Installation Instructions
26 | Installatie
6 720 614 078 (2008/12)
3 Installatie
3.1 Montage
3.1.1 Wandmontage
Æ afbeelding 2 tot 5 vanaf pagina 68.
B Bepaal overeenkomstig de maten van de ICM-module
de plaats voor bevestiging aan de wand.
B Draai twee schroeven onder aan de ICM-module los,
trek het deksel naar voren en verwijder het deksel
naar boven.
B Boor voor de bovenste bevestigingsschroef een gat
van Ø 6 mm, breng de plug aan en draai de schroef er
tot 1,5 mm in.
B Maak aan de achterkant van de ICM-module op de
daarvoor bedoelde plaatsen twee openingen voor de
onderste bevestigingsschroeven.
B Hang de ICM-module aan de bovenste bevestigings-
schroef in.
B Markeer de boorgaten via de openingen in de wand.
B Verwijder de ICM-module.
B Boor gaten van Ø 6 mm en breng pluggen aan.
B Hang de ICM-module aan de bovenste bevestigings-
schroef in en bevestig deze met de onderste schroe-
ven aan de wand.
3.1.2 Montage op de montagerail 35 mm
(DIN-rail 46277 of EN 60 715-TH 35-7,5)
Æ Afbeelding 6 op pagina 68.
3.1.3 Demontage van de montagerail
Æ Afbeelding 7 op pagina 69.
3.2 Elektrische aansluiting
B Gebruik met inachtneming van de geldende voor-
schriften voor de aansluiting minstens een elektrische
kabel van type H05VV-... (NYM-...).
B Geleid de leidingen in verband met de bescherming
tegen waterdruppels in elk geval door de voorgemon-
teerde tules en monteer de bijgeleverde trekontlastin-
gen
B Bekabeling bij voorkeur met 1-aderige draad. Als een
gevlochten draad (flexibele draad) wordt gebruikt,
deze draden van adereindhulzen voorzien.
B Voor het aansluiten van de kabel aan de schroefklem-
men kunnen deze worden losgetrokken van de con-
tactstrip. Door de verschillende kleuren en
mechanische codering kunnen de kabelklemmen niet
worden verwisseld.
3.2.1 Aansluiten laagspanningsgedeelte met BUS-
verbindingen
Minimaal toegestane doorsnede van de 2-draads BUS-
verbinding:
B Om inductieve beïnvloeding te voorkomen:
Installeer alle laagspanningsleidingen gescheiden van
leidingen met een spanning van 230 V of 400 V (Mini-
mumafstand 100 mm).
B Als er inductieve externe invloeden zijn, moeten de
leidingen worden afgeschermd.
Daardoor worden de leidingen beschermd tegen ex-
terne invloeden zoals sterkstroomkabels, voeringslei-
dingen, transformatorstations, radio- en
GEVAAR: Gevaar voor stroomschok!
B Onderbreek voorafgaand aan het elek-
trisch aansluiten de voedingsspanning
naar de cv-toestellen en naar alle andere
BUS-deelnemers.
VOORZICHTIG: Functiestoring!
De communicatie van de verschillende ge-
bruikers (ICM, regelaar, cv-toestel) gebeurt
via individuele 2-draads BUS-verbindingen.
B Voer de bekabeling absoluut overeen-
komstig het aansluitschema uit
(Æ Afbeelding 13 op pagina 70).
B Verbind bussen niet met elkaar.
Lengte van de kabel Min. doorsnede
< 80 m 0,40 mm
2
80 - 100 m 0,50 mm
2
100 - 150 m 0,75 mm
2
150 - 200 m 1,00 mm
2
200 - 300 m 1,50 mm
2
Tabel 9 Minimaal toegestane doorsnede van de 2-draads
BUS-verbinding










