Operation Manual

36 Hoofdstuk 3 Films bewerken en authoring met QuickTime Pro
2 Kies 'Wijzig' > 'Kopieer' (Mac) of 'Bewerken' > 'Kopiëren' (Windows) en open vervolgens
het tweede filmbestand.
3 Plaats de afspeelkop op de positie waar u de film wilt invoegen (meestal helemaal aan
het begin of het einde van de film) en kies 'Wijzig' > 'Plak' (Mac) of 'Bewerken'
> 'Plakken' (Windows).
4 Kies 'Archief' > 'Bewaar als' (Mac) of 'Bestand' > 'Opslaan als' (Windows) om de nieuwe
film een naam te geven en te bewaren.
Werken met sporen
Een QuickTime-film bestaat uit één of meer sporen. Elk spoor bevat een bepaald type
gegevens. Zo kan een QuickTime-film bijvoorbeeld bestaan uit een videospoor en
enkele muziek- en geluidseffectsporen.
Als u beschikt over QuickTime Pro, kunt u afzonderlijke sporen bewerken. U kunt
sporen naar een andere film kopiëren, in- en uitschakelen, verwijderen of de gegevens
in een spoor bewerken.
Sporen in- of uitschakelen
Als u beschikt over QuickTime Pro, kunt u een of meerdere sporen in- of uitschakelen.
U kunt bijvoorbeeld sporen uitschakelen om het bewerken van de film te
vereenvoudigen, of om een spoor in de definitieve film te verbergen. Wanneer u een
film exporteert, worden alleen de sporen geëxporteerd die zijn ingeschakeld.
Een filmspoor in- of uitschakelen
1 Kies in QuickTime Player 'Venster' > 'Toon filmkenmerken' (Mac) of 'Venster'
> 'Filmkenmerken tonen' (Windows).
De filmsporen worden getoond in de lijst boven in het kenmerkenvenster.
2 Schakel de gewenste sporen in (door het bijbehorende aankruisvak in te schakelen) of
uit (door het bijbehorende aankruisvak uit te schakelen).
Commentaarstem
Video 1
Video 2
Tekst - titel
Tekst - aftiteling
Geluidseffecten