Operation Manual
232
ADOBE ILLUSTRATOR CS4 GEBRUIKEN
Objecten selecteren en ordenen
Deelvenster Lagen
A. Zichtbaarheid B. Bewerkbaarheid C. Doel D. Selectie
In het deelvenster Lagen staan er kolommen links en rechts van de lijsten. Klik op een kolom om de volgende
kenmerken in te stellen:
Zichtbaarheid Geeft aan of items in de lagen zichtbaar of verborgen (leeg vakje) zijn en of het sjabloonlagen
of omtreklagen zijn.
Bewerkbaarheid Geeft aan of items zijn vergrendeld of ontgrendeld. Het vergrendelingspictogram geeft aan dat
het item is vergrendeld en niet kan worden bewerkt. Een leeg vakje geeft aan dat het item is ontgrendeld en kan worden
bewerkt.
Doel Geeft aan of deze items als doel zijn aangewezen. Dat wil zeggen dat er effecten op worden toegepast en dat deze
items worden aangepast als kenmerken in het deelvenster Vormgeving worden bewerkt. Het pictogram met de
dubbele ring ( of ) geeft aan dat het item als doel is aangewezen. Een enkele ring geeft aan dat het item niet als
doel is aangewezen.
Selectie Geeft aan of items zijn geselecteerd. Als een item is geselecteerd, verschijnt er een gekleurd vakje. Als een item,
bijvoorbeeld een laag of groep, bepaalde objecten bevat die wel zijn geselecteerd en andere objecten die niet zijn
geselecteerd, staat er een kleiner gekleurd vakje naast het hoofditem. Als alle objecten binnen het hoofditem zijn
geselecteerd, hebben de gekleurde vakjes dezelfde grootte als de markeringen naast geselecteerde objecten.
U kunt het deelvenster Lagen gebruiken om bepaalde items weer te geven als omtrekken en andere items zoals deze in
de uiteindelijke illustratie verschijnen. U kunt gekoppelde afbeeldingen en bitmapobjecten ook dimmen, zodat het
gemakkelijker is om illustraties boven op de afbeelding te bewerken. Dit is vooral handig als u een bitmapafbeelding
overtrekt.
Opties voor gelaagde illustraties weergeven
A. Object weergegeven in de weergave Omtrek B. Bitmapobject voor 50% gedimd C. Geselecteerde object weergegeven in voorvertoningmodus
A B C D
BCA