Operation Manual
Werken met effecten
Naar boven
Naar boven
Naar boven
Effecten
Een effect toepassen
Rastereffecten
Rasteropties
Effecten toepassen op bitmapafbeeldingen
Prestaties van effecten verbeteren
Een effect aanpassen of verwijderen
Effecten
Illustrator bevat allerlei effecten die u kunt toepassen op een object, groep of laag om de eigenschappen hiervan te wijzigen.
Illustrator CS3 en lager bevatten effecten en filters, maar nu bevat Illustrator alleen nog effecten (en SVG-filters). Het belangrijkste verschil tussen
een filter en een effect is dat een object of laag met een filter voorgoed wordt gewijzigd en dat een effect en de bijbehorende eigenschappen op
elk gewenst moment kunnen worden gewijzigd of verwijderd.
Zodra u een effect op een object hebt toegepast, wordt het effect in het deelvenster Vormgeving weergegeven. Vanuit het deelvenster Vormgeving
kunt u het effect bewerken, verplaatsen, dupliceren, verwijderen of opslaan als onderdeel van een afbeeldingsstijl. Als u een effect gebruikt, moet
u het object eerst uitbreiden voordat u toegang hebt tot de nieuwe punten.
Opmerking: Lagere versies van Illustrator bevatten filters en effecten.
De effecten in de bovenste helft van het menu Effecten zijn vectoreffecten. Deze effecten kunt u alleen toepassen op vectorobjecten of op de
vulling of lijn van een bitmapobject in het deelvenster Vormgeving. De volgende effecten en effectencategorieën in het bovenste gedeelte zijn
uitzonderingen op deze regel en kunnen op zowel vector- als bitmapobjecten worden toegepast: 3D-effecten, SVG-filters, Kromtrekeffecten,
Transformatie-effecten, Slagschaduw, Doezelaar, Binnenste gloed en Buitenste gloed.
De effecten in het onderste gedeelte van het menu Effecten zijn rastereffecten. U kunt ze op zowel vector- als bitmapobjecten toepassen.
Op www.adobe.com/go/lrvid4022_ai_nl vindt u een video over het gebruik van de deelvensters Vormgeving en Afbeeldingsstijlen.
Een effect toepassen
1. Selecteer het object of de groep (of wijs een laag aan in het deelvenster Lagen).
Als u een effect wilt toepassen op een specifiek kenmerk van een object, bijvoorbeeld de vulling of lijn, selecteert u het object en daarna het
kenmerk in het deelvenster Vormgeving.
2. Voer een van de volgende handelingen uit:
Kies een opdracht in het menu Effect.
Klik op Nieuw effect toevoegen in het deelvenster Vormgeving en kies een effect.
3. Als een dialoogvenster wordt weergegeven, stelt u opties in en klikt u op OK.
Als u het effect en de laatstgebruikte instellingen wilt toepassen, kiest u Effect > [Effectnaam] toepassen. Als u het laatstgebruikte effect
wilt toepassen en de opties hiervan wilt instellen, kiest u Effect > [Effectnaam].
Rastereffecten
Rastereffecten zijn effecten die pixels in plaats van vectorgegevens genereren. Voorbeelden van rastereffecten zijn SVG-filters, alle effecten in het
onderste gedeelte van het menu Effect, en de opdrachten Binnenste gloed, Buitenste gloed, Doezelaar en Slagschaduw in het submenu Effect >
Stileer.
Met de RIE-functie (Resolution Independent Effects) in Illustrator CS5 kunt u het volgende doen:
Wanneer de resolutie in Instellingen van rastereffecten document wordt gewijzigd, krijgen de parameters van het effect een andere waarde
zodat de weergave van het effect minimaal of helemaal niet afwijkt. De nieuwe gewijzigde parameterwaarden worden weerspiegeld in het
dialoogvenster Effect.
Voor effecten met meerdere parameters krijgen in Illustrator alleen de parameters die gerelateerd zijn aan de resolutie-instelling van de
rastereffecten van het document, een andere waarde.
Het dialoogvenster Halftoonpatroon bevat bijvoorbeeld verschillende parameters. Wanneer de Instellingen van rastereffecten document
428










