Operation Manual

42
Handboek
NL
De robot wordt niet
aangeschakeld.
Batterijen in
beschermingsmodus onder het
minimum niveau.
Sluit de robot aan op de
acculader en wacht maximum
4 uren. Als de robot nog niet
aangeschakeld wordt,
moet het dichtst bijzijnde
assistentiecentrum
gecontacteerd worden.
De acculader wordt niet
aangeschakeld.
Gebrek aan stroomtoevoer .
Controleer of de stekker van
de acculader goed in het
stopcontact zit.
Zekering onderbroken.
Laat de zekering vervangen
bij het dichtst bijzijnde
assistentiecentrum.
De robot wordt niet
correct in het laadstation
gepositioneerd.
Foute positie van de draad of
van de stroomkabel van het
laadstation.
Controleer de aansluiting van
het laadstation.
Inzakking van het terrein nabij
het laadstation.
Positioneer het laadstation
op een vlakke en stabiele
ondergrond.
De robot staat stil, met 3 of
4 knipperingen van de led
PAUSE
De led van de zender is uit.
Controleer de correcte
aansluiting van het
stopcontact van het stroom-
voorzieningstoestel.
De led van de zender is vast
aan.
Controleer eventuele
onderbrekingen van de draad.
Voer de koppeling van de
draad uit.
De led van de zender knippert.
Controleer de correcte
installatie van de draad.
HIGH BATTERY
ON
OFF
ON
LOW BATTERY
PAUSE
START
STOP
1
2
3
4
5
1 FLITS fout rechter motor
2 FLITSEN fout linker motor
3 FLITSEN fout betreffende het mes
4 FLITSEN fout betreffende de kanteling
FOUTMELDING
5 FLITSEN fout diepte sensoren