Installation Instructions
5-18
5.5 Hoe moeten de andere contacten van de ABUS draadloze alarminstallatie worden bekabeld?
5.5.1 Aansluiten van een sirene met kabel
De ABUS draadloze alarminstallatie is uitgerust met een ingebouwde signaalgever. Indien gewenst kan een externe signaalgever
of piëzosignaalgever worden aangesloten om bewoners en buren met een luide sirene te alarmeren.
De kabel voor een externe signaalgever wordt als volgt aangesloten:
• Sluit de beide externe aansluitingen aan de signaalklemmen aan (+ Bell)(Bell -). Controleer de juiste polariteit als u een
elektronische sirene of een gepolariseerde signaalgever aansluit.
• Stel het geluidssignaal in dat gegenereerd moet worden (lees hiervoor s.v.p. ook hoofdstuk 6, pagina 4-10 Sneltoetsen
[1][2][32] in het programmeermenu), afhankelijk van de signaalgever.
• Gaat het om een luidspreker zonder ingebouwde sirenedriver, dan genereert de ABUS draadloze alarminstallatie een
continu of onderbroken gemoduleerde spanning.
• Gaat het om een signaalgever of een elektronische sirene, dan genereert de ABUS draadloze alarminstallatie een continu 9
VDC of een langzaam pulserende spanning, afhankelijk van het type alarm. Gebruik geen signaalgever met een maximaal
stroomverbruik van 9 VDC 500 mA.
WAARSCHUWING:
Om storing van de externe signaalgeverlus te vermijden als er geen verbinding met de klemmen van de signaalgever
is gemaakt, sluit u de meegeleverde 2,2 kWΩ weerstanden tussen de aansluitingen (+ Bell) en (Bell -) aan.
OPMERKING:
De Parameter Sirene/LS in het programmeermenu moet correct worden gedefinieerd. Deze instelling is afhankelijk
van het type signaalgever dat wordt gebruikt. Meestal moet deze instelling op Sirene worden geprogrammeerd.
Indien de uitgang van de signaalgever overbelast (maximaal 500 mA) en uitgeschakeld is, moet de belasting op de
uitgang voor tenminste 10 seconden worden onderbroken voordat er weer een belasting op de uitgang wordt
aangesloten. De beveiliging wordt dan gereset.
5.5.2 Sirenesabotage
Indien aanwezig verbindt u het sabotagecontact van uw (bekabelde) sirene met de sabotage-ingang op de printplaat van de ABUS
draadloze alarminstallatie (Bell TMP / COM).Deze lijn is door 2,2 kOhm weerstand beveiligd tegen sabotage. Deze moet daarvoor
in serie met het contact binnen de behuizing van de sirene worden verbonden.
De sabotage-ingang wordt alleen bewaakt als in het programmeermenu via “Externe sirene” (Sneltoetsen [1] [2] [31] in het
programmeermenu )de instelling “Ja” is gekozen. Details hierover vindt u onder punt [1] [2] [31].
5.5.3 Schakelbare relais- en transistoruitgangen
Uw ABUS draadloze alarminstallatie beschikt over 4 stuurbare uitgangen ( (2 x 24 VDC 3 A relais potentiaalvrij of 9V 200 mA
transistor + 2 x 13,8 VDC 70 mA transistor). Deze uitgangen worden bij bepaalde systeemgebeurtenissen geactiveerd. Bijvoorbeeld
bij alarm, systeemstoringen, bepaalde gebeurtenissen in gedefinieerde zones of deelgebieden maar ook door de gebruiker of via de
tijdbesturing.
De schakeluitgangen UO1 (schakeluitgang 1) en UO2 (schakeluitgang 2) worden als volgt verbonden:
COM
UO2 / UO1
N.O C N.C
+
-
J4 (UO2)
or
J5 (UO1)
POS
AUX
UO2 / UO1
N.O C N.C
+
-
J4 (UO2)
or
J5 (UO1)
NEG
EXTERNAL
POWER
UO2 / UO1
N.O C N.C
+
-
J4 (UO 2)
or
J5 (UO 1)
1 PIN
Only
Positief: Verbind de
verzamelklem "NC / RED"en N.C
(9 V van AUX) met een extern
apparaat dat u via de
schakeluitgang wilt schakelen. Let
daarbij op de instelling van de
jumper J4 (voor UO2) resp. J5
(voor UO1). (zie nummer 15 op
pagina 5.14: Wat is wat in
binnenste van de installatie.)
Negatief: Verbind de
verzamelklem "AUX / RED"en N.C
(9 V van AUX) met een extern
apparaat dat u via de
schakeluitgang wilt schakelen. Let
daarbij op de instelling van de
jumper J4 (voor UO2) resp. J5
(voor UO1). (zie nummer 15 op
pagina 5.14: Wat is wat in
binnenste van de installatie.)
Potentiaalvrij: Verbind de klemmen C en
N.C met een externe spanningsbron en
met een extern apparaat dat u via de
schakeluitgang wilt besturen. Let daarbij
op de instelling van de jumper J4 (voor
UO2) resp. J5 (voor UO1). (zie nummer 15
op pagina 6-14: Wat is wat in binnenste
van de installatie.
)
+9V
+9V










