Installation Instructions

6 720 613 555 (2007/01)
Installatie | 7nl
3.2.2 Aansluiting 230 V AC
B Gebruik alleen elektrische kabels van dezelfde
kwaliteit.
B Sluit op de uitgangen geen extra besturingen
aan die overige installatiedelen besturen.
Bij aansluiting van meer dan één verbruiker (ver-
warmingstoestel, enz.):
B Wanneer de maximale stroomopname groter
is dan de waarde van de in de schakeling
opgenomen scheidingsvoorziening met een
contactafstand van minstens 3 mm (bijvoor-
beeld zekering, aardlekschakelaar, moeten de
gebruikers apart van zekeringen worden voor-
zien.
3.2.3 Aansluitschema’s met installatievoor-
beelden
IPM 1 met boiler na de hydraulische poort en
circulatiepomp:
Æ Afbeelding 9 op pagina 30
IPM 1 met verwarmingscircuit ongemengd en
circulatiepomp:
Æ Afbeelding 10 op pagina 31
IPM 1 met verwarmingscircuit gemengd:
Æ Afbeelding 11 op pagina 32
IPM 2 met boiler na de hydraulische poort, ver-
warmingscircuit ongemengd en circulatiepomp:
Æ Afbeelding 20 op pagina 34
IPM 2 met boiler na de hydraulische poort, ver-
warmingscircuit gemengd en circulatiepomp:
Æ Afbeelding 21 op pagina 35
IPM 2 met verwarmingscircuit ongemengd, ver-
warmingscircuit gemengd en circulatiepomp:
Æ Afbeelding 22 op pagina 36
IPM 2 met twee verwarmingscircuits gemengd:
Æ Afbeelding 23 op pagina 37
Voor spatwaterbescherming (IP):
Leidingen zodanig installeren dat
de kabelmantel minstens 20 mm in
de kabeldoorvoer steekt
(Æ afbeelding 8 op pagina 30 en
afbeelding 19 op pagina 34).
De maximale vermogensopname
van de installatiedelen mag niet
groter zijn dan de aangegeven ver-
mogensopname (Æ hoofdstuk 2.2
op pagina 5).
Als de aansluiting voor de circula-
tiepomp in het verwarmingstoestel
ontbreekt:
B Sluit de circulatiepomp aan zo-
als in afbeelding 9 op pagina 30
getoond.