Operation Manual
Bijlage C: Gedetailleerde opzetinformatie
C-1. Instelling voorstelling, resolutie
De meeste computers ondersteunen niet slechts één enkele schermmodus maar een serie verschillende modi
die verschillen in de soort voorstelling (tekst of volledig grafisch), resolutie (aantal pixels) en aantal
kleuren.
Vooraf opgeslagen standaard modusinstellingen voor een aantal IBM-compatibele en Apple Macintosh
computers helpen de projector de van toepassing zijnde modus te herkennen en zich automatisch in te
stellen voor de beste prestatie.
Bovendien kunt u extra modi met elke parameter invoeren en opslaan door middel van het menusysteem.
Het maximaal toegestane pixelniveau (bijlage A-1) bepaalt de bovengrens hiervan.
Stel de projector in op de beste beeldkwaliteit, zoals hieronder beschreven, door de menuregelaar te
gebruiken (zie Sectie 4-4). Alle stappen die beschreven worden, kunnen uitgevoerd worden via het
toetsenbord of de afstandsbediening:
1. Stel de achtergrond waar nodig bij om een beeld te bereiken met het grootst mogelijke contrast. Bij
gebruik van Microsoft Windows raden wij u aan alle toepassingen eerst af te sluiten en de
achtergrond van de desktop in te stellen op een gelijkmatig zwart-wit raster met behulp van het
regelsysteem.
2. Roep het hoofdmenu van de projector op door op de MENU-toets te drukken.
3. Kies het Opzetmenu.
4. Open het Opzetmenu door op de ENTER-toets te drukken.
De van kracht zijnde instelling wordt getoond in het titelblok van het Opzetmenu. Verander het
modusveld indien gewenst. Bevestig uw keuze door op de ENTER-toets te drukken.
5. Ga daarvoor naar het menupunt Pixel en kies de beeldresolutie.
6. Kies het menupunt Helderheid en verbeter de instelling zodat de witte gebieden met maximale
intensiteit geprojecteerd worden. Druk op de ENTER-toets voor automatische bijstelling.
Bekijk een fijn gestructureerd gebied met rasterlijnen. Het kan zijn dat er verticale storingslijnen
over dit gebied heenlopen.
7. Kies het menupunt Tracking (breedte beeld) en stel dit bij tot u minimale storing ziet. De richting van
de bijstelling is juist als het aantal lijnen kleiner wordt. De instelling is op zijn best als u geen
storingslijnen meer kunt zien. U kunt automatisch tracking en synchronisatie oproepen door de
ENTER-toets te gebruiken. Dit werkt goed als een beeld met veel contrast wordt getoond.










