Operation Manual

19
Handboek
NL
VOORBEREIDING EN AFBAKENING VAN DE WERKGEBIEDEN
Voorbereiding van het gras dat gemaaid moet worden
1. Controleer of het te maaien grasperk uniform is en geen kuilen, stenen of andere obstakels
bevat. Zoniet moet dit probleem opgelost worden. Wanneer bepaalde obstakels niet
verwijderd kunnen worden, moeten die zones gepast beschermd worden.
2. Controleer of alle zones van het grasperk zich binnen de toegestane waarde van de helling
bevinden (raadpleeg “Technische gegevens” op pagina 9).
De robot beweegt vrij op het grasperk dankzij sensoren die de aanwezigheid van het gras herkennen.
De tuin moet gepast gecontroleerd en aangepast worden zodat de robot over de noodzakelijke
ruimte beschikt om het gebrek aan gras te herkennen. Respecteer nauwgezet de onderstaande
opmerkingen zodat de robot veilig gebruikt kan worden.
OK
AFBAKENINGEN / BESCHERMINGEN
MUURTJE
HOGER DAN
9 cm. / 3,5 inc.
BEVLOERING BREDER DAN
25 cm. / 9,8 inc.
Met diepte sensor
minimum breedte 10cm./4,0 inc.
HAAG BOOGJES
Types van afbakeningen/beschermingen die gebruikt kunnen worden voor een correcte beperking van de werkzone van de robot
De robot moet een ruimte
van minstens 25 cm (9,84 in.)
zonder gras detecteren om
veilig te kunnen stoppen en de
bewegingsrichting te wijzigen. Als
het grasperk afgebakend is met
een voetpad of een kantsteen
moet deze minstens 25 cm. (9,84
in) breed zijn. Kantstenen die
minder dan 25 cm (9,84 in.) breed
zijn, moeten beschermd worden
met een bevloering of andere
afbakeningen in het terein, zoals
wordt aangeduid op de afbeelding,
zodat de robot er kan tegen stoten.
De robot met diepte sensor moet
een gebied van 10 cm./4,0 inc.
zonder gras detecteren.
OK
BEVLOERING
MINSTENS
25 cm. / 9,8 inc. BREED
Met diepte sensor
minimum breedte 10cm./4,0 inc.