Operation Manual
Naar boven
Naar boven
behouden bij plakken uitgeschakeld en worden illustraties geplakt in de laag die actief is in het deelvenster Lagen. Als de optie Lagen behouden
bij plakken is ingeschakeld, worden illustraties geplakt in de laag waaruit ze zijn gekopieerd, ongeacht welke laag actief is in het deelvenster
Lagen.
U kunt deze optie instellen door Lagen behouden bij plakken te selecteren in het menu van het deelvenster Lagen. Een vinkje geeft aan dat de
optie is ingeschakeld.
Schakel de optie Lagen behouden bij plakken in als u een illustratie tussen documenten plakt en u wilt deze automatisch plakken in een laag
met dezelfde naam als de oorspronkelijke laag. Als het doeldocument geen laag heeft met dezelfde naam, wordt er een nieuwe laag gemaakt.
Op plaats plakken en In alle tekengebieden plakken
Met de opdracht Op plaats plakken plakt u illustraties in het actieve tekengebied. Klik hiertoe op Bewerken > Op plaats plakken. De sneltoets is
Ctrl+Shift+V (Windows) of Cmd+Shift+V (Mac).
Met de opdracht In alle tekengebieden plakken wordt de geselecteerde illustratie in alle tekengebieden geplakt. Voordat u de opdracht In alle
tekengebieden plakken gebruikt, moet u controleren of het tekengebied waaruit u het object wilt kopiëren het actieve tekengebied is.
Als u de opdracht In alle tekengebieden plakken wilt gebruiken, klikt u op Bewerken > In alle tekengebieden plakken wanneer u de illustratie knipt
of kopieert.
Als u een illustratie kopieert en vervolgens In alle tekengebieden plakken selecteert, wordt de illustratie opnieuw in het tekengebied geplakt waaruit
het is gekopieerd. (Aanbevolen) Als u de originele objecten niet hoeft te wijzigen, kunt u objecten het beste knippen en vervolgens plakken voordat
u de opdracht In alle tekengebieden plakken gebruikt.
Opmerking: Met de opdrachten Op plaats plakken en In alle tekengebieden plakken wordt het object op dezelfde positie geplakt als de
gekopieerde objecten waarnaar vanuit het actieve tekengebied wordt verwezen op het moment van kopiëren.
Objecten uitlijnen en verdelen
Voor het uitlijnen of verdelen van geselecteerde objecten langs de door u opgegeven as, kunt u gebruikmaken van het deelvenster Uitlijnen
(Venster > Uitlijnen) of van de uitlijnopties in het deelvenster Beheer. U kunt de objectranden of ankerpunten als referentiepunt gebruiken, en u
kunt uitlijnen met een selectie, een tekengebied of een hoofdobject. Een hoofdobject is een specifiek object in een selectie van meerdere objecten.
Als er een object is geselecteerd worden de uitlijnopties weergegeven in het deelvenster Beheer. Als deze opties niet worden weergegeven, kies
dan Uitlijnen in het menu van het deelvenster Beheer.
Uitlijning en verdeling worden standaard berekend op basis van de paden van de objecten. Als u echter werkt met objecten met verschillende
lijndikten, kunt u in plaats daarvan de rand van de lijn gebruiken voor het berekenen van de uitlijning en de verdeling. Selecteer hiervoor
Grenzen van voorvertoning gebruiken in het menu van het deelvenster Uitlijnen.
Op www.adobe.com/go/vid0035_nl vindt u een video over het selecteren en manipuleren van objecten.
Uitlijnen of verdelen ten opzichte van het omsluitend kader van alle geselecteerde objecten
1. Selecteer de objecten die u wilt uitlijnen of verdelen.
2. In het deelvenster Uitlijnen of Beheer selecteert u Uitlijnen met selectie
en klikt u op de knop voor het gewenste type uitlijning of
verdeling.
Uitlijnen of verdelen ten opzichte van één ankerpunt
1. Klik op het gereedschap Direct selecteren, houd Shift ingedrukt en selecteer de ankerpunten die u wilt uitlijnen of distribueren. Het laatste
ankerpunt dat u selecteert, wordt het hoofdankerpunt.
De optie Uitlijnen op hoofdanker wordt automatisch geselecteerd in het deelvenster Uitlijnen en in het deelvenster Beheer.
2. Klik in het deelvenster Uitlijnen of Beheer op de knop voor het gewenste type uitlijning of verdeling.
Uitlijnen of verdelen ten opzichte van een hoofdobject
1. Selecteer de objecten die u wilt uitlijnen of verdelen.
2. Klik nogmaals op het object dat u als hoofdobject wilt gebruiken (u hoeft dit keer Shift niet ingedrukt te houden terwijl u klikt).
Het hoofdobject wordt in een blauw kader geplaatst en in de deelvensters Beheer en Uitlijnen wordt automatisch Uitlijnen met hoofdobject
geselecteerd.
3. Klik in het deelvenster Uitlijnen of Beheer op de knop voor het gewenste type uitlijning of verdeling.
Opmerking: Als u het uitlijnen en verdelen ten opzichte van een object wilt stoppen, klikt u nogmaals op het object om het blauwe kader te
verwijderen, of kiest u Hoofdobject annuleren in het menu van het deelvenster Uitlijnen.
249










