User's Guide
Table Of Contents
- GEBRUIKERSHANDLEIDING E550W
- Inhoud
- AAN DE SLAG GAAN
- EEN LABEL BEWERKEN
- LABELS AFDRUKKEN
- HET BESTANDSGEHEUGEN GEBRUIKEN
- P-TOUCH SOFTWARE GEBRUIKEN
- P-touch Editor gebruiken
- Werken met P-touch Transfer Manager (voor Windows)
- P-touch Transfer Manager gebruiken
- De labelsjabloon overbrengen naar P-touch Transfer Manager
- Werken met P-touch Transfer Manager
- Sjablonen en andere gegevens overbrengen van de computer naar de printer
- Een back-up maken van sjablonen en andere gegevens die in de printer zijn opgeslagen
- Alle gegevens van de printer wissen
- De naar de printer overgebrachte gegevens gebruiken
- Werken met P-touch Library
- NETWERK
- RESETTEN & ONDERHOUDEN
- PROBLEMEN OPLOSSEN
- BIJLAGE
8
1
2
3
4
5
6
7
9
10
33
Een geserialiseerd label invoeren
NEDERLANDS
EEN LABEL BEWERKEN
Selecteer een teken met de toets of , druk vervolgens op de
toets OK of de Entertoets om het teken in de barcodegegevens
in te voegen.
Druk op de toets OK of de Entertoets om de barcode aan het
label te voegen.
De barcode wordt weergegeven op het tekstinvoerscherm.
Barcodes bewerken en verwijderen
• Om de gegevens en parameters van de barcode te bewerken plaatst u de cursor boven
de barcodemarkering in het gegevensinvoerscherm en opent u vervolgens het scherm
"Inst. strpjescode". Zie "Instellen van barcodeparameters en invoeren van
barcodegegevens" op pagina 32 voor meer informatie.
• Om een barcode van een label te verwijderen plaatst u de cursor rechts van de
barcodemarkering in het gegevensinvoerscherm en drukt u op de toets BS (backspace).
Met deze functie kunt u een reeks labels maken waarbij steeds één teken van het patroon
wordt opgehoogd. In de modus Geavanceerd serialiseren kunt u kiezen uit gelijktijdige of
geavanceerde nummering. Bij gelijktijdig serialiseren wordt een reeks labels gemaakt
waarbij steeds twee getallen gelijktijdig worden opgehoogd. Bij geavanceerd serialiseren
maakt u een serie labels waarbij u twee reeksen in het patroon kunt selecteren die
achtereenvolgens moeten worden opgehoogd.
Serialiseren
Voer tekst in.
Voorbeeld: Maak met deze functie de labels 1A-A01, 1A-A02,
1A-A03, 1A-A04 van 1A-A01.
Als u op de toets Serialiseren drukt.
Plaats de cursor onder het eerste teken met behulp van de
toetsen , , en en druk op de toets OK of de Entertoets.
Plaats de cursor vervolgens onder het laatste teken dat moet
worden opgehoogd. Druk op de toets OK of de Entertoets.
Voorbeeld: Selecteer 1 van A01.
6
Raadpleeg de "Een label afdrukken" op pagina 39 voor het
afdrukken van labels.
7
• Druk op Esc om terug te keren naar de vorige stap.
• Druk op de toets Spatie om de standaardwaarde in te stellen voor het geselecteerde kenmerk.
Een geserialiseerd label invoeren
1
3
2
3










