de camera en de smartphone in. (2) Schakel de NFC-functie in op de camera en de smartphone. (3) Houd de smartphone tegen de camera om de verbinding tot stand te brengen. Zie pagina 16 voor de NFC-instelling van de camera.
Automatisch verbinding maken via de NFC-functie verbinding met de camera. 3 Maak Wanneer de verbinding tot stand is De apparaatnaam is ingesteld op Camera Connect X X X gebracht, verschijnt het hier links weergegeven scherm op het LCDscherm van de camera. Wanneer u verbinding maakt met dezelfde smartphone, wordt dit scherm niet opnieuw weergegeven. Druk op de knop om het aantal weer te geven opnamen te selecteren. Zie stap 5 op pagina 58 voor aanwijzingen over hoe deze in te stellen.
Automatisch verbinding maken via de NFC-functie Zo nodig kunt u ook “Aandachtspunten bij de NFC-functie” (pag. 17) doornemen. Let goed op dat u de smartphone of de camera niet laat vallen wanneer u ze tegen elkaar houdt. Duw de smartphone niet met kracht tegen de camera. Hierdoor kunnen er krassen op de camera of de smartphone terechtkomen. Als u de smartphone slechts vlak bij het symbool houdt, wordt er mogelijk geen verbinding tot stand gebracht. Het is de bedoeling dat de symbolen elkaar raken.
Verbinding maken met Gemakkelijke verbinding De camera en een smartphone kunnen rechtstreeks met elkaar worden verbonden via een draadloze verbinding. Er is geen toegangspunt nodig, zodat u gemakkelijk een draadloze verbinding tot stand kunt brengen. Om de verbinding tot stand te kunnen brengen, moet u een aantal handelingen op de smartphone uitvoeren. Raadpleeg de instructiehandleiding van de smartphone voor meer informatie. Handelingen op de camera-1 1 Selecteer [Wi-Fi-functie].
Verbinding maken met Gemakkelijke verbinding Handelingen op de smartphone-1 Scherm van smartphone (voorbeeld) Scherm van camera SSID (netwerknaam) vanuit de smartphone 4 Maak verbinding met de camera. Schakel de Wi-Fi-functie van de smartphone in en selecteer de SSID (netwerknaam) die op het LCDscherm van de camera wordt weergegeven. Voer als wachtwoord de encryptiesleutel in die op het LCD-scherm van de camera wordt weergegeven.
Verbinding maken met Gemakkelijke verbinding de camera waarmee 6 Selecteer u verbinding wilt maken op de smartphone. Selecteer en raak de camera waarmee u verbinding wilt maken aan bij [Cameras/Camera’s] in Camera Connect. Handelingen op de camera-2 verbinding met de camera. 7 Maak Wanneer de verbinding tot stand is De apparaatnaam is ingesteld op Camera Connect X X X 26 gebracht, verschijnt het hier links weergegeven scherm op het LCDscherm van de camera.
Verbinding maken met Gemakkelijke verbinding Handelingen op de smartphone-2 de camera met 8 Bedien Camera Connect. Voer verdere handelingen uit via Camera Connect. Zie pagina 28. De instellingen voor verbinding met een smartphone zijn nu geconfigureerd. Als u meerdere verbindingsinstellingen wilt vastleggen, raadpleegt u pag. 60. Op het instellingenscherm van Camera Connect kunt u de apparaatnaam weergeven en wijzigen.
De camera met een smartphone bedienen Met een smartphone waarop Camera Connect is geïnstalleerd, kunt u opnamen bekijken die op de camera zijn opgeslagen en de camera op afstand bedienen om foto’s te maken. Het hoofdvenster van Camera Connect Hier volgt een beschrijving van de belangrijkste functies van Camera Connect. Raak het scherm aan om de bedieningsprocedures te leren. [Images on camera/Opnamen op camera] Opnamen op de camera kunnen worden bekeken.
De camera met een smartphone bedienen De verbinding verbreken U kunt de verbinding op een van de volgende manieren verbreken. Tik op het Camera Connectscherm van de smartphone op [t]. Schakel de camera uit <2>. Tijdens de verbinding kan er geen opname worden gemaakt, ook al drukt u de ontspanknop helemaal in. Bij opnamen op afstand wordt de AF-snelheid mogelijk minder. Afhankelijk van de verbindingsstatus wordt de beeldweergave of sluiter trager dan anders.
Opnieuw verbinding maken De camera kan opnieuw verbinding maken met een smartphone waarvoor de verbindingsinstellingen zijn vastgelegd. 1 Selecteer [Wi-Fi-functie]. Stel op het tabblad [53] de optie [Wi-Fi/NFC] in op [Inschakelen] en selecteer vervolgens [Wi-Fi-functie]. [q]. 2 Selecteer Selecteer [q] (Verbinden met smartphone) en druk op <0>. [Verbinden]. 3 Selecteer Wanneer er instellingen voor meerdere verbindingsdoelen zijn vastgelegd, selecteert u [Kies instell.
Opnieuw verbinding maken de Wi-Fi-functie van 4 Activeer de smartphone. Als de bestemmingsinstelling is gewijzigd, herstelt u deze om verbinding te kunnen maken met de camera. Camera Connect op 5 Start de smartphone. Er wordt verbinding tot stand gebracht. Als u opnieuw verbinding wilt maken en de SSID van de camera niet kent, selecteert u [Bekijk/wijzig instellingen] in stap 3 om de SSID op te zoeken (pag. 85).
