Manual
Table Of Contents
13 B-CONTROL FADER BCF2000/ROTARY BCR2000 Gebruiksaanwijzing
Sluit de MIDI-uitgang van de MIDI-interface op de computer aan op MIDI IN van
B-CONTROL. Sluit OUT A aan kop de MIDI-ingang van de interface. Op OUT B kan
nog een andere MIDI-ontvanger aangesloten worden. Ook een uitbreiding met
een tweede B-CONTROL hoort tot de mogelijkheden. Sluit in dat geval uitgang
B aan op MIDI IN van de volgende MIDI-ontvanger. Om die MIDI-opdrachten van
de verschillende apparaten naar een PC’s te kunnen verzenden is een externe
MIDI-Mergebox noodzakelijk.
Aanwijzingen met betrekking tot de standalone-modi:
Bij de weergegeven voorbeelden voor de bedrading kunnen de
parameterwaarden via de LED’s van de B-CONTROL worden weergegeven.
Hecht men waarde aan parameterfeedback, dan moet de MIDI IN met de
MIDI-uitgang van het aangestuurde apparaat worden verbonden. Het gebruikte
hardware apparaat moet natuurlijk ook een respons van de actuele parameter
waarden terugsturen. In geval van twijfel dient u de bedienings handleidingen
van de aan te sluiten apparaten te raadplegen.
De parametersfeedback werkt in alle standalone-modi. Bij de standalone-modi
S-1 tot en met S-3 kunnen ongewenste MIDI-lussen ontstaan. Bij standalone-
modus 3 worden die besturings gegevens van B-CONTROL zonder merge-functie
naar MIDI-uitgang B geleid.
U kunt de B-CONTROL ook via MIDI (zonder USB-aansluiting) als controller
voor uw computer inzetten, mits uw computer reeds voorzien is van een
MIDI-interface. Daarbij kunnen in principe alle Stand Alone modi worden
gebruikt. Wanneer parameter feedback gewenst is dient u standalone-modus
S-4 te gebruiken. U kunt ook S-3 gebruiken en de computer via MIDI OUT B
aansluiten, zodat geen MIDI-feedbacklus ontstaat.
4.2 Bediening in de “Play”-modus
De “Play”-modus is het bovenste bedieningsniveau van de B-CONTROL, dat u in
het normale dagelijkse werk gebruikt om de MIDI-data live aan te sturen.
Display:
Na inschakelen wordt even de huidige versie van de besturingssoftware in het
display weergegeven. Wanneer u een geactiveerd besturingselement verplaatst,
wordt de gewijzigde waarde weergegeven.
Bedieningselementen:
Er kunnen één of meerdere toetsen, encoders en faders tegelijk worden gebruikt
om hun data via MIDI te verzenden. De toewijzing van de MIDI-datatypes wordt
toelicht in hoofdstuk 4.3 “Programmering”. Elk bedieningselement geeft in
overeen stemming met het eraan toegewezen datatype en met behulp van de
bijbehorende LED of LED-krans zijn actuele para meter waarde weer.
De positie van de faders verandert automatisch, wanneer de presets worden
gewisseld of bij binnenkomende parameter feedback.
LED-display:
Het LED-kransdisplay van de Encoders of de Status-LED’s van de Toetsen
veranderen automatisch, wanneer u de controllerregistratie in de sequencer laat
plaatsvinden. Voorwaarde is natuurlijk dat alle kabels correct zijn aangesloten,
de juiste bedrijfsmodus geselecteerd is en de software sequencer de afgifte van
parameterwaarden ondersteunt.
Het soort weergave voor de toets is afhankelijk van de geselecteerde
controllermodus: staat een Toets in de “Toggle on” modus, dan licht de toets-LED
op, zodra de toets wordt ingedrukt. Pas na de tweede keer drukken op de toets
gaat het LED weer uit. Is voor een toets de “Toggle o” modus geselecteerd,
dan brandt de LED alleen voor de duur van de druk op de knop.
Het gedrag van de besturingselementen, de schermen en de LED-uitlezingen
is afzonderlijk instelbaar. Meer informatie hierover vindt u in hoofdstuk
4.3 “Programmering”.
4.2.1 Preset selecteren
• Selecteer een preset met de PRESET-toets (8). Het nieuwe presetnummer
wordt in het display weergegeven
• Alternatief kunt u een preset ook selecteren door een van de presettoetsen
ingedrukt te houden en tegelijkertijd een willekeurige push-encoder (1)
te draaien
• Zodra u de PRESET-toets loslaat, wordt de nieuwe preset opgeroepen
4.2.2 Preset opslaan / Kopiëren
• Druk op de STORE-toets om een preset op te slaan. De toets-LED
begint te knipperen
• Selecteer de gewenste doel-preset met de PRESET-toetsen of door
het vasthouden van een PRESET-toets en gelijktijdig draaien van een
push-encoder. Het nieuwe presetnummer knippert in het display
• Druk opnieuw op STORE, de STORE-LED en het display horen op
met knipperen
• Wilt u de actuele preset overschrijven, dan drukt u twee keer op de
STORE-toets (stap 2 vervalt)
• U kunt de opslagprocedure afbreken door het indrukken van de EXIT-toets
Wij hebben bewust afgezien van automatische opslagfuncties. Op die manier
kunt u tussentijds een nieuw MIDI-commando aan een bedieningselement
toewijzen zonder dat de actuele preset wordt veranderd. Wilt i vervolgens de
oorspronkelijke preset weer herstellen, dan roept u kort een andere preset op
en vervolgens schakelt u weer terug naar de oude preset. Nu zijn de data weer
hersteld, hetgeen eveneens geldt voor het kortstondig van een andere functie
voorziene bedieningselement.
4.2.3 Encoder group kopiëren
Met deze functie kunt u een Encoder Group binnen een preset kopiëren.
Het bespaart u zeer veel programmeerwerk, wanneer voor alle Encoder Groups
binnen een preset dezelfde basisfunctie (MIDI-kanaal, CC-nummer voor draai-
en indrukfunctie) moet worden gebruikt.
• Druk op de Encoder Group-toets van de groep die u wilt kopiëren
• Druk op STORE, de LED in de STORE-toets knippert
• Selecteer nu de gewenste doel-Encoder Group. De LED van de doel-Encoder-
toets knippert
• Druk nogmaals op STORE, de STORE-LED gaat uit
• Door te drukken op de EXIT-toets kunt u de kopieer procedure op elk
moment afbreken
◊ Om de instellingen van de Encoder Groups vast in een preset op te
slaan, moet u de preset opslag procedure uitvoeren (hoofdstuk 4.2.2.).
◊ Om een Encoder Group naar een andere preset te kopiëren, moet eerst
een complete preset worden gekopieerd! Daarna kunnen de Encoder
Groups in de opnieuw opgeslagen preset zoals hierboven beschreven
worden gekopieerd en gesorteerd.










