Operation Manual
27
Handboek
NL
8. Monteer de bescherming (L).
9. Sluit de stroomkabel (E) van het
laadstation (F) aan op de zender (B).
10. Plaats de schakelaar (C) van het
stroomvoorzieningstoestel op OFF.
11. Stop de stekker van het stro-
omvoorzieningstoestel (A) in het
stopcontact.
12. Plaats de schakelaar (C) van het
stroomvoorzieningstoestel op ON.
13. Als de led (G) oplicht en de led (H)
groen knippert, is de aansluiting
correct. Zoniet moet het probleem
gezocht worden (raadpleeg “Het
zoeken van defecten”).
bescherming (L)
stroomvoorzieningstoestel (A)
stroomkabel (E)
omtrekdraad
zender (B)
led (H)
led (G)
H. min. 160 cm
(63.00 inc.)
knop (C)
laadstation
HET OPLADEN VAN DE BATTERIJEN VOOR HET EERSTE GEBRUIK
1. Plaats de robot in het laadstation.
2. Druk op de toets ON.
3. Na enkele seconden verschijnt op
het display het bericht “Bezig met
laden”.
4. Druk op de toets “Start/Pause”.
Op het display verschijnt de functie
“PAUSE”. De batterijen beginnen
de laadcyclus.
5. Na het opladen kan de robot
geprogrammeerd worden voor
de inwerkingstelling (raadpleeg
“Programmeringsmodaliteit”).
TOETS “ON” TOETS “START/PAUSE”
De batterijen moeten bij de eerste oplading minstens 24 uren aangesloten blijven.
Belangrijk