Product Manual

7
-
d
e
li
ge
h
an
d
eva
l
uat
i
eset
Hydraulische handdynamometer – De handdynamometer kan worden gebruikt om de grijpkracht te meten. Deze meter wordt gekalibreerd in ponden en kilogram kracht.
Het grijphandvat kan op diverse maten handen worden ingesteld. Gebruik altijd dezelfde grijpinstelling en dezelfde dynamometer wanneer u een bepaalde persoon op hand-
trauma of aandoeningen van de hand evalueert.
Stel het handvat op de gewenste positie in. Laat de persoon de dynamometer in een comfortabele stand vasthouden. De schouder moet geadduceerd en neutraal geroteerd
zijn, de elleboog tot 90 graden gebogen en de voorarm en de pols moeten in een neutrale stand staan. Laat de persoon met maximale inspanning in het handvat knijpen.
De rode maximumwijzer blijft op de maximale uitlezing voor de persoon totdat de wijzer opnieuw wordt ingesteld. De rode maximumwijzer moet vóór elke grijptest
opnieuw worden ingesteld. Draai de kleine gekartelde knop op de bovenkant van de wijzerindicator linksom totdat hij tegen de zwarte wijzer op de nulmarkering rust. Elke
grijptest moet driemaal worden herhaald en het gemiddelde resultaat dient te worden gebruikt.
De grijpkracht varieert naargelang de grootte van het voorwerp dat wordt gegrepen. Door middel van het instelbare handvat kan de grijpkracht voor verschillende maten
voorwerpen worden gekwantificeerd.
Om te bepalen of een persoon maximale inspanning uitoefent past u het volgende protocol toe:
· Neem uitlezingen met het instelbare handvat in alle vijf standen
· Test de normale hand en vervolgens de gewonde hand
· Herhaal de test na vijf minuten
Als er maximale inspanning is uitgeoefend, moet er een variatie van ongeveer 10% zijn tussen de twee sets testresultaten.
Mechanische knijpmeter – De vingerknijpmeter kan worden gebruikt om de knijpsterkte te meten. Deze meter wordt gekalibreerd in ponden en kilogram kracht.
Oefen knijpkracht uit op de knijpgroef terwijl u de knijpmeter tussen uw duim en vinger(s) vasthoudt. Wanneer er verder naar de vingertop toe kracht wordt uitgeoefend, is
de uitlezing enigszins hoger. Wanneer er verder naar achteren toe kracht wordt uitgeoefend, is de uitlezing enigszins lager.
De meter moet vóór elke knijptest worden 'genuld'. Grijp de gekartelde ring van de wijzerindicator vast en draai eraan totdat de nul op de wijzerindicator zich onmiddellijk
onder de zwarte wijzer bevindt.
De rode maximumwijzer moet vóór elke knijptest worden teruggesteld. Draai de kleine gekartelde knop op de bovenkant van de wijzerindicator linksom totdat hij tegen de
zwarte wijzer bij de nulmarkering rust. De rode maximumwijzer blijft op de maximale uitlezing van de persoon totdat hij wordt teruggesteld.