Gemakkelijke beeldoverdracht via de NFC-functie Tijdens het afspelen van opnamen op de camera kunt u een smartphone die ondersteuning biedt voor NFC tegen de camera houden om een vastgelegde opname naar de smartphone te verzenden. Als er al een draadloze verbinding tot stand is gebracht, beëindigt u die verbinding en speelt u de opname af op de camera. Stel de camera van tevoren in op gebruik van de NFC-functie (pag. 16).
Gemakkelijke beeldoverdracht via de NFC-functie de opnamen die 4 Selecteer u wilt overbrengen. U kunt opnamen selecteren en verzenden. Wanneer de indexweergave is geselecteerd in stap 2, verschijnt het selectiescherm voor meerdere beelden. Zie stap 3 op pagina 34. Afzonderlijke opnamen overbrengen U kunt opnamen afzonderlijk selecteren en verzenden. 1 Selecteer een opname die u wilt verzenden. Druk op de pijltjestoetsen en om de gewenste opname te selecteren en druk vervolgens op <0>.
Gemakkelijke beeldoverdracht via de NFC-functie Geselecteerde opnamen overbrengen U kunt meerdere opnamen tegelijk selecteren en verzenden. Als het selectiescherm voor meerdere beelden wordt weergegeven, voert u de bewerking uit vanaf stap 3. 1 Druk op <0>. [Gesel. verz.]. 2 Selecteer Als u het formaat voor de te verzenden opnamen wilt kiezen, selecteert u [Beeldf. wijz.] en drukt u op <0>. Selecteer [Gesel. verz.] en druk op <0>. de opnamen die 3 Selecteer u wilt overbrengen.
Gemakkelijke beeldoverdracht via de NFC-functie [Beeldf. wijz.]. 4 Selecteer Stel deze in als dit nodig is. Selecteer op het weergegeven scherm een beeldformaat en druk vervolgens op <0>. [Verzend.]. 5 Selecteer De geselecteerde opnamen worden verzonden. Wanneer de overdracht is voltooid, wordt het scherm van stap 1 weer weergegeven. Als u daarna nog meer opnamen wilt verzenden, herhaalt u stap 1 t/m 5.
Gemakkelijke beeldoverdracht via de NFC-functie De verbinding verbreken Om de beeldoverdracht te beëindigen, drukt u op de knop op het scherm voor beeldoverdracht. Selecteer [OK] in het bevestigingsvenster om de verbinding te verbreken. Zo nodig kunt u ook “Aandachtspunten bij de NFC-functie” (pag. 17) doornemen. Tijdens de verbinding kan er geen opname worden gemaakt, ook al drukt u de ontspanknop helemaal in.
3 Gemakkelijke verbinding met Connect Station Connect Station (afzonderlijk verkrijgbaar) is een apparaat waarmee u foto’s en movies kunt importeren om ze te bekijken op uw televisie, smartphone, enzovoort of om ze via een netwerk te delen. U kunt foto’s en movies makkelijk op Connect Station opslaan door deze camera tegen Connect Station te houden.
Opnamen opslaan In dit gedeelte wordt uitgelegd hoe u een draadloze verbinding tussen de camera en Connect Station (afzonderlijk verkrijgbaar) tot stand kunt brengen. Als u opnamen op een andere manier wilt opslaan, raadpleegt u de instructiehandleiding voor Connect Station. Stel de camera van tevoren in op gebruik van de NFC-functie (pag. 16). de NFC-functie in op 1 Schakel de camera (pag. 16). de camera tegen 2 Houd Connect Station.
Opnamen opslaan Zo nodig kunt u ook “Aandachtspunten bij de NFC-functie” (pag. 17) doornemen. Tijdens het opslaan van beelden kan er geen opname worden gemaakt, ook al drukt u de ontspanknop helemaal in. Laat de camera niet op Connect Station vallen en duw de camera niet met kracht tegen Connect Station. De interne vaste schijf van Connect Station zou hierdoor beschadigd kunnen raken.
4 Wi-Fi-verbinding met een smartphone In dit gedeelte wordt voornamelijk uitgelegd hoe u de camera met een smartphone kunt verbinden via een Wi-Fi-toegangspunt. Installeer Camera Connect op de smartphone voordat u een verbinding tot stand brengt (pag. 18). Volg deze instructies pas nadat de smartphone met een Wi-Fi-toegangspunt is verbonden. Voor informatie over instellingen en configuratie raadpleegt u de documentatie van het desbetreffende toestel of neemt u contact op met de fabrikant.
Het type toegangspunt controleren Controleer ten eerste of het toegangspunt ondersteuning biedt voor WPS*, waarmee u een gemakkelijke verbinding tussen Wi-Fi-apparaten tot stand kunt brengen. Als u niet weet of het gebruikte toegangspunt WPS-compatibel is, raadpleegt u de instructiehandleiding of andere documentatie die bij het toegangspunt hoort. * Wi-Fi Protected Setup Als WPS wordt ondersteund De volgende twee verbindingsmethoden zijn beschikbaar.
Verbinding maken via WPS (PBC-modus) Deze verbindingsmodus is beschikbaar bij gebruik van een toegangspunt dat compatibel is met WPS. In de PBC-modus (Push Button Connection) kunt u de camera met het toegangspunt verbinden door eenvoudig op de WPS-knop van het toegangspunt te drukken. Als er meerdere toegangspunten in de buurt actief zijn, kan het lastiger zijn om een verbinding tot stand te brengen. Probeer in dat geval verbinding te maken via [WPS (PIN-modus)].
