Operation Manual

Objecten verplaatsen, uitlijnen en verdelen
Naar boven
Objecten verplaatsen
Een object plakken op een positie ten opzichte van andere objecten
Objecten tussen lagen plakken
Op plaats plakken en In alle tekengebieden plakken
Objecten uitlijnen en verdelen
Objecten verplaatsen
U kunt objecten verplaatsen door deze met bepaalde gereedschappen te slepen, door de pijltoetsen op het toetsenbord te gebruiken of door
exacte waarden in te voeren in een deelvenster of dialoogvenster.
U kunt objecten magnetisch op de juiste plaats zetten als u deze verplaatst. U kunt de aanwijzer bijvoorbeeld magnetisch plaatsen op hulplijnen en
ankerpunten, en objectgrenzen op rasterlijnen. U kunt ook het deelvenster Uitlijnen gebruiken om objecten ten opzichte van elkaar te plaatsen.
U kunt vervolgens Shift gebruiken om de verplaatsing van een of meer objecten te beperken, zodat deze precies in horizontale, verticale of
diagonale richting worden verplaatst ten opzichte van de huidige richting van de x-as en y-as. U kunt Shift ook gebruiken om objecten te roteren
met hoeken van 45° of veelvouden daarvan.
Een object verplaatsen of dupliceren door te plakken
1. Selecteer een of meer objecten.
2. Kies Bewerken > Knippen om de selectie te verplaatsen of Bewerken > Kopiëren om de selectie te dupliceren.
3. Als u een object in een ander bestand wilt plakken, opent u dat bestand. (Zie Objecten tussen lagen plakken voor plakken tussen lagen.)
4. Kies een van de volgende opdrachten:
Bewerken > Plakken Hiermee wordt het object in het midden van het actieve venster geplakt. Bewerken > Op voorgrond
plakken Hiermee wordt het object direct voor het geselecteerde object geplakt. Bewerken > Op achtergrond plakken Hiermee wordt het
object direct achter het geselecteerde object geplakt. Bewerken > Op plaats plakken Hiermee worden illustraties op dezelfde positie in het
actieve tekengebied geplakt als in het tekengebied waaruit de illustraties worden gekopieerd. Bewerken > In alle tekengebieden
plakken Hiermee plakt u illustraties in alle tekengebieden op dezelfde locatie als waar de illustraties zich bevinden in het huidige
tekengebied.
Een object verplaatsen door te slepen
1. Selecteer een of meer objecten.
2. Sleep het object naar een nieuwe positie.
Als het geselecteerde object gevuld is, kunt u op elk punt van het object klikken om te slepen. Als het geselecteerde object niet gevuld is, als
u illustraties weergeeft als omtrekken of als de voorkeur Alleen objectselectie op pad is geselecteerd, moet u slepen vanuit het pad van het
object. (Zie Selecties dupliceren door te slepen.)
Met de opdracht Magnetisch punt in het menu Weergave wordt de aanwijzer naar een ankerpunt of hulplijn toegetrokken als u een object
sleept binnen een straal van 2 pixels van het ankerpunt of de hulplijn.
Objecten verplaatsen met de pijltoetsen
1. Selecteer een of meer objecten.
2. Druk op de pijltoets die in de richting wijst waarin u het object wilt verplaatsen. Druk op Shift en een pijltoets om het object in de gewenste
richting te verplaatsen over een afstand van tien maal de waarde die wordt aangegeven bij de voorkeur Toetsenbordstap.
De afstand waarover het object wordt verplaatst elke keer als u op een pijltoets drukt, wordt bepaald door de voorkeursinstelling voor
Toetsenbordstap. De standaardafstand is 1 punt (0,3528 millimeter). Om de voorkeur voor Toetsenbordstap te wijzigen, kiest u Bewerken >
Voorkeuren > Algemeen (Windows) of Illustrator > Voorkeuren > Algemeen (Mac OS).
Een object over een bepaalde afstand verplaatsen
1. Selecteer een of meer objecten.
2. Kies Object > Transformeren > Verplaatsen.
247