Operation Manual

484
ADOBE ILLUSTRATOR CS4 GEBRUIKEN
Taken automatiseren
Overzicht van het deelvenster Variabelen
Als u met variabelen en gegevenssets werkt, gebruikt u het deelvenster Variabelen (Venster > Variabelen). Het type en
de naam van iedere variabele in het document worden vermeld in het deelvenster. Als de variabele aan een object is
gekoppeld, wordt in de kolom Objecten de naam van het gekoppelde object weergegeven zoals dit wordt weergegeven
in het deelvenster Lagen.
Deelvenster Variabelen
A. Gegevensset B. Deelvenstermenu C. Type variabele D. Naam van de variabele E. Naam van het gekoppelde object
In het deelvenster Variabelen wordt het type van een variabele aangegeven met de volgende pictogrammen:
Variabele van het type Zichtbaarheid .
Variabele van het type Tekstreeks .
Variabele van het type Gekoppeld bestand .
Variabele van het type Grafiekgegevens .
Variabele zonder type (niet gekoppeld) .
U kunt de rijen sorteren door te klikken op de items in de kopbalk: op de naam van de variabele, de objectnaam of
het type variabele.
Variabelen maken
U kunt in Illustrator vier typen variabelen maken: Grafiekgegevens, Gekoppeld bestand, Tekstreeks en Zichtbaarheid.
Het type van de variabele geeft aan welke objectkenmerken kunnen worden gewijzigd (dat wil zeggen, dynamisch zijn).
Opmerking: Het menu van het deelvenster Variabelen bevat ook opdrachten om variabelen te maken.
Een variabele van het type Zichtbaarheid maken
Selecteer de objecten die u wilt weergeven of verbergen en klik op de knop Zichtbaarheid dynamisch maken
in het deelvenster Variabelen.
Een variabele van het type Tekstreeks maken
Selecteer een type object en klik op de knop Object dynamisch maken in het deelvenster Variabelen.
Een variabele van het type Gekoppeld bestand maken
Selecteer een gekoppeld bestand en klik op de knop Object dynamisch maken in het deelvenster Variabelen.
Een variabele van het type Grafiekgegevens maken
Selecteer een grafiekobject en klik op de knop Object dynamisch maken in het deelvenster Variabelen.
B
A
CD E