BEDIENINGSHANDLEIDING INREGELDISPLAY SWB HR BEWAREN BIJ HET TOESTEL Land : NL
INHOUDSOPGAVE 1 Toepassing.........................................................................................................................1 2 Aansluiten inregeldisplay..................................................................................................1 3 LED-weergave-systeem en bedieningspaneel.................................................................2 Display ..................................................................................................................
1 Toepassing Om instellingen van het programmma in de besturingsunit van een SWB HR toestel, zoals b.v. de uitblaastemperatuur, te kunnen wijzigen, dient een seperaat inregeldisplay op de besturingsunit te worden aangesloten. Met dit inregeldisplay kan tevens een storingsmelding worden uitgelezen. Deze bedieningshandleiding geeft een overzicht over de aansluiting en de werking van het inregeldisplay. Specifieke toestelgegevens staan beschreven in de bij het toestel meegeleverde installatievoorschriften.
3 LED weergave-systeem en bedieningspaneel Met het inregeldisplay zijn instellingen in de programmatuur van de besturingsunit op te roepen en te wijzigen. Het inregeldisplay bevat een 6-tal toetsen en een display (zie figuur 1). 4105 Figuur 1 : Aanzicht inregeldisplay. Display Op het display kan uitgelezen worden wat de bedrijfssituatie van het toestel is. Ook kunnen met het display diverse instellingen zichtbaar gemaakt worden.
Afhankelijk van de keuze met de "MODE" toets kunnen op het display de volgende programma's afgelezen worden: A. bedrijfssituatie, B. uitleesprogramma (punt knippert), C. storingssignalering (stap-/storingsnummer knipperen om en om), D. foutweergave (stapnummer knippert), (Alleen toegankelijk na invoeren toegangscode) E. instelprogramma (punt brandt).
B Uitleesprogramma Met het uitleesprogramma kan de installateur een aantal actuele waarden van sensoren oproepen om meer informatie te krijgen over de werking van het toestel. Door op de 'MODE'-toets te drukken totdat de punt in het linkerdeel van het display knippert, wordt het uitleesprogramma gekozen. Met de 'STEP'-toets kan het stapnummer worden veranderd. In het uitleesprogramma geeft het linkerdeel van het display het stapnummer weer.
E Instelprogramma Met het instelprogramma heeft de installateur de mogelijkheid om instellingen van de besturingsunit te wijzigen. De eerste 4 opties in het instelprogramma zijn te wijzigen zonder toegangscode; de overige instellingen kunnen alleen worden gewijzigd na invoeren van de toegangscode. Door op de 'MODE'-toets te drukken totdat de punt in het linkerdeel van het display brandt, wordt het instelprogramma gekozen.
5 Overige instellingen na invoeren van toegangscode Om andere instellingen te wijzigen naast de uitblaastemperatuur zal eerst de toegangscode moeten worden ingevoerd. Waarschuwing: Omdat veranderingen de werking van het toestel kunnen verstoren moet bij verandering van niet beschreven instellingen overleg plaats vinden met Brink.
6 Storingstabel Storingsnr. Omschrijving Gevolg 00 - Ten onrechte vlam - Vergrendeling. 01 - Kortsluiting 24 volt - Vergrendeling. 02 - Toestel niet in bedrijf na 5x starten - Vergrendeling. - Fout bij interne controle besturingsunit - Vergrendeling. 12 - Ingang mechanische max. thermostaat open - Vergrendeling. 18 - Temperatuur T1 in het toestel te hoog - Vergrendeling. 19 - Temperatuur T2 in het toestel te hoog - Vergrendeling.
Een vergrendelende storing houdt in dat de besturingsunit niet meer reageert op signalen van de diverse sensoren en geen signalen meer uitstuurt. Alleen op het display is het storingsnummer zichtbaar. De vergrendelende storing is op te heffen door het indrukken van de resetknop. Met het uitschakelen van de netvoeding is een vergrendelende storing niet op te heffen (dit in verband met veiligheid).
7 Storingsanalyse Een vergrendeling van de besturingsunit kan alleen worden opgeheven met de resetknop! Als na drukken op de resetknop de storing blijft aanhouden, zal met behulp van de storingsanalyse de oorzaak van de storing achterhaald kunnen worden. 00 Ten onrechte vlam 1. Controleer of het gas stroomt in de beveiligingsafsluiter door een verschildruk (circa 0,9 mbar) te meten over de smoorklep. 2. Controleer of de beveiligingsafsluiter schakelt (circa 24 Vac). 3.
1. Controleer de gasdruk in de toevoerleiding (20 - 30 mbar) tijdens ontsteken en branden, ook indien andere gastoestellen schakelen. 2. Controleer de kabelboom: - aansluiting van de ontsteekkabel op de ontsteekpen en de besturingsunit - aansluiting van de 'massa'-kabel. 3. Controleer het starttoerental van de rookgasventilator. Let ook op het probleemloos ronddraaien van de rookgasventilator en eventuele 'aanloopgeluiden'. 4. Controleer de afstand tussen brander en ontsteekpen: circa 4,5 mm, maximaal 5 mm.
28 29 Storing rookgasventilator Rookgasventilator defect: 1. Controleer het draaien van de rookgasventilator en sluit eventueel een reserve exemplaar vrij aan. Breuk in kabelboom: 2. Controleer de kabelboom en de stekerverbindingen tussen de rookgasventilator en de besturingsunit. Besturingsunit defect: 3. Controleer de besturingsunit op onder andere een defecte glaszekering (F2). 18,19 24,25 of 30 Storing temperatuur 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9. 10. 31,32 Controleer of het filter niet is vervuild.
36,37 Storing aansluiting temperatuurvoeler maximaalbeveiliging 1. Controleer de kabelboom en de stekerverbindingen. 2. Controleer of de temperatuurvoelers juist zijn aangesloten. 3. Controleer of de temperatuurvoelers (NTC) werkzaam zijn: bij 25° C is de weerstand R circa 12 kΩ; bij het warmer worden van de temperatuurvoeler gaat de weerstand R omlaag (< 12 kΩ). 4. Controleer de besturingsunit. 39 Niet van toepassing 40 Niet van toepassing * Storing communicatie ruimtethermostaat 1.
INSPECTIERAPPORT Stap nr. Omschrijving Basisinstelling B10-HRD Instelbereik 55°C 40° - 60°C wijziging A datum: 1. T3 set (max. uitblaastemperatuur) 2. Minimum PWM-perc. 20 NVT 3. Maximum PWM-perc. 65 NVT 4. Koeling PWM-perc. 95 NVT 5. Aanpassing PWM bij grote weerstand 00 NVT 6. Systeemvent. minimum/uit 00 NVT 7. T3 uit (uitsch. temp. vent.) 00 NVT 8. T start (start temp. vent.) 20 NVT 9. Normaalprogramma/ buitenluchtprogramma 00 NVT A. T3 min. (min.
Brink Climate Systems B.V. Postbus 24, 7950 AA Staphorst R.D. Bügelstraat 3, 7951 DA Staphorst E-mail: info@brinkclimatesystems.nl www.brinkclimatesystems.nl Tel. 0522 46 99 44 Fax.