Gebruik de knijpmeter om de drie elementaire knijptests uit te voeren:
· topknijpen - van de duimtop tot de vingertop van de wijsvinger
· sleutelknijpen - van het duimkussentje tot het laterale aspect van het middelste vingerkootje van de wijsvinger
· Palmer-knijpen - van het duimkussentje tot de kussentjes van de wijsvinger en middelste vinger
NORMEN VOOR GRIJPKRACHT VAN VOLWASSENEN (KILOGRAMS)
mannen vrouwen
leeftijd hand gemiddelde SD laag-hoog gemiddelde SD laag-hoog
20-24 dominante 55.0 9.4 41-75 32.0 6.6 20-43
niet-dominante 47.5 9.9 32-68 27.7 6.0 15-40
25-29 dominante 54.9 10.5 35-71 33.9 6.3 21-44
niet-dominante 50.2 7.4 35-63 28.9 5.5 21-44
30-34 dominante 55.4 10.2 31-77 35.8 8.7 20-62
niet-dominante 50.2 9.9 29-65 30.9 8.0 16-52
35-39 dominante 54.4 10.9 34-80 33.7 4.9 22-45
niet-dominante 51.3 9.9 33-71 30.1 5.3 22-41
40-44 dominante 53.1 9.4 38-75 32.0 6.1 17-46
niet-dominante 51.3 8.5 33-74 28.3 6.3 15-42
45-49 dominante 50.0 10.5 29-70 28.3 6.9 17-45
niet-dominante 45.8 10.4 26-72 25.5 5.8 16-37
50-54 dominante 51.6 8.2 35-68 29.9 5.3 17-39
niet-dominante 46.3 7.7 31-65 26.0 4.9 15-34
55-59 dominante 46.0 12.1 26-70 26.0 5.7 15-39
niet-dominante 37.8 10.6 19-58 21.5 5.4 14-34
60-64 dominante 40.8 9.3 23-62 25.0 4.6 16-35
niet-dominante 34.9 9.2 12-52 20.8 4.6 13-30
65-69 dominante 41.4 9.4 25-59 22.5 4.4 15-33
niet-dominante 34.9 9.0 19-53 18.6 3.7 13-28
70-75 dominante 34.2 9.8 14-49 22.5 5.3 15-35
niet-dominante 29.5 8.2 14-42 18.9 4.6 10-30
75+ dominante 29.9 9.6 18-61 19.4 5.0 11-29
niet-dominante 25.0 7.7 14-54 17.1 4.0 10-27
ALL dominante 47.4 12.9 14-80 28.5 7.7 11-62
niet-dominante 42.3 12.5 12-72 24.5 7.1 10-52
SLEUTELKNIJPEN - NORMEN VOOR KNIJPSTERKTE VAN VOLWASSENEN (KILOGRAMS)
mannen vrouwen
leeftijd hand gemiddelde SD laag-hoog gemiddelde SD laag-hoog
20-24 dominante 11.8 1.6 10-15 8.0 0.9 6-10
niet-dominante 11.3 1.5 9-14 7.4 1.0 6-10
25-29 dominante 12.1 2.2 9-19 8.0 1.0 6-10
niet-dominante 11.4 2.2 9-18 7.5 1.0 6-10
30-34 dominante 12.0 2.2 9-16 8.5 1.4 6-11
niet-dominante 11.9 2.3 8-16 8.1 1.6 5-12
35-39 dominante 11.9 1.5 10-15 7.5 0.9 5-10
niet-dominante 11.6 1.8 8-15 7.3 1.2 5-10
40-44 dominante 11.6 1.2 10-14 7.6 1.4 5-11
niet-dominante 11.4 1.8 9-14 7.2 1.4 4-10
45-49 dominante 11.7 1.8 9-16 8.0 1.5 6-11
niet-dominante 11.3 2.0 8-19 7.5 1.3 5-11
50-54 dominante 12.1 2.0 9-15 7.6 1.1 5-10
niet-dominante 11.9 1.9 9-17 7.3 1.2 5-10
55-59 dominante 11.0 1.9 8-15 7.1 1.1 5-10
niet-dominante 10.5 2.1 6-14 6.7 1.0 5-9
60-64 dominante 10.5 2.5 6-17 7.0 1.2 5-9
niet-dominante 10.1 1.9 7-15 6.4 1.1 5-9
65-69 dominante 10.6 1.8 8-15 6.8 1.2 5-10
niet-dominante 10.0 1.6 8-13 6.5 1.3 5-9
70-75 dominante 8.8 1.1 7-11 6.6 1.3 4-10
niet-dominante 8.7 1.4 6-13 6.3 1.4 4-10
