Operation Manual

243
ADOBE ILLUSTRATOR CS4 GEBRUIKEN
Objecten omvormen
Geselecteerde objecten voor (links) en na (rechts) het schalen met het omsluitende kader
Objecten schalen, schuintrekken en vervormen
Objecten schalen
Wanneer u een object schaalt, vergroot of verkleint u het object horizontaal (langs de x-as), verticaal (langs de y-as) of
in beide richtingen. Objecten worden geschaald ten opzichte van een referentiepunt, dat afhankelijk is van de gekozen
schaalmethode. U kunt het standaardreferentiepunt voor de meeste schaalmethoden aanpassen en de verhoudingen
van een object vergrendelen.
Standaard worden lijnen en effecten niet samen met objecten geschaald. Als u lijnen en effecten wilt schalen, kiest u
Bewerken > Voorkeuren > Algemeen (Windows) of Illustrator > Voorkeuren > Algemeen (Mac OS) en selecteert u
Lijnen en effecten schalen. Als u per geval wilt kiezen of u lijnen en effecten wilt schalen, schaalt u de objecten met het
deelvenster Transformeren of de opdracht Schalen.
Met de optie Lijnen en effecten schalen worden het object, slagschaduwen en lijnen geschaald (links). Wanneer deze optie is uitgeschakeld
(rechts), wordt alleen het object geschaald.
Zie ook
Galerie met omvormingsgereedschappen” op pagina 25
Transformeren met het omsluitende kader” op pagina 242
Overzicht van het deelvenster Transformeren” op pagina 241
Objecten schalen met het gereedschap Schalen
1 Selecteer een of meer objecten.
2 Selecteer het gereedschap Schalen .
3 Voer een van de volgende handelingen uit:
Als u wilt schalen ten opzichte van het middelpunt van het object, sleept u in het documentvenster totdat het object
de gewenste grootte heeft.