Verbinding maken via WPS (PBC-modus) [Verbind via WPS]. 4 Selecteer Selecteer [Verbind via WPS] en druk op <0>. [WPS (PBC-modus)]. 5 Selecteer Selecteer [WPS (PBC-modus)] en druk op <0>. Selecteer [OK] en druk op <0> om naar het volgende scherm te gaan. verbinding met 6 Maak het toegangspunt. Druk op de WPS-knop van het toegangspunt. Voor informatie over waar u de knop vindt en hoe lang u deze moet indrukken, raadpleegt u de instructiehandleiding van het toegangspunt.
Verbinding maken via WPS (PIN-modus) Deze verbindingsmodus is beschikbaar bij gebruik van een toegangspunt dat compatibel is met WPS. Bij de verbindingsmethode met PIN-code (PIN-modus) wordt er een 8-cijferig identificatienummer dat op de camera is opgegeven, op het toegangspunt ingesteld om verbinding tot stand te brengen. Zelfs als er in de omgeving meerdere toegangspunten actief zijn, kan er met dit gedeelde identificatienummer een relatief betrouwbare verbinding tot stand worden gebracht.
Verbinding maken via WPS (PIN-modus) [Verbind via WPS]. 4 Selecteer Selecteer [Verbind via WPS] en druk op <0>. [WPS (PIN-modus)]. 5 Selecteer Selecteer [WPS (PIN-modus)] en druk op <0>. Selecteer [OK] en druk op <0> om naar het volgende scherm te gaan. bij het toegangspunt de 6 Geef PIN-code op. Voer bij het toegangspunt de 8-cijferige PIN-code in die op het LCD-scherm van de camera wordt weergegeven.
Verbinding maken via WPS (PIN-modus) verbinding met 7 Maak het toegangspunt. Selecteer [OK] en druk op <0> om verbinding met het toegangspunt te maken. X Wanneer er een verbinding met het toegangspunt tot stand is gebracht, wordt het scherm voor IPadresinstelling weergegeven. Zie pagina 51 voor daaropvolgende handelingen.
Handmatig verbinding maken met een gedetecteerd netwerk Breng een verbinding tot stand door de SSID (of ESS-ID) van het toegangspunt waarmee u verbinding wilt maken, te selecteren in een lijst met actieve toegangspunten in de buurt. Het toegangspunt selecteren 1 Selecteer [Wi-Fi-functie]. Stel op het tabblad [53] de optie [Wi-Fi/NFC] in op [Inschakelen] en selecteer vervolgens [Wi-Fi-functie]. [q]. 2 Selecteer Selecteer [q] (Verbinden met smartphone) en druk op <0>.
Handmatig verbinding maken met een gedetecteerd netwerk (1) (2) (3) een toegangspunt. 4 Selecteer Druk op de pijltjestoetsen om het toegangspunt waarmee u verbinding wilt maken te selecteren in een lijst met actieve toegangspunten en druk vervolgens op <0>.
Handmatig verbinding maken met een gedetecteerd netwerk De encryptiesleutel voor het toegangspunt invoeren Stel de encryptiesleutel (wachtwoord) in die voor het toegangspunt is gespecificeerd. Voor informatie over de gespecificeerde encryptiesleutel raadpleegt u de instructiehandleiding van het toegangspunt. De schermen die in stap 5 t/m 7 hieronder zijn weergegeven, variëren afhankelijk van de verificatie en encryptie van het toegangspunt. Ga naar pagina 51l as het scherm [Inst.
Verbinding maken met een smartphone Deze instructies bouwen voort op pagina’s 43 – 50. Om de verbinding tot stand te kunnen brengen, moet u een aantal handelingen op de smartphone uitvoeren. Raadpleeg de instructiehandleiding van de smartphone voor meer informatie. Handelingen op de camera-1 1 Selecteer [Autom. instellen]. Selecteer [Autom. instellen] en druk op <0>. Selecteer [OK] en druk op <0> om naar het volgende scherm te gaan. Als [Autom.
Verbinding maken met een smartphone de camera waarmee 3 Selecteer u verbinding wilt maken op de smartphone. Selecteer en raak de camera waarmee u verbinding wilt maken aan bij [Cameras/ Camera’s] in Camera Connect. Als er meerdere camera’s worden weergegeven, identificeert u de camera waarmee u verbinding wilt maken op basis van het MAC-adres dat op het LCD-scherm van de camera wordt weergegeven. Handelingen op de camera-2 verbinding met de camera.
Verbinding maken met een smartphone Handelingen op de smartphone-2 de camera met 5 Bedien Camera Connect. Voer verdere handelingen uit via Camera Connect. Zie pagina 54. De instellingen voor verbinding met een smartphone zijn nu geconfigureerd. Camera access point modus Camera access point modus is een verbindingsmodus om de camera rechtstreeks met elk apparaat te verbinden. In de camera access point modus zijn de volgende twee verbindingsmethoden beschikbaar.
De camera met een smartphone bedienen Met een smartphone waarop Camera Connect is geïnstalleerd, kunt u opnamen bekijken die op de camera zijn opgeslagen en de camera op afstand bedienen om foto’s te maken. Het hoofdvenster van Camera Connect Hier volgt een beschrijving van de belangrijkste functies van Camera Connect. Raak het scherm aan om de bedieningsprocedures te leren. [Images on camera/Opnamen op camera] Opnamen op de camera kunnen worden bekeken.