75+ dominante 9.3 2.1 4-14 5.7 1.0 4-8
niet-dominante 8.7 1.4 6-11 5.2 1.2 3-7
ALL dominante 11.1 2.1 4-19 7.4 1.4 4-11
niet-dominante 10.7 2.1 5-19 7.0 1.4 3-12
TOPKNIJPEN - NORMEN VOOR KNIJPSTERKTE VAN VOLWASSENEN (KILOGRAMS)
mannen vrouwen
leeftijd hand gemiddelde SD laag-hoog gemiddelde SD laag-hoog
20-24 dominante 8.2 1.4 5-10 5.0 1.0 4-7
niet-dominante 7.7 1.0 5-15 4.8 0.8 4-6
25-29 dominante 8.3 2.0 5-15 5.4 0.8 4-7
niet-dominante 8.0 2.4 5-16 5.1 0.8 4-8
30-34 dominante 7.9 3.0 5-11 5.7 1.4 4-9
niet-dominante 8.0 2.2 5-12 5.3 1.3 3-8
35-39 dominante 8.2 1.6 5-12 5.3 1.1 4-9
niet-dominante 8.0 1.7 5-11 5.4 1.1 4-7
40-44 dominante 8.1 1.8 5-11 5.2 1.2 2-7
niet-dominante 8.0 1.6 5-11 5.0 1.4 3-8
45-49 dominante 8.5 2.2 5-14 6.0 1.4 4-9
niet-dominante 8.0 1.9 5-13 5.5 1.2 3-8
50-54 dominante 8.3 1.8 5-11 5.7 1.0 4-8
niet-dominante 8.1 1.8 5-12 5.2 1.1 3-7
55-59 dominante 7.5 1.5 5-11 5.3 0.8 4-7
niet-dominante 6.8 1.7 5-12 4.7 0.6 4-6
60-64 dominante 7.2 1.8 4-10 4.6 1.0 3-8
niet-dominante 7.0 1.7 4-10 4.5 0.9 3-7
65-69 dominante 7.7 1.9 5-12 4.8 0.9 3-7
niet-dominante 7.0 1.3 5-10 4.8 1.1 3-8
70-75 dominante 6.3 1.2 5-10 4.6 1.2 3-7
niet-dominante 6.0 1.2 5-01 4.5 1.0 3-8
75+ dominante 6.4 1.5 3-10 4.4 1.3 2-7
niet-dominante 6.3 1.7 4-11 4.2 1.1 2-6
ALL dominante
niet-dominante
PALMER-KNIJPEN - NORMEN VOOR KNIJPSTERKTE VAN VOLWASSENEN (KILOGRAMS)
mannen vrouwen
leeftijd hand gemiddelde SD laag-hoog gemiddelde SD laag-hoog
20-24 dominante 12.1 2.4 8-20 7.8 1.0 6-10
niet-dominante 11.7 2.6 7-19 7.4 1.3 5-11
25-29 dominante 11.8 2.0 9-16 8.0 1.5 6-13
niet-dominante 11.4 1.9 9-16 7.7 1.4 6-12
30-34 dominante 11.2 2.1 7-15 8.8 2.3 5-15
niet-dominante 11.5 2.6 7-17 8.2 2.2 5-15
35-39 dominante 11.9 1.9 9-16 8.0 1.9 6-13
niet-dominante 11.8 2.5 6-18 7.8 1.5 5-11
40-44 dominante 11.1 2.0 8-17 7.7 1.4 5-10
niet-dominante 11.3 2.2 7-17 7.5 1.6 6-11
45-49 dominante 10.9 1.5 9-15 8.1 1.4 5-12
niet-dominante 10.8 1.7 4-15 8.0 1.3 5-11
50-54 dominante 10.8 2.5 7-16 7.9 1.4 5-10
niet-dominante 10.9 2.6 7-16 7.5 1.3 5-10
55-59 dominante 10.8 2.2 7-15 7.3 1.4 5-12
niet-dominante 9.7 2.0 5-13 7.0 1.4 5-10
60-64 dominante 9.9 1.5 7-13 6.7 1.4 5-9
niet-dominante 9.6 1.5 7-12 6.5 1.2 5-9
65-69 dominante 9.7 1.4 7-11 6.5 1.4 4-9
niet-dominante 9.6 1.9 6-14 6.2 1.5 4-10
70-75 dominante 8.2 1.5 6-12 6.5 1.2 4-9
niet-dominante 8.5 1.5 6-12 6.4 0.9 5-8
75+ dominante 8.5 1.9 4-12 5.5 1.2 4-8
niet-dominante 8.3 1.7 5-12 5.2 1.2 3-7
ALL dominante 10.6 2.3 4-20 7.4 1.7 4-15
niet-dominante 10.5 2.4 5-19 7.1 1.6 3-15
Vingergoniometer –De vingergoniometer kan worden gebruikt om het actieve of
passieve gewrichtsbewegingsbereik te meten. Het meet de gewrichtsflexie en hyper-
extensie. Deze meter wordt gekalibreerd in graden.
