Operation Manual
12
Overzicht
Bedieningselementen en functies
Besturingspaneel
1. Focusring
Hiermee past u de scherpstelling van het
geprojecteerde beeld aan.
2. Zoomring
Hiermee past u de grootte van het beeld aan.
3. Lensverschuivingsklep
4. IR-sensor bovenkant
5. MENU/EXIT
Activeert het schermmenu (On-Screen Display,
OSD). Hiermee gaat u terug naar het vorige
schermmenu (OSD), sluit u het menu en slaat u
de menu-instellingen op.
6. AAN/UIT
Dit zet de projector op stand-by of aan.
7. Links/
Zet het volume van de projector lager.
Als het schermmenu (OSD) is geactiveerd,
functioneren de knoppen #7, #12 en #15 als
richtingspijlen om de gewenste menuopties te
selecteren en de instellingen te wijzigen.
8. ECO BLANK
Maakt het beeld leeg.
9. POWER-indicator
Brandt of knippert als de projector wordt
gebruikt.
10.TEMP (waarschuwingslampje
temperatuur)
Brandt rood als de temperatuur van de
projector te hoog wordt.
11. LAMP-indicator
Geeft de status van de lamp aan. Brandt of
knippert als er een probleem is met de lamp.
12.Keystone/pijltoetsen ( / Omhoog,
/ Omlaag)
Hiermee corrigeert u handmatig het
vervormde beeld, veroorzaakt door de
projectiehoek.
Als het schermmenu (OSD) is geactiveerd,
functioneren de knoppen #7, #12 en #15 als
richtingspijlen om de gewenste menuopties te
selecteren en de instellingen te wijzigen.
13. AUTO
Bepaalt automatisch de beste timings voor het
beeld.
14.MODE/ENTER
Kies een beschikbare beeldinstellingsmodus.
Hiermee activeert u het geselecteerde menu-
item in het schermmenu.
15. Rechts/
Zet het volume van de projector hoger.
Als het schermmenu (OSD) is geactiveerd,
functioneren de knoppen #7, #12 en #15 als
richtingspijlen om de gewenste menuopties te
selecteren en de instellingen te wijzigen.
16.SOURCE
Opent de ingangselectiebalk.
2
3
1
6
5
7
8
4
9
11
10
12
13
14
15
16
12










