Operation Manual

Naar boven
Schuintrekken ten opzichte van het middelpunt (links) vergeleken met schuintrekken ten opzichte van een door de gebruiker gedefinieerd
referentiepunt (rechts)
Objecten schuintrekken met het gereedschap Schuintrekken
1. Selecteer een of meer objecten.
2. Selecteer het gereedschap Schuintrekken
.
3. Voer een van de volgende handelingen uit:
Als u een object wilt schuintrekken ten opzichte van het middelpunt, sleept u in het documentvenster.
Als u een object wilt schuintrekken ten opzichte van een ander referentiepunt , klikt u in het documentvenster om het referentiepunt te
verplaatsen en sleept u de aanwijzer bij het referentiepunt vandaan totdat het object de gewenste helling heeft.
Als u het object langs de verticale as wilt schuintrekken, sleept u omhoog of omlaag in het documentvenster. Houd Shift ingedrukt als u
de oorspronkelijke breedte van het object wilt behouden.
Als u het object langs de horizontale as wilt schuintrekken, sleept u naar links of naar rechts in het documentvenster. Houd Shift
ingedrukt als u de oorspronkelijke hoogte van het object wilt behouden.
Objecten schuintrekken met de opdracht Schuintrekken
1. Selecteer een of meer objecten.
2. Voer een van de volgende handelingen uit:
Kies Object > Transformeren > Schuintrekken of dubbelklik op het gereedschap Schuintrekken om het object vanuit het middelpunt
schuin te trekken
.
Als u wilt schuintrekken ten opzichte van een ander referentiepunt, selecteert u het gereedschap Schuintrekken en houdt u Alt
(Windows) of Option (Mac OS) ingedrukt terwijl u klikt op de plaats waar het referentiepunt moet komen in het documentvenster.
3. Typ in het dialoogvenster Schuintrekken een waarde voor de schuintrekhoek tussen -359 en 359. De schuintrekhoek is de mate waarin het
object naar rechts wordt schuingetrokken en deze hoek is relatief ten opzichte van een lijn die loodrecht staat op de schuintrekas.
4. Selecteer de as waarlangs u het object wilt schuintrekken.
Als u een geroteerde as kiest, voert u een waarde in tussen –359 en 359 ten opzichte van de horizontale as.
5. Als de objecten een vulpatroon bevatten, selecteert u Patronen om het patroon te verplaatsen. Schakel Objecten uit als u wel het patroon en
niet de objecten wilt verplaatsen.
6. Klik op OK of klik op Kopiëren als u een kopie van de objecten wilt schuintrekken.
Objecten schuintrekken met het gereedschap Vrije transformatie
1. Selecteer een of meer objecten.
2. Selecteer het gereedschap Vrije transformatie
.
3. Voer een van de volgende handelingen uit:
Als u wilt schuintrekken langs de verticale as van het object, begint u te slepen vanuit de handgreep links of rechts in het midden van
het omsluitende kader en houdt u Ctrl+Alt (Windows) of Option+Command (Mac OS) ingedrukt terwijl u omhoog of omlaag sleept. U
kunt ook Shift ingedrukt houden als u de oorspronkelijke breedte van het object wilt behouden.
Als u wilt schuintrekken langs de horizontale as van het object, begint u te slepen vanuit de handgreep boven het midden of onder het
midden van het omsluitende kader en houdt u Ctrl+Alt (Windows) of Option+Command (Mac OS) ingedrukt terwijl u naar links of rechts
sleept. U kunt ook Shift ingedrukt houden als u de oorspronkelijke hoogte van het object wilt behouden.
Objecten schuintrekken met het deelvenster Transformeren
1. Selecteer een of meer objecten.
2. Typ in het deelvenster Transformeren een waarde in het tekstvak Schuintrekken.
Als u het referentiepunt wilt wijzigen, klikt u op een wit vierkantje op de indicator voor het referentiepunt
voordat u de waarde invoert.
U kunt het deelvenster Transformeren ook openen door in het deelvenster Beheer op X, Y, B of H te klikken.
Objecten vervormen
U kunt objecten vervormen met het gereedschap Vrije transformatie of met een uitvloeiingsgereedschap. Gebruik het gereedschap Vrije
transformatie als u objecten vrij wilt vervormen; kies een uitvloeiingsgereedschap als u gebruik wilt maken van specifieke, vooraf ingestelde
vervormingen zoals kronkels, plooien of kreukels.
Objecten vervormen met het gereedschap Vrije transformatie
270