Lijn het fulcrum van de goniometer uit met het anatomische fulcrum van het
gewricht dat wordt gemeten. Plaats de aan de wijzerindicator bevestigde platte arm
van de goniometer op het midden van de te meten ledemaat. Houd beide armen van
de goniometer vast en beweeg het gewricht door het gehele bewegingsbereik (dit
kan actief door de persoon of passief door de onderzoeker worden gedaan). Het
bewegingsbereik kan rechtsreeks van de wijzerindicator worden afgelezen.
3-punts esthesiometer – De esthesiometer is een sensorisch instrument dat de per-
ceptie van de tweepunts cutane drempel van een persoon meet. De derde punt
maakt het mogelijk af te wisselen tussen enkele- en dubbelepunts stimulatie zonder
de afstandsinstelling te wijzigen. Het instrument is bijzonder licht van gewicht zodat
het de aanraak- en pijndrempel niet beïnvloedt. De tips zijn van kunststof om de
invloed van de temperatuursensatie te minimaliseren.
Doe de persoon een blinddoek om of laat de persoon de ogen sluiten. Stel de twee
punten dicht bij elkaar in (minimale afstandsuitlezing). Laat beide punten tegelijker-
tijd de huid van de persoon lichtjes aanraken. Vraag de persoon of hij/zij één of twee
punten voelt. Als het antwoord één punt is, stelt u de twee punten verder van elka-
ar vandaan en herhaalt u de test totdat de persoon meldt dat hij/zij twee punten
voelt. Herhaal de tweepunts cutane drempel rechtstreeks van de gekalibreerde
schaal op de behuizing van de esthesiometer.
Tijdens het onderzoek moet ter controle uitsluitend één punt worden gebruikt om de
huid aan te raken bij bepaalde onderzoeken. Dit kan worden gedaan door de handi-
ge derde punt te gebruiken of door de twee punten te scheiden zodat er slechts één
punt hoeft te worden gebruikt.
Verschillende plaatsen op de huid hebben aanzienlijk verschillende tweepunts drem-
pels. Het is interessant dat zich een is in de tweepunts cutane gevoeligheid voordoet
die tot stand wordt gebracht door oefening en een overdrachteffect van één sym-
metrische plaats op de huid op een andere na oefening op de eerste plaats.
Vingeromtrekmeter – De vingeromtrekmeter kan worden gebruikt om de diameter
van de vinger en/of de met oedeem gepaard gaande zwelling te meten. Deze meter
wordt gekabibreerd in inches en centimeter.
Wikkel het web om de te evalueren vinger. Breng het web door het oogje op de lini-
aal. Trek het web erdoor en lees de vingeromtrekmeting rechtstreeks van de liniaal af.
Penwiel –Gebruik het penwiel om de cutane sensorische en/of pijnperceptie op te
wekken. De test wekt een grove ja/nee (aan/uit)- respons op. Er is geen specifieke
kalibratie-eenheid.
Verplaats het penwiel over het te testen huidgebied. Vraag de persoon of hij/zij één
of twee punten voelt. Indien de persoon negatief reageert, kan de test worden her-
haald met meer druk op het penwiel.
Functionele vingerbewegingsmeter – Meet de composiete vingerflexie en duim-en
vingeroppositie. Deze meter wordt gekalibreerd in centimeter.
Composiete vingerflexie: plaats het platte uiteinde van de kunststof meter op de
palmplooi van de persoon en laat de persoon zijn/haar vingers krommen. Lees de
composiete flexie van elke vinger rechtstreeks af van de meter (de afstand van de
palmplooi tot de vingertoppen van de maximaal gekromde vingers).
Duim- en vingeroppositie: laat de persoon de kleinst mogelijke stap tussen de duim
en vinger grijpen. Herhaal dit voor elke vinger (wijsvinger, middelste vinger,
ringvinger en pink).