De camera met een smartphone bedienen De verbinding verbreken U kunt de verbinding op een van de volgende manieren verbreken. Tik op het Camera Connectscherm van de smartphone op [t]. Schakel de camera uit <2>. Tijdens de verbinding kan er geen opname worden gemaakt, ook al drukt u de ontspanknop helemaal in. Bij opnamen op afstand wordt de AF-snelheid mogelijk minder. Afhankelijk van de verbindingsstatus wordt de beeldweergave of sluiter trager dan anders.
Opnieuw verbinding maken De camera kan opnieuw verbinding maken met een smartphone waarvoor de verbindingsinstellingen zijn vastgelegd. 1 Selecteer [Wi-Fi-functie]. Stel op het tabblad [53] de optie [Wi-Fi/NFC] in op [Inschakelen] en selecteer vervolgens [Wi-Fi-functie]. [q]. 2 Selecteer Selecteer [q] (Verbinden met smartphone) en druk op <0>. [Verbinden]. 3 Selecteer Wanneer er instellingen voor meerdere verbindingsdoelen zijn vastgelegd, selecteert u [Kies instell.
Opnamen voor weergave opgeven U kunt op de camera instellen welke opnamen er op de smartphone worden weergegeven. Opnamen kunnen zowel tijdens de verbindingsinstelling als na beëindiging van de verbinding worden opgegeven. 1 Selecteer [Wi-Fi-functie]. Stel op het tabblad [53] de optie [Wi-Fi/NFC] in op [Inschakelen] en selecteer vervolgens [Wi-Fi-functie]. [q]. 2 Selecteer Selecteer [q] (Verbinden met smartphone) en druk op <0>. [Bekijk/wijzig 3 Selecteer instellingen].
Opnamen voor weergave opgeven [Weerg. beelden]. 4 Selecteer Selecteer [Weerg. beelden] en druk op <0>. een item. 5 Selecteer Selecteer een item en druk op <0>. Selecteer [OK] en druk op <0> om het instellingenscherm weer te geven. [Alle beelden] Alle opnamen op de geheugenkaart kunnen worden weergegeven. [Beelden v. afgelopen dagen] Geef op basis van de datum aan welke opnamen kunnen worden weergegeven. Dit kan tot negen dagen terug. Selecteer een item en druk op <0>. Wanneer [Afgel. dgn gem.
Opnamen voor weergave opgeven [Selecteer op classificatie] Specificeer welke opnamen kunnen worden weergegeven op basis van de (al dan niet) toegekende classificatie of het type classificatie. Selecteer een classificatie en druk op <0> om te specificeren welke opnamen kunnen worden weergegeven. [Bestandsnummerreeks] (Select. reeks) Eerste opname Laatste opname Selecteer de eerste en laatste weer te geven opname van de reeks opnamen die op bestandsnummer zijn gesorteerd.
Instellingen voor meerdere verbindingen vastleggen U kunt maximaal drie instellingen voor verbinding met smartphones vastleggen. 1 Selecteer [Wi-Fi-functie]. Stel op het tabblad [53] de optie [Wi-Fi/NFC] in op [Inschakelen] en selecteer vervolgens [Wi-Fi-functie]. [q]. 2 Selecteer Selecteer [q] (Verbinden met smartphone) en druk op <0>. [Kies instell.]. 3 Selecteer Selecteer [Kies instell.] en druk op <0>. [SET* (niet 4 Selecteer geconfigureerd)].
5 Wi-Fi-verbinding met een webservice U kunt diverse webservices op de camera registreren en daar opnamen naartoe sturen.
Voorbereiding voor webservices Aanmelden als lid van CANON iMAGE GATEWAY Als u opnamen naar webservices wilt kunnen sturen, dient u lid te worden van CANON iMAGE GATEWAY (gratis). Wanneer u CANON iMAGE GATEWAY-lid bent, kunt u de gemaakte foto’s in online albums publiceren en van een reeks services gebruikmaken. Deze website fungeert ook als platform voor het delen van opnamen op geregistreerde webservices.
Voorbereiding voor webservices Instellingen voor het gebruik van webservices configureren Start EOS Utility op de computer, meld u aan bij CANON iMAGE GATEWAY en configureer de instellingen op de camera voor toegang tot webservices. Raadpleeg de EOS Utility instructiehandleiding voor meer informatie. Raadpleeg de Camera-instructiehandleiding om te weten te komen hoe u EOS Utility en de EOS Utility instructiehandleiding kunt verkrijgen.
Het type toegangspunt controleren Controleer ten eerste of het toegangspunt ondersteuning biedt voor WPS*, waarmee u een gemakkelijke verbinding tussen Wi-Fi-apparaten tot stand kunt brengen. Als u niet weet of het gebruikte toegangspunt WPS-compatibel is, raadpleegt u de instructiehandleiding of andere documentatie die bij het toegangspunt hoort. * Wi-Fi Protected Setup Als WPS wordt ondersteund De volgende twee verbindingsmethoden zijn beschikbaar.
Verbinding maken via WPS (PBC-modus) Deze verbindingsmodus is beschikbaar bij gebruik van een toegangspunt dat compatibel is met WPS. In de PBC-modus (Push Button Connection) kunt u de camera met het toegangspunt verbinden door eenvoudig op de WPS-knop van het toegangspunt te drukken. Als er meerdere toegangspunten in de buurt actief zijn, kan het lastiger zijn om een verbinding tot stand te brengen. Probeer in dat geval verbinding te maken via [WPS (PIN-modus)].
