Operation Manual
Naar boven
Naar boven
Naar boven
Variabele van het type Grafiekgegevens .
Variabele zonder type (niet gekoppeld) .
U kunt de rijen sorteren door te klikken op de items in de kopbalk: op de naam van de variabele, de objectnaam of het type variabele.
Variabelen maken
U kunt in Illustrator vier typen variabelen maken: Grafiekgegevens, Gekoppeld bestand, Tekstreeks en Zichtbaarheid. Het type van de variabele
geeft aan welke objectkenmerken kunnen worden gewijzigd (dat wil zeggen, dynamisch zijn).
Opmerking: Het menu van het deelvenster Variabelen bevat ook opdrachten om variabelen te maken.
Een variabele van het type Zichtbaarheid maken
Selecteer de objecten die u wilt weergeven of verbergen en klik op de knop Zichtbaarheid dynamisch maken in het deelvenster Variabelen.
Een variabele van het type Tekstreeks maken
Selecteer een type object en klik op de knop Object dynamisch maken in het deelvenster Variabelen.
Een variabele van het type Gekoppeld bestand maken
Selecteer een gekoppeld bestand en klik op de knop Object dynamisch maken in het deelvenster Variabelen.
Een variabele van het type Grafiekgegevens maken
Selecteer een grafiekobject en klik op de knop Object dynamisch maken in het deelvenster Variabelen.
Een variabele maken zonder deze aan een object te koppelen
Klik op de knop Nieuwe variabele in het deelvenster Variabelen. Als u vervolgens een object aan de variabele wilt koppelen, selecteert u het
object en de variabele en klikt u op de knop Zichtbaarheid dynamisch maken of de knop Object dynamisch maken.
Variabelen bewerken
U kunt de naam of het type van een variabele bewerken, de binding van een variabele opheffen en een variabele vergrendelen met gebruik van
het deelvenster Variabelen.
Als u de binding van een variabele opheft, wordt de koppeling tussen de variabele en het object verbroken. Als u variabelen vergrendelt kunt u
geen variabelen maken of verwijderen of opties voor variabelen bewerken. U kunt echter wel objecten aan vergrendelde variabelen binden en
deze binding weer opheffen.
De naam en het type van een variabele wijzigen
Dubbelklik op de variabele in het deelvenster Variabelen. U kunt ook de variabele selecteren in het deelvenster Variabelen en Variabele-opties
kiezen in het menu van het deelvenster Variabelen.
De binding van een variabele opheffen
Klik op de knop Binding van variabele opheffen in het deelvenster Variabelen of kies Binding van variabele opheffen in het menu van het
deelvenster Variabelen.
Alle variabelen in een document vergrendelen of ontgrendelen
Klik in het deelvenster Variabelen op de knop Variabelen vergrendelen of Variabelen ontgrendelen .
Variabelen verwijderen
Wanneer u een variabele verwijdert, wordt deze verwijderd uit het deelvenster Variabelen. Als u een variabele verwijdert die is gekoppeld aan een
object, wordt het object statisch (tenzij het object ook is gekoppeld aan een variabele van een ander type).
1. Selecteer een variabele die u wilt verwijderen.
2. Voer een van de volgende handelingen uit:
Klik op het pictogram Variabele verwijderen in het deelvenster Variabelen of kies Variabele verwijderen in het menu van het
deelvenster Variabelen.
Als u een variabele wilt verwijderen zonder dat er een bevestigingsbericht wordt weergegeven, sleept u de variabele naar het pictogram
Variabele verwijderen.
524










