Installation Instructions

Specificatie ICM-module | 21
6 720 614 078 (2008/12)
2.4.2 Meetwaarde systeemaanvoervoeler
2.4.3 Meetwaarde buitentemperatuurvoeler
2.4.4 Kenmerken van de elektrische aansluiting
2.5 Systeemintegratie van de ICM
2.5.1 Regeling bij ICM-cascadesystemen
De ICM-module stuurt de cv-toestellen aan volgens een
door een regelaar berekende warmtebehoefte. Hiervoor
is het dus noodzakelijk, dat de ICM-module altijd in com-
binatie met een regelaar (Æ afbeelding 13, klemmen H, I
of J) geïnstalleerd wordt. Afhankelijk van de toegepaste
regelaar zijn er vier systeemvarianten mogelijk
(Æ tab. 5).
Door één ICM-module kunnen maximaal vier cv-toestel-
len worden aangestuurd. Door een koppeling van maxi-
maal vier ICM-modules kunnen maximaal 16 cv-
toestellen in één cascade worden geschakeld
(Æ afbeelding 13). Daarbij neemt één ICM-module de
besturing over van de cascade (ICM-master).
Afhankelijk van de toegepaste regelaar kan een casca-
desysteem met maximaal 4 of maximaal 16 cv-toestellen
worden gemonteerd. Het maximale aantal aan te sluiten
cv-toestellen en het daarvoor vereiste aantal ICM-modu-
les voor de verschillende systeemvarianten staan
in tab. 5.
De ICM-module regelt het complete warmteopwekkings-
circuit (primaire zijde inclusief open verdeler). Alle ove-
rige componenten van de cv-installatie (secundaire zijde
van de open verdeler zoals bijv. cv-groepen, ww-groe-
pen) kunnen door een weersafhankelijke regelaar met 2-
draads BUS-aansluiting en andere modules
(Æ hoofdstuk 2.3, toebehoren) worden aangestuurd.
Neem contact op met de leverancier voor meer informa-
tie. Zie voor het adres de achterzijde van dit document.
In de cascadeschakeling kunnen cv-toestellen met een
willekeurig vermogen worden aangesloten.
°C Ω
VF
°C Ω
VF
20 14772 56 3723
26 11500 62 3032
32 9043 68 2488
38 7174 74 2053
44 5730 80 1704
50 4608 86 1421
Tabel 2
°C Ω
AF
°C Ω
AF
– 20 2392 4984
– 16 2088 8842
– 12 1811 12 720
– 8 1562 16 616
– 4 1342 20 528
± 0 1149 24 454
Tabel 3
Pos.
1)
1) in afb. 13, pagina 70
Aansluiting
A ingang Stroomvoorziening van-
uit het net of van voor-
gaande ICM-module
230 V AC,
max. 16 A
B uitgang stroomvoorziening voor
andere ICM
230 V AC,
max. 16 A
C uitgang Pomp 230 V AC,
max. 250 W
D uitgang storingsmelding op af-
stand
potentiaal-
vrij, max.
230 V, 1 A
E ingang systeemaanvoervoeler NTC
(tab. 2)
F ingang buitentemperatuurvoe-
ler
NTC
(tab. 3)
G ingang geen functie
H ingang aan-/uitregelaar
(potentiaalvrij)
24 V DC
I ingang 0-10V-regelaar (bijvoor-
beeld een gebouwbe-
heersysteem (GBS)
0-10 V DC
J 2-draads
BUS
ingang digitaal module-
rende weersafhankelij-
ke regelaar
K 2-draads
BUS
ingang BUS van vorig
ICM-module
L 2-draads
BUS
uitgang BUS naar vol-
gende ICM-module
M 2-draads
BUS
uitgang naar cv-toestel
Tabel 4
Houd er rekening mee, dat voor een correcte
werking slechts één regelaar/gebouwbe-
heersysteem (GBS) aangesloten mag zijn.
De verschillende systeemvarianten vereisen
de aansluiting van bepaalde toebehoren
(systeemaanvoervoelers VF en AF 2, circula-
tiepomp en regelaar) (Æ tab. 5).
B Het aansluiten van dit toebehoren, even-
als de storingsmelding op afstand ge-
beurt uitsluitend op de ICM-master.