Operation Manual
Naar boven
Naar boven
als voor de begin- of eindkleur.
4. Als u een tussenkleur wilt verwijderen, sleept u het vierkantje van de verloopschuifregelaar af of selecteert u het vierkantje en klikt u in het
deelvenster Verloop op de knop Verwijderen
.
5. Als u de locatie van kleuren in het verloop wilt aanpassen, gaat u op een van de volgende manieren te werk:
Als u de middelpunten van de kleurstops van het verloop wilt aanpassen (het punt waarop twee kleurwaarden 50% zijn), sleept u het
ruitje boven de schuifregelaar. U kunt ook het pictogram selecteren en in het vak Locatie een waarde opgeven tussen 0 en 100.
Als u de eindpunten van de kleurstops van het verloop wilt wijzigen, sleept u de meest linkse of rechtse verloopstop onder de
verloopbalk.
Als u de kleuren in het verloop wilt omkeren, klikt u op Verloop omkeren in het deelvenster Verloop.
6. Als u de dekking van een verloopkleur wilt wijzigen, klikt u op een kleurstop in het deelvenster Verloop en geeft u een waarde op in het vak
Dekking. Wanneer een verloopstop een dekkingswaarde heeft van minder dan 100%, wordt bij de stop een
weergegeven en wordt de
kleur geblokt weergegeven in de verloopschuifregelaar.
7. Klik op de knop Nieuw staal in het deelvenster Stalen om het nieuwe of gewijzigde verloop als staal op te slaan. Of sleep het verloop van het
deelvenster Verloop of het deelvenster Gereedschappen naar het deelvenster Stalen.
Een verloop toepassen op meerdere objecten
1. Vul alle objecten met een verloop.
2. Selecteer alle objecten die u wilt vullen.
3. Voer een van de volgende handelingen uit met het gereedschap Verloop:
Als u een verloop wilt maken met één verloopregelaar, klikt u in het tekengebied op de plaats waar het verloop moet beginnen en sleept
u naar de plaats waar het verloop moet eindigen.
Als u een verloop wilt maken met een verloopregelaar voor elk geselecteerd object, klikt u in het tekengebied waar het verloop moet
beginnen en houdt u Alt (Windows) of Option (Mac OS) ingedrukt terwijl u sleept naar de plaats waar het verloop moet eindigen. U kunt
vervolgens de verschillende verloopregelaars voor de verschillende objecten aanpassen. (Meerdere verloopregelaars worden alleen
gemaakt voor eenvoudige paden.)
Richting, straal of oorsprong van een verloop wijzigen
Zodra u een object hebt gevuld met een verloop, kunt u het gereedschap Verloop en de verloopannotator (schuifregelaar) in het object gebruiken
om het verloop aan te passen door een nieuw opvulpad te tekenen. Met dit gereedschap kunt u de richting, de oorsprong en het begin- en
eindpunt van een verloop wijzigen.
1. Selecteer het object dat met een verloop is gevuld.
2. Selecteer het gereedschap Verloop
en ga op een van de volgende manieren te werk:
Als u de richting van een lineair verloop wilt wijzigen, klikt u op de plaats waar het verloop moet beginnen en sleept u naar de richting
waar dit moet worden weergegeven. U kunt het gereedschap Verloop ook plaatsen op de verloopannotator in het object en, wanneer de
cursor verandert in het rotatiepictogram
, slepen om de hoek van het verloop in te stellen.
Opmerking: u kunt de richting ook wijzigen door een nieuwe waarde in te stellen in het vak Hoek in het deelvenster Verloop.
Als u de straal van een radiaal of elliptisch verloop wilt wijzigen, plaatst u het gereedschap Verloop op de pijl van de verloopannotator in
het object en sleept u om de straal in te stellen.
Als u de oorsprong van het verloop wilt wijzigen, plaatst u het gereedschap Verloop aan het begin van de verloopannotator in het object
en sleept u het naar de gewenste locatie.
Als u tegelijkertijd de straal en de hoek wilt wijzigen, houdt u Alt (Windows) of Option (Mac OS) ingedrukt terwijl u op het eindpunt klikt,
en sleept u het punt naar de nieuwe locatie.
Opmerking: als de verloopannotator (verloopschuifregelaar) niet verschijnt wanneer u het gereedschap Verloop plaatst in een object
met een verloop, kiest u Weergave > Verloopannotator tonen.
224










