Operation Manual

Als u de oorsprong verplaatst, heeft dit invloed op de x- en y-coördinaten van het horizontale vlak en op de x-coördinaat van verticale vlakken. Als
u een object in perspectief selecteert terwijl het raster zichtbaar is, veranderen de x- en y-coördinaten in de deelvensters Transformeren en Info
met de verschuiving van de oorsprong. U kunt de wijzigingen in coördinaatafmetingen zien als u objecten tekent met de gereedschappen
Rechthoek of Lijngroep en op de Shift-toets drukt terwijl het relevante perspectiefvlak actief is. Als u de muis over de oorsprong beweegt,
verandert de aanwijzer in
.
Opmerking: Als u de oorsprong van de liniaal verplaatst, kunt u het standpunt zien.
De oorsprong van de liniaal wijzigen en het standpunt weergeven
A. Standpunt B. Gewijzigde oorsprong van liniaal
Pas de horizonhoogte aan de ooghoogte van de waarnemer aan. Wanneer u de aanwijzer over de horizonlijn beweegt, verandert de aanwijzer in
een verticale tweerichtingspijl
.
De horizonhoogte aanpassen in een tweepuntsperspectiefraster
U kunt het rasterbereik wijzigen om het bereik van het raster op de vlakken te definiëren. Wanneer u de aanwijzer over de widgets voor het
rasterbereik beweegt, verandert de aanwijzer in .
Opmerking: Rasterlijnen zijn zodanig ingesteld dat ze op het scherm worden weergegeven wanneer ze een gat van 1 pixel bevatten. Met de
functie voor progressief inzoomen worden er meer rasterlijnen zichtbaar die zich dichter bij het verdwijnpunt bevinden.
128