Verbinding maken via WPS (PBC-modus) een webservice. 3 Selecteer Selecteer een webservice waarmee X u verbinding wilt maken en druk vervolgens op <0>. De inhoud en volgorde van de lijst kunnen afhankelijk van de instellingen variëren. De webservice waarmee u verbinding maakt, kan worden gewijzigd wanneer u opnieuw verbinding maakt (pag. 80). Het -lampje van de camera knippert. Afhankelijk van de geselecteerde webservice wordt het scherm [Verzenden naar] weergegeven.
Verbinding maken via WPS (PBC-modus) verbinding met het 6 Maak toegangspunt. Druk op de WPS-knop van het toegangspunt. Voor informatie over waar u de knop vindt en hoe lang u deze moet indrukken, raadpleegt u de instructiehandleiding van het toegangspunt. Selecteer [OK] en druk op <0> om verbinding met het toegangspunt te maken. X Wanneer er verbinding met het toegangspunt tot stand is gebracht, wordt het volgende scherm weergegeven. [Autom. instellen]. 7 Selecteer Selecteer [Autom.
Verbinding maken via WPS (PIN-modus) Deze verbindingsmodus is beschikbaar bij gebruik van een toegangspunt dat compatibel is met WPS. Bij de verbindingsmethode met PIN-code (PIN-modus) wordt er een 8-cijferig identificatienummer dat op de camera is opgegeven, op het toegangspunt ingesteld om verbinding tot stand te brengen. Zelfs als er in de omgeving meerdere toegangspunten actief zijn, kan er met dit gedeelde identificatienummer een relatief betrouwbare verbinding tot stand worden gebracht.
Verbinding maken via WPS (PIN-modus) [Verbind via WPS]. 4 Selecteer Selecteer [Verbind via WPS] en druk op <0>. [WPS (PIN-modus)]. 5 Selecteer Selecteer [WPS (PIN-modus)] en druk op <0>. Selecteer [OK] en druk op <0> om naar het volgende scherm te gaan. bij het toegangspunt de 6 Geef PIN-code op. Voer bij het toegangspunt de 8-cijferige PIN-code in die op het LCD-scherm van de camera wordt weergegeven.
Verbinding maken via WPS (PIN-modus) [Autom. instellen]. 8 Selecteer Selecteer [Autom. instellen] en druk op <0>. Selecteer [OK] en druk op <0> om een beeld op de kaart weer te geven. X Het -lampje van de camera licht groen op. Als [Autom. instellen] een fout oplevert of als u de instellingen handmatig wilt opgeven, raadpleegt u pagina 106. de opname(n) die 9 Selecteer u wilt overbrengen. U kunt opnamen selecteren en verzenden. Voor meer informatie over het verzenden van opnamen, zie pagina 76.
Handmatig verbinding maken met een gedetecteerd netwerk Breng een verbinding tot stand door de SSID (of ESS-ID) van het toegangspunt waarmee u verbinding wilt maken, te selecteren in een lijst met actieve toegangspunten in de buurt. Het toegangspunt selecteren 1 Selecteer [Wi-Fi-functie]. Stel op het tabblad [53] de optie [Wi-Fi/NFC] in op [Inschakelen] en selecteer vervolgens [Wi-Fi-functie]. [m]. 2 Selecteer Selecteer [m] (Uploaden naar webservice) en druk op <0>. een webservice.
Handmatig verbinding maken met een gedetecteerd netwerk (1) (2) (3) een toegangspunt. 4 Selecteer Druk op de pijltjestoetsen om het toegangspunt waarmee u verbinding wilt maken te selecteren in een lijst met actieve toegangspunten en druk vervolgens op <0>.
Handmatig verbinding maken met een gedetecteerd netwerk De encryptiesleutel voor het toegangspunt invoeren Stel de encryptiesleutel (wachtwoord) in die voor het toegangspunt is gespecificeerd. Voor informatie over de gespecificeerde encryptiesleutel raadpleegt u de instructiehandleiding van het toegangspunt. De schermen die in stap 5 t/m 7 hieronder zijn weergegeven, variëren afhankelijk van de verificatie en encryptie van het toegangspunt. Als het scherm [Inst.
Handmatig verbinding maken met een gedetecteerd netwerk Het IP-adres instellen [Autom. instellen]. 8 Selecteer Selecteer [Autom. instellen] en druk op <0>. Selecteer [OK] en druk op <0> om een beeld op de kaart weer te geven. X Het -lampje van de camera licht groen op. Als [Autom. instellen] een fout oplevert of als u de instellingen handmatig wilt opgeven, raadpleegt u pagina 106. de opname(n) die 9 Selecteer u wilt overbrengen. U kunt opnamen selecteren en verzenden.
Handmatig verbinding maken met een gedetecteerd netwerk Verzenden naar Er wordt mogelijk een scherm weergegeven om een bestemming te selecteren afhankelijk van het type of de instellingen van de webservice die u selecteert. Het registreren van bestemmingen of het opgeven van instellingen dient op een computer te gebeuren. Raadpleeg de EOS Utility instructiehandleiding voor meer informatie.
Opnamen naar een webservice versturen U kunt opnamen met uw familie en vrienden delen door deze vanaf de camera naar een op de camera geregistreerde webservice te sturen of door koppelingen naar de online albums te versturen. Afzonderlijke opnamen overbrengen U kunt opnamen afzonderlijk selecteren en verzenden. 1 Selecteer een opname die u wilt verzenden. Druk op de pijltjestoetsen en om de gewenste opname te selecteren en druk vervolgens op <0>.
