Operation Manual

207
PHOTOSHOP ELEMENTS 9 GEBRUIKEN
Filters, effecten, stijlen en illustraties
Laatst bijgewerkt 10/2/2012
Een filter toepassen
1 Kies het gebied waarop u het filter wilt toepassen:
Als u een filter wilt toepassen op een gehele laag, deselecteert u geselecteerde gebieden en selecteert u vervolgens de
laag in het deelvenster Lagen.
Als u een filter wilt toepassen op een gedeelte van een laag, gebruikt u een selectiegereedschap om een gebied te
selecteren.
2 Geef aan hoe u het filter wilt toepassen.
Als u de Filtergalerie wilt gebruiken, kiest u Filter > Filtergalerie, selecteert u een categorie en klikt u op het filter
dat u wilt toepassen.
Als u het deelvenster Effecten wilt gebruiken, kiest u Venster > Effecten, selecteert u een categorie en dubbelklikt u
op het filter dat u wilt toepassen. U kunt een filter ook naar de afbeelding slepen.
Als u het menu Filter wilt gebruiken, kiest u Filter en kiest u vervolgens een submenu gevolgd door het filter dat u
wilt toepassen. Als er drie puntjes (…) achter de naam van het filter staan, verschijnt het dialoogvenster Filteropties.
3 Als er een dialoogvenster verschijnt, moet u daar waarden invoeren of opties selecteren.
4 Selecteer de optie Voorvertoning of Voorbeeld (indien beschikbaar) om een voorvertoning van het filter te bekijken
in het documentvenster. Afhankelijk van het filter en de wijze waarop u dat filter toepast, kunt u op een van de
volgende manieren een voorvertoning van het filter weergeven:
Met de knoppen + of - onder het voorvertoningsvenster kunt u in- of uitzoomen op de voorvertoning.
Klik op de zoombalk (waar het zoompercentage verschijnt) om een zoompercentage te kiezen.
Klik en sleep in het voorvertoningsvenster om een specifiek gedeelte van de afbeelding in het midden van het
venster te plaatsen.
Klik op de knop Weergeven/verbergen boven in het dialoogvenster om de miniaturen van filters te verbergen.
Wanneer u de miniaturen verbergt, is er meer ruimte voor de voorvertoning.
Klik op het oogpictogram naast een filter om het effect in de voorvertoning te verbergen.
5 Als het dialoogvenster schuifregelaars bevat, houdt u Alt (of Option in Mac OS) ingedrukt terwijl u een
schuifregelaar sleept om een real-time voorvertoning (real-time rendering) te zien.
6 Klik in het afbeeldingsvenster om een specifiek gedeelte van de afbeelding midden in het voorvertoningsvenster te
plaatsen. (Dit werkt niet bij alle voorvertoningsvensters.)
Opmerking: Een knipperende lijn onder de voorvertoningsgrootte geeft aan dat de voorvertoning wordt gegenereerd.
7 Als u de Filtergalerie gebruikt of als het filter wordt geopend in de Filtergalerie, voert u een van de volgende
handelingen uit en klikt u op OK:
Klik op de knop Nieuwe effectlaag onder in het dialoogvenster en kies een extra filter dat u wilt toepassen. U
kunt meerdere effectlagen toevoegen om meerdere filters toe te passen.
Rangschik toegepaste filters opnieuw door een filternaam naar een andere positie in de lijst met toegepaste filters
onder in het dialoogvenster te slepen. Door de filters opnieuw te rangschikken kunt u het uiterlijk van de afbeelding
volkomen wijzigen.
Verwijder toegepaste filters door het filter te selecteren en te klikken op de knop Effectlaag verwijderen .
8 Voer een van de volgende handelingen uit en klik op OK als u een filteropdracht of het deelvenster Effecten
gebruikt:
Dubbelklik op het filter.
Sleep het filter naar de afbeelding.