Operation Manual
30
Handboek
NL
INDIENSTSTELLING. ROBOT MET LAADSTATION
Voorafgaande handelingen:
1. Controleer of het gras dat gemaaid moet worden een hoogte heeft die compatibel is voor de
correcte werking van de robot (raadpleeg de technische kenmerken op pagina 9).
2. Regel de gewenste maaihoogte (raadpleeg de regeling van de maaihoogte op pagina 27).
3. Controleer of het werkgebied correct afgebakend is en of geen hindernissen aanwezig
zijn die de regelmatige werking van de robot beletten, zoals aangeduid wordt in het deel
“Voorbereiding en afbakening van de werkgebieden” en volgende.
4. Koppel de robot los van de acculader (pag. 26).
5. Plaats de robot op het gras en op minstens 1 m (40,0 in.) afstand van obstakels.
De robot voert een dagelijkse werkcyclus uit door als begintijdstip van de werking dat van de
laatste inschakeling te nemen. Om het gras bijvoorbeeld dagelijks om 13:00 uur te maaien,
moet gewacht worden tot 13:00 uur en moet de handeling van de start van de robot uitgevoerd
worden:
6. Druk op de toets OFF/ON en wacht enkele seconden zodat de robot volledig aangeschakeld wordt.
7. Druk op de toets START/STOP om de robot te starten.
De robot zal na de werkcyclus het laadstation zoeken om de batterijen op te laden. Indien de
dagelijkse werkduur niet voldoende is om het maaigebied te maaien, zal de robot een nieuwe
werkcyclus uitvoeren.
Belangrijk
Voor een eventuele programmering van een irrigatiesysteem moet er rekening
mee gehouden worden dat de werkcycli maximum 12 uur achtereenvolgens du-
ren, vanaf het uur van de dagelijkse start.
Nadat de werkcycli zijn uitgevoerd, zal de robot de volgende dag een nieuwe werkcyclus
beginnen op hetzelfde tijdstip.
Tijdens de werkcyclus, als de robot in pauze wordt gesteld zonder hem uit te schakelen en daarna
weer wordt gestart, blijft als begintijdstip van de werkcyclus dat van de vorige inschakeling
ingesteld.
Tijdens de werkcyclus moet, om de robot naar het laadstation te zenden, de toets START/
STOP 4 seconden ingedrukt gehouden worden tot de robot weer in werking wordt gesteld in de
modaliteit van het zoeken van het laadstation.
Om nog een werkcyclus uit te voeren terwijl de robot zich in het laadstation bevindt, zonder
te wachten op het bepaalde tijdstip voor de eerste inschakeling, moet op de START/STOP
toets gedrukt worden. De robot verlaat het laadstation en voert een werkcyclus uit. Na de
werkcyclus zal de robot het laadstation bereiken en weer starten wanneer het tijdstip van de
vorige inschakeling wordt bereikt.
INDIENSTSTELLING. ROBOT ZONDER LAADSTATION
1. Controleer of het gras dat gemaaid moet worden een hoogte heeft die compatibel is voor de
correcte werking van de robot (raadpleeg de technische kenmerken op pagina 9).
2. Regel de gewenste maaihoogte (raadpleeg de regeling van de maaihoogte op pagina 27).
3. Controleer of het werkgebied correct afgebakend is en of geen hindernissen aanwezig
zijn die de regelmatige werking van de robot beletten, zoals aangeduid wordt in het deel
“Voorbereiding en afbakening van de werkgebieden” en volgende.
4. Koppel de robot los van de acculader (pag. 26).