Opnamen naar een webservice versturen Wanneer het scherm met de [Gebruiksvoorwaarden] wordt weergegeven, leest u het bericht zorgvuldig en selecteert u [Akkoord]. Druk op de pijltjestoetsen en om omhoog en omlaag te bladeren door het scherm. Geselecteerde opnamen overbrengen U kunt meerdere opnamen tegelijk selecteren en verzenden. 1 Druk op <0>. [Gesel. verz.]. 2 Selecteer Als u het formaat voor de te verzenden opnamen wilt kiezen, selecteert u [Beeldf. wijz.] en drukt u op <0>.
Opnamen naar een webservice versturen [Beeldf. wijz.]. 4 Selecteer Stel deze in als dit nodig is. Wanneer YouTube als bestemming is geselecteerd, wordt [Beeldf. wijz.] niet weergegeven. Selecteer op het weergegeven scherm een beeldformaat en druk vervolgens op <0>. [Verzend.]. 5 Selecteer Selecteer [Verzend.] en druk op <0>. X De geselecteerde opnamen worden verzonden.
Opnamen naar een webservice versturen Tijdens de verbinding met een webservice kan er geen opname worden gemaakt, ook al drukt u de ontspanknop helemaal in. RAW-opnamen kunnen niet worden verzonden. Wanneer u een opname naar een andere webservice dan CANON iMAGE GATEWAY verzendt, wordt soms een verzendfoutmelding niet weergegeven, zelfs niet wanneer het verzenden van de webservice is mislukt. U kunt dergelijke fouten controleren op de CANON iMAGE GATEWAY-site.
Opnieuw verbinding maken De camera kan opnieuw verbinding maken met een webservice waarvoor de verbindingsinstellingen zijn vastgelegd. De verbinding met het toegangspunt hoeft slechts eenmaal tot stand te worden gebracht. U hoeft niet voor elke webservice opnieuw een verbinding tot stand te brengen. 1 Selecteer [Wi-Fi-functie]. Stel op het tabblad [53] de optie [Wi-Fi/NFC] in op [Inschakelen] en selecteer vervolgens [Wi-Fi-functie]. [m].
Instellingen voor meerdere verbindingen vastleggen U kunt maximaal drie instellingen voor verbinding met webservices vastleggen. 1 Selecteer [Wi-Fi-functie]. Stel op het tabblad [53] de optie [Wi-Fi/NFC] in op [Inschakelen] en selecteer vervolgens [Wi-Fi-functie]. [m]. 2 Selecteer Selecteer [m] (Uploaden naar webservice) en druk op <0>. een webservice. 3 Selecteer Selecteer een webservice en druk op <0>. X Wanneer het scherm [Verzenden naar] (pag.
6 Verbindingsinstellingen controleren en bedienen In dit gedeelte wordt uitgelegd hoe u de verbindingsinstellingen kunt controleren of wijzigen, hoe u de instellingen kunt verwijderen, hoe u de instellingen voor de draadloze functie kunt wissen enzovoort.
Verbindingsinstellingen controleren, wijzigen of verwijderen Instellingen die op de camera zijn opgeslagen, kunt u controleren, wijzigen en verwijderen. Verbreek de verbinding en voer de bewerking vervolgens uit. 1 Selecteer [Wi-Fi-functie]. Stel op het tabblad [53] de optie [Wi-Fi/NFC] in op [Inschakelen] en selecteer vervolgens [Wi-Fi-functie]. het item waarvoor u de 2 Selecteer instellingen wilt bekijken. Selecteer een item en druk op <0>.
Verbindingsinstellingen controleren, wijzigen of verwijderen of wijzig 4 Controleer de instellingen. Selecteer een item en druk op <0>. Controleer of wijzig vervolgens de instellingen die op het scherm verschijnen. [Wijzig inst.] Wijzig de instellingen. Wanneer u [Wijzig inst.] selecteert, wordt er een scherm weergegeven waarin u verbindingsinstellingen kunt configureren. Configureer de verbindingsinstellingen weer aan de hand van de aanwijzingen op het scherm. [Wijzig naam instell.
Verbindingsinstellingen controleren, wijzigen of verwijderen Instellingen verwijderen Selecteer [Verwijder instellingen] in stap 3 op pagina 84 om verbindingsinstellingen te verwijderen die op de camera zijn opgeslagen. 1 Selecteer [Verwijder instellingen]. Selecteer [Verwijder instellingen] en druk op <0>. de instellingen die 2 Selecteer u wilt verwijderen. Selecteer de instelling die u wilt verwijderen en druk op <0>. Selecteer [OK] in het bevestigingsvenster om de instelling te verwijderen.
Wi-Fi-functie-instellingen wissen Verwijder alle instellingen voor [Wi-Fi-functie]. U kunt voorkomen dat anderen aan de haal gaan met de informatie die is ingesteld met [Wi-Fi-functie] wanneer u de camera uitleent. 1 Selecteer [Wi-Fi-functie]. Stel op het tabblad [53] de optie [Wi-Fi/NFC] in op [Inschakelen] en selecteer vervolgens [Wi-Fi-functie]. op de knop . 2 Druk X Het algemene instellingenscherm wordt weergegeven. [Wi-Fi-instellingen 3 Selecteer wissen].
Wi-Fi-functie-instellingen wissen Het scherm Algemene instellingen Op het scherm [Algemene inst.], dat in stap 3 op de vorige pagina wordt weergegeven, kunt u de draadloze instellingen controleren en wijzigen. [Bijnaam bewerken] De bijnaam bewerken. Selecteer [Bijnaam bewerken] en voer de gewenste bijnaam in met het virtuele toetsenbord (pag. 12). [Foutdetails] Deze optie is beschikbaar wanneer zich een verbindingsfout voordoet.
