Operation Manual

Naar boven
Objecten schalen tot een bepaalde breedte en hoogte
1. Selecteer een of meer objecten.
2. Typ in het deelvenster Transformeren een nieuwe waarde in het vak voor de breedte (B) of de hoogte (H) of in beide vakken.
U kunt een van de volgende handelingen uitvoeren voordat u een waarde invoert om het schalen te besturen:
Als u de verhoudingen van het object wilt behouden, klikt u op de knop voor het beperken van de verhoudingen .
Als u het referentiepunt voor het schalen wilt wijzigen, klikt u op een wit vierkantje op de indicator voor het referentiepunt .
Als u paden met lijnen en grootteafhankelijke effecten samen met het object wilt schalen, kiest u Lijnen en effecten schalen in het
deelvenstermenu.
U kunt de verhoudingen ook behouden door een waarde in te voeren in het vak B of H en vervolgens Ctrl (Windows) of Command (Mac OS)
ingedrukt te houden en op Enter te drukken.
Objecten schalen met een specifiek percentage
1. Selecteer een of meer objecten.
2. Voer een van de volgende handelingen uit:
Kies Object > Transformeren > Schalen of dubbelklik op het gereedschap Schalen om vanuit het middelpunt te schalen.
Als u wilt schalen ten opzichte van een ander referentiepunt, selecteert u het gereedschap Schalen en houdt u Alt (Windows) of Option
(Mac OS) ingedrukt terwijl u klikt op de plaats waar het referentiepunt moet komen in het documentvenster.
3. Kies een optie in het dialoogvenster Schalen:
Als u de verhoudingen van het object wilt behouden tijdens het schalen, selecteert u Proportioneel en voert u in het tekstvak Schalen
een percentage in.
Als u de hoogte en de breedte afzonderlijk wilt schalen, selecteert u Niet gelijkmatig en voert u in de tekstvakken Horizontaal en Verticaal
een percentage in.
De schaalfactoren zijn relatief ten opzichte van het referentiepunt en kunnen negatief of positief zijn.
4. Als u paden met lijnen en alle grootteafhankelijke effecten samen met het object wilt schalen, kiest u Lijnen en effecten schalen.
5. Als de objecten een vulpatroon bevatten, selecteert u Patronen om het patroon te schalen. Schakel Objecten uit als u wel het patroon en
niet de objecten wilt schalen.
6. Klik op OK of klik op Kopiëren als u een kopie van de objecten wilt schalen.
Meerdere objecten schalen
1. Selecteer de objecten.
2. Kies Object > Transformeren > Elk object transformeren.
Opmerking: U kunt geen specifieke breedte opgeven wanneer u meerdere objecten schaalt. U kunt objecten in Illustrator alleen in
percentages schalen.
3. Stel in het gedeelte Schalen van het dialoogvenster percentages in voor horizontaal en verticaal schalen.
4. Als u het referentiepunt wilt wijzigen, klikt u op een wit vierkantje op de indicator voor het referentiepunt
.
5. Klik op OK of klik op Kopiëren als u een kopie van elk object wilt schalen.
Objecten schuintrekken
Wanneer u een object schuintrekt, laat u het object hellen of schuin aflopen langs de horizontale of verticale as, of met een opgegeven hoek ten
opzichte van een opgegeven as. Objecten worden schuingetrokken ten opzichte van een referentiepunt, dat afhankelijk is van de gekozen
methode voor het schuintrekken en dat bij de meeste methoden kan worden gewijzigd. U kunt één afmeting van een object bij het schuintrekken
vergrendelen en één object of meerdere objecten tegelijk schuintrekken.
Schuintrekken is handig om slagschaduwen te maken.
269