Operation Manual

23
Handboek
NL
Draad op het terrein geplaatst
1. Plaats de draad in wijzerszin langs het
volledige traject en bevestig hem met de
daarvoor bestemde en bijgeleverde nagels
(afstand tussen de nagels 100÷200 cm
(39,37÷78,74 inc.)).
– Tijdens de plaatsing van de omtrekdraad
moet de rotatiezin rond de bloemperken
(tegenwijzerszin) gerespecteerd worden.
– In de rechtlijnige delen mag de draad niet
te erg gespannen, gebogen en/of gedraaid
zijn.
– In niet-rechtlijnige delen moet de draad
zodanig geplaatst worden dat hij niet
gedraaid wordt, maar zodat een regelmatige
bocht wordt gevormd.
NEE
nagels voor de bevestiging
van de draad
omtrekdraad
Draad onder de grond gestopt
1. Graaf het terrein regelmatig en symmetrisch uit tegenover de lijn die afgetekend werd op het
terrein.
2. Plaats de draad in wijzerszin langs het volledige traject, enkele centimeters diep (ongeveer
2÷3 cm (0.7874÷ 1.1811 inc.)) zodat de kwaliteit en de intensiteit van het signaal voor de robot
niet wordt beperkt.
3. Blokkeer de draad indien noodzakelijk met de daarvoor bestemde nagels zodat hij in positie
wordt gehouden wanneer de gleuf wordt gevuld.
4. Bedek de gleuf helemaal, en zorg er voor dat de draad niet draait maar rechtlijning blijft en dat
de bochten regelmatig worden gevormd.
Belangrijk
In de delen van het traject waar het no-
odzakelijk is om twee parallelle draden
te doen passeren (om bijvoorbeeld een
bloemenperk af te bakenen), moeten ze
mekaar overlappen en op een afstand
van maximum 1 cm (0,40 inc.) bevinden.
doorgang
< 70 cm (27,56 inc.)
GESLOTEN ZONE
35 cm
(13,78 inc.)
HOOFDZONE
Max 1 cm
(0,40 inc.)
NEE