Operation Manual

Copyright © Acronis, Inc., 2000-2010 69
AES 192: selecteer deze optie als u een 192-bits sleutel wilt gebruiken om uw back-ups te
coderen.
AES 256: selecteer deze optie als u een 256-bits sleutel wilt gebruiken om uw back-ups te
coderen.
− Als u uw back-ups niet wilt coderen, maar ze alleen met een wachtwoord wilt beveiligen,
selecteert u Geen.
Klik op OK om uw instellingen te bevestigen nadat u de gewenste beveiligingsinstellingen hebt
gekozen voor uw back-ups.
Als u gegevens probeert terug te zetten uit een back-up die met een wachtwoord is beveiligd, of als u een
incrementele/differentiële back-up toevoegt aan een dergelijke back-up, wordt u gevraagd het wachtwoord
voor de back-up in te voeren om te voorkomen dat onbevoegde gebruikers toegang krijgen tot de back-up.
3.11.4 Aangepaste opdrachten uitvoeren voor en na het back-
upproces
U kunt aangepaste opdrachten (of zelfs batchbestanden) instellen die u automatisch wilt uitvoeren
voor en na het back-upproces.
Zo kunt u bijvoorbeeld bepaalde Windows-services starten of beëindigen, of uw gegevens op fouten
controleren voordat u er een back-up van maakt.
Zo stelt u de gewenste opdrachten (batchbestanden) in:
Selecteer in de vervolgkeuzelijst Uitvoeren vóór back-upproces de opdracht die u wilt uitvoeren
voordat het back-upproces wordt gestart. Als u een nieuwe opdracht wilt definiëren of een
nieuw batchbestand wilt selecteren, klikt u op de knop Bewerken.
Selecteer in de vervolgkeuzelijst Uitvoeren na back-upproces de opdracht die u wilt uitvoeren
nadat het back-upproces is voltooid. Als u een nieuwe opdracht wilt definiëren of een nieuw
batchbestand wilt selecteren, klikt u op de knop Bewerken.
Voer geen interactieve opdrachten uit, dat wil zeggen opdrachten die de tussenkomst van de
gebruiker vereisen (zoals 'pause'), Deze worden niet ondersteund.
3.11.4.1 Nieuwe opdrachten definiëren
U kunt aangepaste opdrachten definiëren die u wilt uitvoeren voor of na het back-upproces:
Typ in het veld Opdracht een opdracht of selecteer deze in in de lijst. Klik op ... als u een
batchbestand wilt selecteren.
Geef in het vak Werkmap het pad op naar de map waarin de uit te voeren opdracht is
opgeslagen of selecteer een eerder ingevoerd pad in de lijst.
Typ in het veld Argumenten de vereiste argumenten om de opdracht uit te voeren of selecteer
eerder ingevoerde argumenten in de lijst.
Als u het selectievakje Geen bewerkingen uitvoeren totdat opdracht is voltooid uitschakelt (deze
optie is standaard ingeschakeld), worden het back-upproces en de opdracht simultaan uitgevoerd.
Als u het selectievakje Bewerking annuleren als opdracht mislukt activeert (de standaardinstelling),
wordt de huidige bewerking automatisch geannuleerd als er fouten optreden bij het uitvoeren van
de opdracht.
Met de knop Opdracht testen kunt u de opdracht testen nadat u deze hebt gedefinieerd.