Operation Manual

Elke meting meet een of meer gegevenspunten. De gegevenspunten die u selecteert, bepalen welke gegevens worden vastgelegd in het
metingslogbestand. De gegevenspunten komen overeen met het type gereedschap waarmee u de meting uitvoert. Gebied, perimeter, hoogte
en breedte zijn de beschikbare gegevenspunten voor het meten van selecties. Lengte en hoek zijn beschikbare gegevenspunten voor
metingen die worden uitgevoerd met het gereedschap Liniaal. U kunt sets met gegevenspunten maken en opslaan voor bepaalde typen
metingen, zodat u sneller kunt werken.
1. Open een bestaand document.
2. Kies Analyse > Metingsschaal instellen en kies een metingsschaalvoorinstelling voor het document (zie De metingsschaal instellen
(Photoshop Extended)) of kies Aangepast en stel een aangepaste metingsschaal in.
Metingen worden berekend en vastgelegd in het metingslogbestand. Hierbij worden de schaaleenheden gebruikt die van kracht zijn op het
moment waarop een meting wordt vastgelegd. Als er geen metingsschaal is, wordt de standaardschaal 1 pixel = 1 pixel gebruikt.
3. (Optioneel) Kies Analyse > Gegevenspunten selecteren en voer een van de volgende handelingen uit:
Kies Aangepast om de gegevenspunten te selecteren die u wilt meten.
Selecteer een bestaande voorinstelling voor een gegevenspunt in het submenu.
In het dialoogvenster Gegevenspunten selecteren worden de gegevenspunten gegroepeerd op basis van het meetgereedschap waarmee ze
kunnen worden gemeten. De Algemene gegevenspunten kunnen door alle gereedschappen worden gebruikt. Ze voegen nuttige informatie
toe aan het metingslogbestand, zoals de naam van het bestand dat wordt gemeten, de metingsschaal en de datum of tijd van de meting.
Standaard zijn alle gegevenspunten geselecteerd. U kunt een subset gegevenspunten selecteren voor een bepaald type meting en deze
combinatie vervolgens opslaan als een voorinstelling voor gegevenspunten.
Opmerking: Wanneer u een meting uitvoert met een bepaald gereedschap, worden alleen de gegevenspunten die aan dat gereedschap
zijn gekoppeld, weergegeven in het logbestand, zelfs wanneer andere gegevenspunten zijn geselecteerd. Als u bijvoorbeeld een meting
uitvoert met het gereedschap Liniaal, worden alleen de gegevenspunten voor het gereedschap Liniaal weergegeven in het
metingslogbestand, samen met eventuele algemene gegevenspunten die zijn geselecteerd.
4. Kies een afbeeldingsfunctie en een meetgereedschap die overeenkomen met de geselecteerde gegevenspunten. Voer een van de volgende
handelingen uit:
Maak een of meerdere selecties in de afbeelding.
Kies Analyse > Gereedschap Liniaal of klik op het gereedschap Liniaal in de gereedschapset en meet de lengte van een
afbeeldingsgebied.
Kies Analyse > Gereedschap Tellen of klik op het gereedschap Tellen in de gereedschapset en tel de elementen in de afbeelding.
5. Kies Venster > Metingslogbestand om het deelvenster Metingslogbestand te openen.
6. Kies Analyse > Metingen opnemen of klik op Metingen opnemen in het deelvenster Metingslogbestand.
Opmerking: Als de geselecteerde gegevenspunten niet overeenkomen met het geselecteerde meetgereedschap, wordt u gevraagd
gegevenspunten te selecteren voor dat gereedschap.
Het metingslogbestand bevat een kolom voor elk gegevenspunt dat u hebt geselecteerd in het dialoogvenster Gegevenspunten selecteren.
Voor iedere meting die u uitvoert, wordt een nieuwe rij gegevens toegevoegd aan het metingslogbestand.
Als u meerdere geselecteerde gebieden in een afbeelding meet, wordt één rij gegevens gemaakt in het logbestand met een overzicht van of
alle gegevens voor alle geselecteerde gebieden, gevolgd door een rij gegevens voor elk geselecteerd gebied. Elk selectiegebied wordt als
een afzonderlijk element opgenomen in de kolom Label van het logbestand. Bovendien wordt aan elk selectiegebied een uniek nummer
toegewezen.
U kunt stap 2 tot en met 6 herhalen voor verschillende selecties in hetzelfde of in een ander document. In de kolom Document in het
metingslogbestand staat de bron van de meetgegevens.
Gegevenspunten voor metingen
Hoek Hoek of oriëntatie (±0-180) van het gereedschap Liniaal.
Gebied Het gebied van de selectie, uitgedrukt in vierkante pixels of in gekalibreerde eenheden volgens de ingestelde metingsschaal (bijvoorbeeld
vierkante millimeters).
Cirkelvormigheid 4pi (gebied/omtrek ). Een waarde van 1,0 betekent een perfecte cirkel. Hoe dichter de waarde bij 0,0 ligt, hoe langer de
veelhoek wordt. Deze waarden zijn wellicht niet geldig voor bijzonder kleine selecties.
Aantal Dit aantal varieert op basis van het gebruikte meetgereedschap. Selectiegereedschap: het aantal niet-aangrenzende selectiegebieden in
de afbeelding. Het gereedschap Tellen: het aantal getelde elementen in de afbeelding. Het gereedschap Liniaal: het aantal zichtbare liniaallijnen (1
of 2).
Datum en tijd Geeft de datum en tijd aan waarop de meting is uitgevoerd.
Document Geeft aan welk document(bestand) is gemeten.
Grijswaarde Dit is een meting van de helderheid die als volgt wordt uitgedrukt: van 0 tot 255 (voor 8-bits afbeeldingen), 0 tot 32.768 (voor 16-bits
afbeeldingen) of 0,0 tot 10 (voor 32-bits afbeeldingen). Voor alle metingen die betrekking hebben op grijswaarden, wordt de afbeelding intern
omgezet in grijswaarden aan de hand van het standaardgrijswaardenprofiel (net als wanneer u Afbeelding > Modus > Grijswaarden kiest). De
gewenste berekeningen (gemiddelde waarde, mediaanwaarde, minimale en maximale waarde) worden berekend voor elk element en voor het
overzicht.
2