7 Problemen oplossen 89
Reageren op foutmeldingen Wanneer zich een verbindingsfout voordoet, kunt u op de volgende manieren meer informatie over de fout weergeven. Verhelp vervolgens de oorzaak van de fout aan de hand van de voorbeelden in dit hoofdstuk. Selecteer [53: Wi-Fi-functie] 9 [Algemene inst.] 9 [Foutdetails] en druk vervolgens op <0>. Klik in het overzicht hieronder op de pagina die bij het foutnummer is vermeld om naar de desbetreffende pagina te gaan. 11 (pag. 91) 12 (pag. 91) 21 (pag. 92) 22 (pag. 93) 23 (pag.
Reageren op foutmeldingen 11: Verb.doel niet gevonden Controleer in het geval van [q] of Camera Connect wordt uitgevoerd. X Maak verbinding met behulp van Camera Connect (pag. 25 en 51). Zijn de camera en het toegangspunt zo ingesteld dat ze dezelfde encryptiesleutel voor de verificatie gebruiken? X Deze fout doet zich voor als er verschillende encryptiesleutels worden gebruikt en de verificatiemethode voor de encryptie is ingesteld op [Open systeem].
Reageren op foutmeldingen 21: Geen adres toegewezen door DHCP server Controleren op de camera Het IP-adres op de camera is ingesteld op [Autom. instellen]. Is dit de juiste instelling? X Als u geen DHCP-server gebruikt, stelt u het IP-adres op de camera in op [Handm. Instellen] en configureert u vervolgens de instellingen (pag. 108). Controleren op de DHCP-server Is de DHCP-server ingeschakeld? X Schakel de DHCP-server in.
Reageren op foutmeldingen 22: Geen respons van DNS server Controleren op de camera Komt het IP-adres van de DNS-server op de camera overeen met het werkelijke IP-adres van de DNS-server? X Stel het IP-adres in op [Handm. Instellen]. Stel vervolgens op de camera het IP-adres van de gebruikte DNS-server in (pag. 103 en 108). Controleren op de DNS-server Is de DNS-server ingeschakeld? X Schakel de DNS-server in.
Reageren op foutmeldingen 23: Device met zelfde IP-adres bestaat op gesel. netwerk Controleren op de camera Gebruikt een ander apparaat in het cameranetwerk hetzelfde IP-adres als de camera? X Wijzig het IP-adres van de camera om te voorkomen dat twee apparaten hetzelfde adres gebruiken. U kunt ook het IP-adres van het andere apparaat met het dubbele adres wijzigen. X Als het IP-adres van de camera in een netwerkomgeving met een DHCP-server is ingesteld op [Handm.
Reageren op foutmeldingen 61: Geselect. SSID wireless LAN network niet gevonden Zijn er obstakels tussen de camera en de antenne van het toegangspunt? X Verplaats de antenne van het toegangspunt zo dat deze duidelijk te zien is vanaf het punt waar u de camera gebruikt (pag. 101). Controleren op de camera Zijn de SSID-instelling van de camera en die van het toegangspunt hetzelfde? X Controleer de SSID van het toegangspunt en stel de SSID op de camera overeenkomstig in (pag. 49 en 72).
Reageren op foutmeldingen 63: Wireless LAN-verificatiefout Zijn de camera en het toegangspunt zo ingesteld dat ze dezelfde verificatiemethode gebruiken? X De camera ondersteunt de volgende verificatiemethoden: [Open systeem], [Shared Key] en [WPA/WPA2-PSK] (pag. 42, 64).
Reageren op foutmeldingen 65: Wireless LAN-verbinding verbroken Zijn er obstakels tussen de camera en de antenne van het toegangspunt? X Verplaats de antenne van het toegangspunt zo dat deze duidelijk te zien is vanaf het punt waar u de camera gebruikt (pag. 101). De draadloze verbinding is om een of andere reden verbroken en kan niet worden hersteld.
Reageren op foutmeldingen 68: Kan niet verbinden met wireless LAN-terminal. Start opnieuw. Hebt u de WPS-knop (Wi-Fi Protected Setup) op het toegangspunt lang genoeg ingedrukt? X Houd de WPS-knop zo lang ingedrukt als in de instructiehandleiding van het toegangspunt staat beschreven. Probeert u verbinding te maken in de buurt van het toegangspunt? X Probeer verbinding te maken wanneer beide apparaten zich binnen elkaars bereik bevinden. 69: Meerdere wireless LAN-terminals gevonden.
Reageren op foutmeldingen 123: Kan niet aanmelden bij webservice. Maak verbinding met een computer en corrigeer de instellingen met de EOS-software. Is registratie-informatie van de camera of de op de camera geregistreerde webservice verwijderd uit CANON iMAGE GATEWAY? X Sluit de camera op uw computer aan met een interfacekabel en configureer de instellingen van de webservice met EOS Utility (pag. 63). 124: Ongeldig SSL-certificaat.
Problemen oplossen Raadpleeg bij problemen met de camera eerst dit gedeelte Problemen oplossen. Als u het probleem hiermee niet kunt oplossen, neem dan contact op met uw dealer of Canon Service Center. Kan geen gebruikmaken van een apparaat dat via een kabel is aangesloten. Wanneer [53: Wi-Fi/NFC] is ingesteld op [Inschakelen], is verbinding via een interfacekabel of HDMI-kabel niet mogelijk. Stel [53: Wi-Fi/NFC] in op [Uitschakelen] voordat u een kabel aansluit.
