Operation Manual

Oppervlak Hiermee kunt u opties kiezen voor de schaduw van oppervlakken:
Draadframe Hiermee worden de contouren van de geometrie van het object omlijnd en wordt elk oppervlak transparant.
Geen lichteffect Hiermee voegt u nieuwe oppervlakeigenschappen toe aan het object. Het 3D-object heeft dezelfde kleur als het
originele 2D-object.
Diffuus lichteffect Hiermee laat u het object licht reflecteren in een zacht, diffuus patroon.
Ruimtelijk lichteffect Hiermee laat u het object licht reflecteren alsof het is gemaakt van glanzend, glimmend materiaal.
Opmerking: Afhankelijk van de optie die u kiest, zijn er verschillende belichtingsopties beschikbaar. Als het object alleen het effect
Roteren in 3D gebruikt, zijn alleen de oppervlakopties Diffuus lichteffect of Geen lichteffect beschikbaar.
Lichtintensiteit Hiermee stelt u de lichtintensiteit in op een waarde tussen 0% en 100%.
Omgevingslicht Hiermee regelt u de globale belichting, die op uniforme wijze de helderheid van alle objectoppervlakken verandert. Voer een
waarde in tussen 0% en 100%.
Intensiteit van markering Met waarden tussen 0% en 100% bepaalt u in welke mate het object licht reflecteert. Lagere waarden produceren een
mat oppervlak en hogere waarden geven een glimmender oppervlak.
Grootte van markering Hiermee regelt u de grootte van de markering van groot (100%) tot klein (0%).
Overvloeistappen Hiermee bepaalt u hoe vloeiend het lichteffect wordt weergegeven over de oppervlakken van het object. Voer een waarde in
tussen 1 en 256. Hogere waarden produceren vloeiendere lichteffecten en meer paden dan lagere waarden.
Verborgen vlakken weergeven Hiermee geeft u de verborgen achtervlakken van het object weer. De achtervlakken zijn zichtbaar als het object
transparant is of als het object wordt uitgebreid en vervolgens uit elkaar wordt gehaald.
Opmerking: Als het object transparant is en u wilt de verborgen achtervlakken weergeven door de transparante voorvlakken heen, past u de
opdracht Object > Groeperen op het object toe voordat u het 3D-effect toepast.
Steunkleuren behouden (effect Diepte geven en voorzien van schuine kanten, effect Draaien en effect Roteren) Hiermee kunt u
steunkleuren in het object behouden. U kunt steunkleuren niet behouden als u voor de optie Schaduwkleur de instelling Aangepast kiest.
Voorbeelden van verschillende lichteffecten voor oppervlakken
A. Draadframe B. Geen lichteffect C. Diffuus lichteffect D. Ruimtelijk lichteffect
Belichtingsopties
Licht Hier definieert u waar het licht zich bevindt. Sleep het licht naar de gewenste positie op de lichtbol.
Knop Geselecteerd licht naar achtergrond van object verplaatsen Hiermee plaatst u het geselecteerde licht achter het object.
Knop Geselecteerd licht naar voorgrond van object verplaatsen Hiermee plaatst u het geselecteerde licht vóór het object.
Knop Nieuw licht
Hiermee voegt u licht toe. Standaard worden nieuwe lichten vooraan in het midden van de lichtbol geplaatst.
Knop Licht verwijderen Hiermee verwijdert u het geselecteerde licht.
Opmerking: Een object krijgt bij een 3D-effect standaard één licht toegewezen. U kunt lichten toevoegen en verwijderen, maar het object moet
altijd minstens één licht hebben.
Lichtintensiteit Hiermee stelt u de intensiteit van het geselecteerde licht in op een waarde tussen 0% en 100%.
Schaduwkleur Hiermee regelt u de schaduwkleur van het object afhankelijk van de gekozen opdracht:
Geen Hiermee voegt u geen kleur toe aan de schaduw.
Aangepast Hiermee kunt u een aangepaste kleur kiezen. Als u deze optie kiest, klikt u op het vak Schaduwkleur opgeven en selecteert u
een kleur in de Kleurkiezer. Steunkleuren veranderen in proceskleuren.
Zwart Hiermee vermijdt u proceskleuren als u met steunkleuren werkt. Het object wordt van een schaduw voorzien door zwarttinten over
de vulkleur van het object heen te drukken. Kies Weergave > Voorvertoning overdruk om de schaduw weer te geven.
Steunkleuren behouden Hiermee kunt u steunkleuren in het object behouden. U kunt steunkleuren niet behouden als u voor de optie
Schaduwkleur de instelling Aangepast kiest.
300