Opmerkingen over de draadloze functie Als de transmissiesnelheid afneemt, de verbinding wordt verbroken of andere problemen optreden bij het gebruik van de draadloze functies, kunt u de volgende suggesties voor oplossingen proberen. Installatielocatie van het toegangspunt en de antenne Bij gebruik binnenshuis installeert u het apparaat in de ruimte waar u de camera gebruikt. Plaats het apparaat hoger dan de camera.
Opmerkingen over de draadloze functie Beveiliging Als de beveiligingsinstellingen niet correct zijn ingesteld, kunnen de volgende problemen optreden. Bekijken van de overdracht Derden met slechte bedoelingen kunnen Wireless LANoverdrachten opsporen en proberen om de gegevens op te halen die u verzendt. Ongeoorloofde netwerktoegang Derden met slechte bedoelingen kunnen ongeoorloofde toegang krijgen tot het netwerk dat u gebruikt en informatie stelen, wijzigen of vernietigen.
Netwerkinstellingen controleren Windows Open de [Opdrachtprompt] van Windows, typ ipconfig/all en druk op de -toets. Het IP-adres dat aan de computer is toegewezen wordt samen met het subnetmasker, de gateway en de DNS-serverinformatie weergegeven. Mac OS Open in Mac OS X de toepassing [Terminal], typ ifconfig -a en druk op . Het IP-adres dat aan de computer is toegewezen, staat onder [en0] bij het item [inet], in de indeling ***.***.***.***.
8 Referentie 105
Het netwerk handmatig instellen U kunt de netwerkinstellingen voor de Camera access point modus handmatig instellen. Stel [SSID], [Kanaal instelling] en [Encryptie instellingen] in op de schermen die worden weergegeven. 1 Selecteer [Handmatige verbinding]. Selecteer [Handmatige verbinding] en druk op <0>. Selecteer [OK] en druk op <0> om naar het volgende scherm te gaan. een SSID (netwerknaam) in. 2 Voer Voer de gewenste tekens in met het virtuele toetsenbord (pag. 12).
Het netwerk handmatig instellen de gewenste 4 Selecteer encryptie-instelling. Selecteer een item en druk op <0>. Voor encryptie selecteert u [AES]. Selecteer [OK] en druk op <0>. Wanneer [AES] is geselecteerd, wordt het virtuele toetsenbord (pag. 12) weergegeven. Voer een willekeurige encryptiesleutel van acht tekens in en druk op de knop om de sleutel in te stellen. X De ingestelde SSID en encryptiesleutel worden weergegeven.
Het IP-adres handmatig instellen Stel de IP-adresinstellingen handmatig in. De weergegeven items kunnen variëren. Dit is afhankelijk van de Wi-Fi-functie. 1 Selecteer [Handm. Instellen]. Selecteer [Handm. Instellen] en druk vervolgens op <0>. Selecteer [OK] en druk op <0> om naar het volgende scherm te gaan. het item dat 2 Selecteer u wilt instellen. Selecteer een item en druk op <0>. Het invoerscherm voor cijfers wordt weergegeven. Als u een gateway wilt gebruiken, selecteert u [Gebr.
Het IP-adres handmatig instellen [OK]. 4 Selecteer Wanneer u alle nodige items hebt ingesteld, selecteert u [OK] en drukt u op <0>. X Het instellingenscherm voor de Wi-Fifunctie wordt weergegeven. Indien u niet zeker weet wat u moet invoeren, raadpleegt u de pagina “Netwerkinstellingen controleren” (pag. 103) of vraagt u de netwerkbeheerder of een andere persoon die kennis van het netwerk heeft om hulp.
Specificaties 9Draadloze communicatie Compatibiliteit met standaarden: Overdrachtsmethode: IEEE 802.11b/g/n DS-SS-modulatie (IEEE 802.11b) OFDM-modulatie (IEEE 802.
Aandachtspunten bij Wi-Fi (Wireless LAN) 9Landen en regio’s die het gebruik van Wireless LAN toestaan Het gebruik van Wireless LAN is in bepaalde landen en regio’s aan restricties gebonden en illegaal gebruik kan volgens landelijke of lokale wetgeving strafbaar zijn. Kijk op de website van Canon waar het gebruik van Wireless LAN is toegestaan, zodat u de regelgeving hieromtrent niet overtreedt.
Canon Inc. verklaart hierbij dat deze DS126621 voldoet aan de essentiële vereisten en andere relevante bepalingen van Richtlijn 1999/5/EC. Neem contact op met het onderstaande adres voor de originele conformiteitsverklaring: CANON EUROPA N.V. Bovenkerkerweg 59, 1185 XB Amstelveen, The Netherlands CANON INC.
Index A Android............................................18 B Beeldformaat verkleinen ...........35, 78 Bijnaam ...........................................10 C Camera access point modus ..........53 Camera Connect.................18, 28, 54 CANON iMAGE GATEWAY ............62 Connect Station...............................37 D Draadloze communicatie-instellingen wissen .............................................87 E E-mail..............................................75 EOS Utility....................
CANON INC. 30-2 Shimomaruko 3-chome, Ohta-ku, Tokyo 146-8501, Japan Europa, Afrika en het Midden-Oosten CANON EUROPA N.V. Postbus 2262, 1180 EG Amstelveen, Nederland Raadpleeg uw garantiekaart of ga naar www.canon-europe.com/Support voor informatie over uw lokale Canon-vestiging Het product en de bijbehorende garantie worden in Europese landen geleverd door Canon Europa N.V. CEL-SW5ZA280 © CANON INC.